Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU6259

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
200.071.794/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

redelijk loon van werkzaamheden administratie- en advieskantoor. Artikel 7:405 lid 2 BW.

Artikel 347 lid 1 Rv - twee conclusieregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 29 november 2011

Zaaknummer 200.071.794/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. De vennootschap onder firma [V.O.F. X],

gevestigd te Wirdum,

2. [appellante sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. B.P. van der Togt, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

De burgerlijke maatschap [de maatschap],

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [de maatschap],

advocaat: mr. C.S. Huizinga, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 19 mei 2010 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 5 augustus 2010 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [de maatschap] tegen de zitting van

17 augustus 2010.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden:

I het bestreden vonnis van de rechtbank te Leeuwarden, sector civiel recht, van 19 mei 2010 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van geïntimeerde alsnog afwijst;

II geïntimeerde veroordeelt in de kosten van de procedure in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [de maatschap] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appelanten niet ontvankelijk te verklaren, danwel het vonnis van de rechtbank Leeuwarden, gewezen op 19 mei 2010 in zaaknummer 100035 / HA ZA 09-45, te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van de gronden waarop dat vonnis rust, en appelanten hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure."

Voorts heeft [appellanten] een akte genomen en [de maatschap] een

antwoord-akte.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.3) een aantal feiten vastgesteld, waarover tussen partijen geen geschil bestaat. Mede gelet op hetgeen in dit hoger beroep als onweersproken is komen vast te staan, kan tussen partijen van het volgende worden uitgegaan.

1.1. Partijen hebben vanaf 2000 zaken met elkaar gedaan. [de maatschap] heeft voor werkzaamheden die betrekking hebben op de boekjaren 2003 tot en met 2006 diverse facturen aan [appellanten] gezonden. Van deze facturen heeft [appellanten] een deel - ten bedrage van € 14.895,43 - onbetaald gelaten.

1.2. In maart 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [A], werkzaam bij [de maatschap] en [Y]. Tijdens dit gesprek heeft [Y] namens [appellanten] bezwaar gemaakt tegen de (omvang van de) openstaande facturen.

1.3. [de maatschap] heeft sedert 1 mei 2007 geen werkzaamheden meer voor [appellanten] verricht.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [de maatschap] heeft van [appellanten] betaling gevorderd van het openstaande bedrag van haar facturen.

2.1. [appellanten] heeft betwist het gevorderde bedrag verschuldigd te zijn en heeft daartoe aangevoerd dat het door [de maatschap] gehanteerde uurtarief niet is overeengekomen en dat de hoogte van de facturen niet in verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden. Zij heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat de Algemene Voorwaarden van [de maatschap] op de opdracht van toepassing zijn. Tot slot heeft [appellanten] gesteld dat zij de overeenkomst met [de maatschap] in maart 2007 heeft beëindigd.

2.2. De rechtbank heeft vastgesteld dat [Y] namens [appellanten] ter comparitie heeft verklaard dat zij de overeenkomst met [de maatschap] in maart 2007 niet heeft opgezegd, zodat er geen einde is gekomen aan de relatie van partijen en [de maatschap] de nadien verrichte werkzaamheden nog mocht declareren.

De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat partijen toepasselijkheid van de algemene voorwaarden zijn overeengekomen.

3. Ten aanzien van de hoogte van de facturen heeft de rechtbank onder meer overwogen:

- dat [appellanten] in het jaar 2005 in financiële problemen geraakte als gevolg waarvan - naast de gebruikelijke werkzaamheden - intensievere bemoeienis van [de maatschap] noodzakelijk was, hetgeen heeft geleid tot meer werkzaamheden dan in de voorafgaande jaren en dat de noodzaak van deze werkzaamheden ook niet door [appellanten] is betwist (r.o. 4.4);

- dat [appellanten] in het verleden nooit bezwaar heeft gemaakt tegen het door [de maatschap] gehanteerde uurtarief en dat [de maatschap] er om die reden op mocht vertrouwen dat dit uurtarief door [appellanten] werd geaccepteerd (r.o. 4.5);

- dat [de maatschap] onbetwist heeft gesteld dat zij de in de branche gebruikelijke tarieven hanteert zodat dit tarief als redelijk dient te worden beschouwd (r.o. 4.5);

Voorts heeft de rechtbank de verweren die [appellanten] tegen de afzonderlijke facturen heeft gevoerd, verworpen.

4. De rechtbank heeft de vordering van [de maatschap] met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten toegewezen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure.

Bespreking van de grief

5. [appellanten] klaagt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [appellanten] het bedrag van € 14.895,43 aan [de maatschap] verschuldigd is en dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

6. Aan deze grief liggen blijkens de in de memorie van grieven gegeven toelichting drie argumenten ten grondslag, die het hof achtereenvolgens zal bespreken.

Daarbij stelt het hof voorop dat wanneer partijen bij het aangaan van een overeenkomst van opdracht de hoogte van het loon niet hebben bepaald, de opdrachtgever involge art. 7:405 lid 2 BW het op de gebruikelijk wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon is verschuldigd. Wat in concreet geval als een redelijk loon heeft te gelden zal ondermeer afhangen van de aard en - zo nodig schattenderwijs te bepalen - omvang van de verrichte werkzaamheden en van hetgeen in de betreffende branche in het algemeen gebruikelijk is. Anders dan doorgaans het geval is bij de berekening van een gebruikelijk loon, kan aan de bepaling van een redelijk loon niet een nauwkeurige berekening ten grondslag gelegd worden. Daarom kunnen hier geen hoge eisen gesteld worden aan de omvang van de op [de maatschap] rustende stelplicht omtrent het redelijke loon en aan de motivering door het hof van zijn oordeel daaromtrent (HR 19 december 2008, LJN: BG 1680, NJ 2011, 4).

7. [appellanten] heeft bij memorie van grieven in de eerste plaats aangevoerd dat zij het gelet op de kleinschaligheid van haar bedrijf ongeloofwaardig althans niet aannemelijk acht dat [de maatschap] 111,5 uur heeft besteed aan de jaarrekening over 2005. [appellanten] wijst erop dat haar huidige boekhouder de boekhouding over 2007, die naar haar oordeel vergelijkbaar is met die over 2005, in slechts 31,5 uur heeft verwerkt.

8. [de maatschap] heeft zowel in eerste aanleg als bij memorie van antwoord gewezen op de extra werkzaamheden die in 2005 moesten worden verricht om een faillissement van de onderneming te voorkomen. Voorts heeft [de maatschap] gemotiveerd betwist dat de onderneming van [appellanten] zo kleinschalig was als zij stelt. [de maatschap] heeft erop gewezen dat de onderneming twee vestigingen had, te weten in [plaats 1] en in [plaats 2]. Voorts heeft zij benadrukt dat er in 2006 weliswaar nog slechts sprake was van één werknemer, maar dat er in daaraan voorafgaande jaren meerdere werknemers waren. [appellanten] heeft vervolgens in haar akte bevestigd dat er in de periode 2002 -2005 naast beide vennoten twee medewerkers in de onderneming werkzaam waren en in 2006 nog één.

9. Het hof stelt vast dat [appellanten] niet heeft gegriefd tegen rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat [appellanten] in 2005 in financiële problemen is geraakt als gevolg waarvan [de maatschap] - naast de gebruikelijke werkzaamheden - noodzakelijkerwijs meer werkzaamheden heeft verricht dan in voorgaande jaren, zoals het beëindigen van een arbeidsovereenkomst, het voeren van besprekingen met de belastingdienst en het opstellen van tussentijdse jaarstukken ten behoeve van de bank.

Reeds om die reden valt het jaar 2005 naar 's hofs oordeel niet gelijk te stellen met het jaar 2007. [appellanten] heeft immers niet gesteld dat haar onderneming in laatstgenoemd jaar opnieuw in financieel zwaar weer is komen te verkeren en evenmin dat er in dat jaar een tussentijdse jaarrekening is opgesteld.

10. [appellanten] heeft evenmin gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.5 van het vonnis, inhoudende dat [de maatschap] erop mocht vertrouwen dat [appellanten] het door haar gehanteerde uurtarief accepteerde nu zij daartegen in voorgaande jaren nimmer bezwaar tegen heeft gemaakt en [de maatschap] bovendien onbetwist heeft gesteld dat zij de in de branche gebruikelijke tarieven hanteert. Mitsdien zal ook het hof van dat oordeel uitgaan. Aldus ligt enkel de vraag ter beantwoording voor of het aantal door [de maatschap] in rekening gebrachte uren in redelijke verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

11. [de maatschap] heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg een urenspecificatie gegeven van de op haar facturen vermelde posten en heeft uiteengezet waaruit haar werkzaamheden (in het bijzonder met betrekking tot het boekjaar 2005) bestonden.

[de maatschap] heeft [appellanten] blijkens de in het geding gebrachte facturen voor het opstellen van de jaarrekeningen over de jaren 2003 en 2004 een bedrag van € 2.156,01 respectievelijk € 2.111,66 excl. BTW in rekening gebracht.

Bij factuur van 29 december 2006 heeft [de maatschap] [appellanten] een bedrag van (€ 3.561,17 + € 2.595,50 =) € 6.156,67 excl. BTW in rekening gebracht voor het opstellen van de tussentijdse en definitieve jaarrekening over 2005.

12. Het hof stelt vast dat het jaar 2005 afweek van de voorgaande jaren in die zin dat er niet slechts één, maar twee jaarrekeningen dienden te worden opgesteld, terwijl het opstellen van de tussentijdse jaarrekening bovendien onder bijzondere omstandigheden moest geschieden. [de maatschap] heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg immers onweersproken gesteld dat de bank ten behoeve van een nieuwe financiering een tussentijdse jaarrekening verlangde en erg veel druk op de situatie legde. Het hof acht het aannemelijk dat [de maatschap] in de gegeven omstandigheden verhoudingsgewijs meer tijd heeft besteed aan het opstellen van de beide jaarrekeningen dan in de voorgaande jaren. Het hof acht het verweer van [appellanten] tegen deze factuurpost, inhoudende dat deze 'bovenmatig' zou zijn (het hof verstaat: niet op de gebruikelijke wijze berekend of niet redelijk in de zin van art. 7:405 lid 2 BW), mede in het licht van de gespecificeerde opgave die [de maatschap] van de door haar bestede uren heeft gegeven, bezien in het licht aan de daaraan op grond van het onder 6 omschreven criterium te stellen vereisten onvoldoende gemotiveerd.

13. In zoverre faalt de grief.

14. In de tweede plaats heeft [appellanten] ter toelichting op haar grief aangevoerd dat het niet aannemelijk is [de maatschap] 9,5 uur heeft besteed aan loonadministratie/loonkosten, nu er slechts sprake is van één medewerker.

15. [de maatschap] heeft er bij memorie van antwoord sub 56 op gewezen dat het hier werkzaamheden betreft die zijn uitgevoerd in de periode augustus 2005 en april 2007, zodat het per saldo gaat om een tijdsbesteding van circa 3 uur op jaarbasis. Een dergelijke tijdsbesteding is naar het oordeel van het hof gezien het aantal werknemers - volgens de eigen opgave van [appellanten] bij akte tot 2005 twee en in 2006 één werknemer naast de beide vennoten - niet ongebruikelijk of onredelijk te noemen, laat staan bovenmatig.

16. Ook in zoverre faalt de grief.

17. In de derde plaats heeft [appellanten] er in haar toelichting op de grief op gewezen dat er op 30 juni 2005 vijf uren in rekening zijn gebracht wegens 'begeleiding bedrijf' en op 27 september 2005 zes uren wegens 'overleg'. Dergelijke lange besprekingen hebben volgens [appellanten] nimmer plaatsgevonden.

18. [de maatschap] reeds tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg - en opnieuw bij memorie van antwoord in hoger beroep - uiteengezet dat beide posten zien op 'advisering/begeleiding bedrijf' en dat de post 'overleg' van 27 september 2005 niet alleen zag op een bespreking met [appellanten] maar tevens op werkzaamheden door de heer [Q] in verband met de doorstart van het bedrijf, te weten het doen van een financieringsaanvraag en het opstellen van een liquiditeitsprognose.

19. [appellanten] heeft bevestigd (akte in hoger beroep, randnummer 3) dat [de maatschap] haar heeft geholpen met het verkrijgen van aanvullende financiering en met het verkrijgen van een ontslagvergunning voor twee werkneemster.

Voorts heeft zij bevestigd dat er in verband met de financieringsaanvraag niet alleen een bespreking met haar is geweest, maar tevens besprekingen met de Friesland Bank en de Rabobank. Verder heeft zij niet betwist dat [de maatschap] in dat kader tevens gesprekken heeft gevoerd met de Belastingdienst en diverse potentiële financiers en dat er intern overleg is geweest bij [de maatschap].

Het hof is van oordeel dat het terzake door [de maatschap] onder de noemer 'advisering/begeleiding bedrijf' en 'overleg' in rekening is gebracht aantal uren in redelijke verhouding staat tot de in deze rechtsoverweging genoemde werkzaamheden, waarvan vaststaat dat ze door [de maatschap] zijn verricht.

20. Ook in zoverre faalt de grief.

21. [appellanten] heeft bij haar akte in hoger beroep - voor het eerst - aangevoerd dat [de maatschap] buiten de opdracht is getreden doordat zij werkzaamheden zou hebben verricht waarvoor [appellanten] geen opdracht heeft gegeven.

Aldus heeft [appellanten] een nieuwe grief opgeworpen, waarvoor in dat stadium van de procedure evenwel geen plaats meer is. De in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel brengt immers mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd (HR 20 juni 2008 LJN BC4959 en HR 13 november 2009 LJN BJ 7827). [de maatschap] heeft ook bezwaar gemaakt tegen het opwerpen van nieuwe grieven bij akte. Het hof gaat daaraan dan ook voorbij.

22. Voorts heeft [appellanten] bij akte onder 6 nog betoogd dat de boekhouding in 2006 door [Z] is verzorgd zodat het vreemd is dat [de maatschap] daarvoor kosten in rekening brengt. Dat reeds in eerste aanleg gevoerde verweer is door de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 van haar vonnis verworpen. Tegen dat oordeel heeft [appellanten] bij memorie van grieven geen grief opgeworpen. Voor zover zij dat alsnog bij akte heeft beoogd te doen, is dat tardief.

23. Hetzelfde geldt voor hetgeen [appellanten] in haar akte sub 13 heeft gesteld. Voor zover het hof daarin een grief zou moeten lezen tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.5 van haar vonnis, inhoudende dat [de maatschap] in de branche gebruikelijke tarieven heeft gehanteerd die als redelijk moeten worden beschouwd, is ook die grief te laat voorgedragen.

Slotsom

24. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellanten] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Deze kosten worden wat het geliquideerde salaris voor de advocaat betreft aan de zijde van [de maatschap] tot aan deze uitspraak begroot op 1,5 punt tarief II.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 19 mei 2010 waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander bevrijd zal zijn, in de proceskosten van dit hoger beroep en begroot deze voor zover gevallen aan de zijde van [de maatschap] tot aan deze uitspraak op € 1.341,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en op € 445,-- aan verschotten;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. M.M.A. Wind, voorzitter, G. van Rijssen en I. Tubben, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 29 november 2011 in bijzijn van de griffier.