Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU5450

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
24-000383-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:944, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het ten laste gelegde (zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een paard pijn veroorzaken dan wel de gezondheid benadelen), nu niet op basis van de van grote afstand gedane waarnemingen van getuigen kan worden vastgesteld dat het paard (nodeloos) werd geslagen en niet uit de bewijsmiddelen is gebleken dat de slechte conditie van het paard het rechtstreeks gevolg is van de handelingen die aan verdachte werden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000383-10

Uitspraak d.d.: 18 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 28 januari 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 februari 2011, 4 november 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, inhoudende een veroordeling ter zake van het ten laste gelegde tot een voorwaardelijke geldboete van € 660,-. Ten aanzien van de in beslag genomen goederen vordert de advocaat-generaal - in afwijking van de beslissing in eerste aanleg - dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. G. van den Brink, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op een of meer tijdstippen in de maand mei 2009, te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een paard pijn of letsel heeft veroorzaakt, danwel de gezondheid van het paard heeft benadeeld, door dit paard arbeid te doen verrichten, welke zijn fysieke grens te boven ging en/of het paard telkens nodeloos met een zweep te slaan en/of het paard te blinddoeken en/of het paard op een plaats te laten staan zonder de mogelijkheid te rusten en er geen zorg voor dragen dat de box waarin het paard verbleef was voorzien van een bodembedekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof overweegt ten aanzien van het hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd als volgt.

Er zijn door omwonenden waarnemingen gedaan omtrent slaande bewegingen met een zweep, die verdachte maakte in de richting van het paard. Door de grote afstand vanwaar deze waarnemingen zijn gedaan kan naar het oordeel van het hof niet op basis van deze waarnemingen worden bewezen dat het paard daadwerkelijk met de zweep werd geraakt, laat staan dat bewezen kan worden dat het paard op die momenten nodeloos werd geslagen. Het hof wordt in dit oordeel gesterkt doordat noch de verbalisanten noch de dierenarts verwondingen op het lichaam van het paard hebben waargenomen die tengevolge van het slaan met een zweep zouden kunnen zijn ontstaan. Hetgeen hierover is overwogen geldt evenzeer met betrekking tot het tegen het hoofd slaan van het paard en het blinddoeken van het paard.

Wel hebben de verbalisanten en de dierenarts waargenomen dat het paard in een slechte conditie verkeerde. De dierenarts heeft in een diergeneeskundige verklaring d.d. 5 juni 2009 opgetekend dat het paard te mager was, boos en argwanend overkwam en last had van dampigheid, een chronische longziekte bij paarden. Naar het oordeel van het hof volgt echter niet uit de bewijsmiddelen dat deze slechte conditie het rechtstreeks gevolg was van de handelingen die aan verdachte worden verweten. Dit mede gelet op de verklaring die de dierenarts op 5 juli 2011 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.

Het voorgaande maakt dat het hof niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Derhalve zal verdachte worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

Onttrekking aan het verkeer

De hierna te noemen in beslag genomen voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan verdachte verdacht werd aangetroffen. De voorwerpen behoren aan verdachte toe en zullen worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze voorwerpen niet meer in hun normale toestand zijn, maar zodanig zijn aangepast dat het ongecontroleerde bezit ervan de gezondheid van dieren kan bedreigen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van de inbeslagname.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een rijzweep, itemnummer 6556;

- een longeerzweep, itemnummer 6558;

- een longeerzweep, itemnummer 6560.

Aldus gewezen door

mr. E. de Witt, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van S. van Krugten, griffier,

en op 18 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.