Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU6455

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
24-001871-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich tesamen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen goederen, bestaande in het beschadigen van auto’s, waaronder zogenaamde old-timers.

Het bewezen verklaarde delict lijkt een incidentele gedragsontsporing van de verdachte te zijn. Onder deze omstandigheden kent het hof in de keuze van de strafmodaliteit een voornaam gewicht toe aan het element van normbevestiging en aan het bevorderen van de kans dat de door de verdachte veroorzaakte schade door hem wordt vergoed.

Volgt oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete, met als bijzondere voorwaarde het betalen van schadevergoeding aan de gedupeerden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001871-11

Uitspraak d.d.: 30 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 september 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1996],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 november 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het primair aan hem ten laste gelegde tot een geldboete van € 666,- subsidiair dertien dagen vervangende jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen één jaar na het onherroepelijk worden van het arrest zijn aandeel in de veroorzaakte schade zal vergoeden aan de benadeelde partijen, te weten:

€ 35,45 aan de benadeelde partij [benadeelde 1];

€ 228,19 aan de benadeelde partij [benadeelde 2];

€ 400,- aan de benadeelde partij [benadeelde 3],

alsmede strekkende tot het geheel toewijzen van de vorderingen van voornoemde benadeelde partijen, onder het hoofdelijk aansprakelijk stellen van de verdachte.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. J. Zevenboom, is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2010 tot en met 05 januari 2011 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de parkeergarage aan het [straat] en/of [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer (personen) auto's te weten: een Mercedes-Benz (280 Slc, kleur rood, kenteken: [kenteken]) en/of een Mercedes-Benz (200, kleur: groen, kenteken: [kenteken]) en/of een Opel Manta

(Gsi, kleur: wit, kenteken: [kenteken]) en/of een Mercedes-Benz (200, kleur: wit, kenteken: [kenteken]), welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- op een of meer voornoemde auto('s) springen/lopen/staan/klimmen/zitten en/of van de ene auto naar de andere auto springen en/of

- tegen een of meer spiegel(s) en/of bumper(s) van voornoemde auto('s)schoppen/trappen en/of

- een of meer ster(ren), althans enig goed, van een of meer van voornoemde auto('s) aftrekken/afbreken;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2010 tot en met 05 januari 2011 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer (personen)auto('s) te weten: een Mercedes-Benz (280 Slc, kleur rood, kenteken: [kenteken]) en/of een Mercedes-Benz (200, kleur: groen, kenteken: [kenteken]) en/of een Opel Manta (Gsi, kleur: wit, kenteken: [kenteken]) en/of een Mercedes-Benz (200, kleur: wit, kenteken: [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer] en/of [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Het hof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman van de verdachte heeft primair aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair aan hem ten laste gelegde. Hiertoe is gesteld dat de plaats van het delict, de parkeergarage, op het moment van de ten laste gelegde geweldpleging niet voor publiek toegankelijk was, er geen publiek aanwezig was en het ten laste gelegde geweld derhalve niet waarneembaar was voor publiek. Aldus kan niet worden bewezen dat sprake is geweest van openlijke geweldpleging, aldus de raadsman.

Hierover overweegt het hof het volgende.

In geval van een verdenking van het plegen van openlijk geweld dient uit de bewijsmiddelen - in het bijzonder uit de plaats waar, de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het geweld is uitgeoefend - te volgen dat sprake is van geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven feiten heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand

Daarbij is niet relevant of ten tijde en ter plaatse van het plegen van geweld ook daadwerkelijk publiek aanwezig was.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan geweldpleging tegen personenauto's die geparkeerd stonden in een parkeergarage. Die parkeergarage is, naar het hof aannemelijk acht, in ieder geval toegankelijk voor de gebruikers van die parkeergarage, al dan niet binnen bepaalde openingstijden. Reeds daarom voldoet de ten laste gelegde geweldpleging aan het hierboven genoemde criterium.

Daarnaast overweegt het hof het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat de parkeergarage kon worden betreden via een nooduitgang die openstond. Dat is weliswaar een niet-reguliere, wellicht zelfs ongeoorloofde, wijze van betreden van de parkeergarage, echter daarmee is die parkeergarage feitelijk toegankelijk voor het publiek.

De verdachte heeft voorts ter terechtzitting van het hof verklaard dat niet de gehele groep personen die in de parkeergarage aanwezig was ten tijde van de geweldpleging heeft deelgenomen aan die geweldpleging. Naar het oordeel van het hof zijn deze niet-deelnemers aan te merken als publiek.

De stelling van de raadsman, voor zover inhoudende dat de parkeergarage op het moment van geweldpleging niet voor publiek toegankelijk was en dat het ten laste gelegde geweld niet waarneembaar was voor publiek, mist onderbouwing en mist bovendien - gelet op het bovenstaande - feitelijke grondslag.

De stelling van de raadsman, voor zover inhoudende dat er geen publiek aanwezig was,

mist - gelet op het bovenstaande - feitelijke en juridische grondslag.

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair aangevoerd dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken, te weten van de aan hem ten laste gelegde beschadiging van een rode Mercedes-Benz personenauto. Hiertoe is gesteld dat wellicht een ander of anderen dan de verdachte daarvoor verantwoordelijk is/zijn geweest.

Deze mogelijkheid bestaat nu de eigenaar van de rode Mercedes-Benz blijkens diens aangifte niet dagelijks in de parkeergarage komt en hij de beschadiging van zijn auto plaatst ergens in de maand december 2010 en nu uit het strafdossier eveneens blijkt van diverse autokraken in de desbetreffende parkeergarage, waarvoor de verdachte en zijn medeverdachten niet verantwoordelijk zijn of kunnen worden gehouden, aldus de raadsman.

Hierover overweegt het hof het volgende.

De eigenaar van bedoelde rode Mercedes-Benz, [benadeelde 3], heeft blijkens zijn aangifte van 17 januari 2011 het moment van ontstaan van de beschadiging van zijn in de desbetreffende parkeergarage gestalde auto geplaatst in de periode tussen 1 december 2010 en 2 januari 2011. Uit die aangifte blijkt voorts dat [benadeelde 3] begin 2011 schade aan zijn auto heeft geconstateerd.

Uit het strafdossier blijkt - naast het ten laste gelegde - uitsluitend van autokraken in de desbetreffende parkeergarage op 12 januari 2011, derhalve nadat [benadeelde 3] schade aan zijn auto heeft geconstateerd.

Daarmee is de stelling van de raadsman, dat wellicht een ander of anderen dan de verdachte verantwoordelijk is/zijn geweest voor de beschadiging van de rode Mercedes-Benz, bij gebrek aan nadere onderbouwing, niet méér dan een louter theoretische mogelijkheid en speculatief.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof genoemde verweren van de raadsman.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat hij niet een rode Mercedes-Benz heeft zien staan in de parkeergarage. Hierover overweegt het hof dat deze enkele omstandigheid in het geheel niet uitsluit dat bedoelde rode Mercedes-Benz zich in de parkeergarage heeft bevonden en is beschadigd door toedoen van de verdachte of één van zijn mededaders.

Uit de aangifte van de eigenaar [benadeelde 3] blijkt dat bedoelde Mercedes-Benz gestald stond in de parkeergarage waarin de verdachte en zijn mededaders huishielden en dat die auto beschadigd is. Uit de verklaring die door de mededader [medeverdachte] bij de politie is afgelegd, blijkt dat één van de getroffen auto's een rode auto betrof.

Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de door de mededader [medeverdachte] genoemde rode auto de rode Mercedes-Benz van [benadeelde 3] betrof.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 december 2010 tot en met 5 januari 2011 in de gemeente [gemeente] met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de parkeergarage [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personenauto's te weten: een Mercedes-Benz (280 Slc, kleur rood, kenteken: [kenteken]) en een Mercedes-Benz (200, kleur: groen, kenteken:[kenteken]) en een Opel Manta (Gsi, kleur: wit, kenteken: [kenteken]) en een Mercedes-Benz (200, kleur: wit, kenteken: [kenteken]), welk geweld bestond uit het op een of meer voornoemde auto's springen/lopen/staan/klimmen/zitten of van de ene auto naar de andere auto springen en tegen spiegel en bumpers van voornoemde auto's schoppen/trappen en een ster van een van voornoemde auto's aftrekken/afbreken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dit delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich tesamen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen goederen, bestaande in het beschadigen van auto's, waaronder zogenaamde old-timers. Kennelijk heeft de verdachte de verkeerde inspiratie geput uit een bioscoopfilm en heeft hij vervolgens zijn lusten botgevierd op bedoelde auto's. Door het handelen van de verdachte (en de mededaders) is aan de eigenaars schade toegebracht en hebben zij hinder ondervonden en ergernis ervaren. Aangezien het hier kennelijk gaat om liefhebbers van old-timers, zullen de ergernis en teleurstelling over het gedrag van de verdachte en de mededaders niet gering zijn geweest.

Het hof hanteert ter zake van het delict openlijke geweldpleging landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting die de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf impliceren.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf voorts rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 oktober 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld, ter zake van enig strafbaar feit. Dit pleit in het voordeel van de verdachte.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Daaruit blijkt dat er geen zorgen zijn met betrekking tot de verdachte. Het bewezen verklaarde delict lijkt een incidentele gedragsontsporing van de verdachte te zijn.

Onder deze omstandigheden kent het hof in de keuze van de strafmodaliteit een voornaam gewicht toe aan het element van normbevestiging en aan het bevorderen van de kans dat de door de verdachte veroorzaakte schade door hem wordt vergoed.

Op grond van het bovenstaande kan in dit geval worden volstaan met de oplegging van de in eerste aanleg aan de verdachte opgelegde straf, welke straf eveneens is gevorderd door de advocaat-generaal, te weten een geheel voorwaardelijke geldboete, met als bijzondere voorwaarde het betalen van schadevergoeding aan de gedupeerden zoals hieronder nader aangegeven.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 177,23, alsmede de wettelijke rente.

Deze vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht toegewezen, zij het dat de rechter in eerste aanleg heeft verzuimd te beslissen op de gevorderde wettelijke rente.

Deze benadeelde partij heeft zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen (derhalve: exclusief de wettelijke rente).

Deze benadeelde partij heeft door het primair bewezen verklaarde delict rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte (en zijn medeverdachten) kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering toewijzen nu deze niet is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van € 177,23 zal derhalve worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.453,08, alsmede de wettelijke rente.

Deze vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 2.000,-. Voor het overige is deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Deze benadeelde partij heeft zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen.

Deze benadeelde partij heeft door het primair bewezen verklaarde delict rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte (en zijn medeverdachten) kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering toewijzen nu deze niet is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van € 2.000,- zal derhalve worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.140,96, alsmede de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht toegewezen, zij het dat de rechter in eerste aanleg heeft verzuimd te beslissen op de gevorderde wettelijke rente.

Deze benadeelde partij heeft zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen (derhalve: exclusief de wettelijke rente).

Deze benadeelde partij heeft door het primair bewezen verklaarde delict rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte (en zijn medeverdachten) kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering toewijzen nu deze niet is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van € 1.140,96 zal derhalve worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77l, 77x, 77y, 77z en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 666,00 (zeshonderdzesenzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen twaalf (12) maanden na het ingaan van de proeftijd zijn aandeel in de schade, die door het onder primair bewezen verklaarde is veroorzaakt, vergoedt door betaling van een bedrag van EUR 35,45 respectievelijk EUR 228,19 respectievelijk EUR 400,- aan [benadeelde 1] te [woonplaats] respectievelijk [benadeelde 2] te [woonplaats] respectievelijk [benadeelde 3] te [woonplaats], ten bewijze waarvan de verdachte binnen die termijn het daarop betrekking hebbende betalingsbewijs dient toe te zenden aan de advocaat-generaal bij dit hof, onder vermelding van het parketnummer 24-001871-11.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1], ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 177,23 (honderdzevenenzeventig euro en drieëntwintig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van EUR 177,23 (honderdzevenenzeventig euro en drieëntwintig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3], ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], een bedrag te betalen van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2], ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.140,96 (duizend honderdveertig euro en zesennegentig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van EUR 1.140,96 (duizend honderdveertig euro en zesennegentig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. B.J.J. Melssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 30 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.