Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU5305

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
200.068.370-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te laat afnemen van een woning. Uitleg koopovereenkomst. Toerekenbaarheid. Matigingboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 22 november 2011

Zaaknummer 200.068.370/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. B.P. van der Togt, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

advocaat: mr. T.H.I.M. Pierik, kantoorhoudende te Zwolle.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 16 maart 2010 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 4 juni 2010 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 15 juni 2010.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 16 maar 2010 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen onder zaak/rolnummer 246229 / CV EXPL 09-73 tussen partijen gewezen, vernietigt en, opnieuw recht doende, zulks met aanvulling en/of verbetering van de gronden, de vorderingen van appelanten (na vermeerdering van eis) alsnog toewijst en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

I geïntimeerden veroordeelt om aan appelanten te betalen een bedrag van € 5.535,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

II geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties en met veroordeling van geïntimeerde tot terugbetaling van de reeds door appelanten voldane proceskoten in eerste instantie van € 500,00 terzake van gemachtigde salaris en € 208,00 terzake van griffierecht."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad kopers niet- ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans de vorderingen van Kopers in alle onderdelen af te wijzen en het op 16 maart 2010 door de rechtbank Assen, sector kanton, gewezen vonnis onder rolnummer 246229 / CV EXPL 09-73, zo nodig onder verbetering van gronden, in alle onderdelen te bekrachtigen, met veroordeling van kopers in de kosten van het geding in beide instanties."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis een aantal in deze zaak vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Aangevuld met enkele andere vaststaande feiten, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1. [appellanten] hebben, als kopers, met [geïntimeerde] en haar toenmalige echtgenoot [naam], als verkopers, een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een woning aan [adres] (hierna: de woning).

1.2. In artikel 1 van de koopovereenkomst is bepaald dat de voor de overdracht van de onroerende zaak vereiste akte van levering zal worden gepasseerd op 14 maart 2008, of zoveel eerder of later als partijen nader overeenkomen.

1.3. Op 14 maart 2008 is het transport niet doorgegaan, omdat nog geen royement was verleend met betrekking tot een restschuld uit hoofde van een hypothecaire lening tussen enerzijds [toenmalige echtgenoot] en [geïntimeerde] en anderzijds DSB Bank.

1.4. In het koopcontract is in artikel 12, lid 1 het volgende bepaald:

“Indien een van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van een of meer van haar uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige deze overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige”.

1.5. In lid 3 van het artikel is bepaald:

“Indien de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht de overeenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in 12.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijke opeisbare boete verschuldigd zijn van drie promille van de koopprijs, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van het verhaal”.

1.6. In artikel 15b wordt bepaald:

"Alle partijen zijn hoofdelijk verbonden voor de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen".

1.7. Bij schrijven van 14 maart 2008 hebben [appellanten] aan [geïntimeerde] en [toenmalige echtgenoot] onder meer het volgende geschreven:

“Verder wijzen wij u erop dat, mocht u na 8 dagen nog steeds in gebreke blijven, artikel 12.3 van toepassing gaat worden.

Mocht u niet binnen de gestelde termijn, zoals omschreven in de koopovereenkomst voldoen, dan stellen wij u reeds nu voor alsdan in gebreke. U bent dan in verzuim en in dat geval behouden wij ons alle rechten voor om zonder nadere aankondiging over te gaan tot het laten treffen van de ons ten dienste staande maatregelen.”

1.8. De overdracht van de woning heeft plaats gehad op 28 maart 2008.

De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellanten] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de kantonrechter te Assen en betaling gevorderd van € 5.000,-, vermeerderd met rente en kosten. Zij hebben daartoe gesteld dat [geïntimeerde] de contractuele boete als bedoeld in artikel 12.3 van de koopovereenkomst heeft verbeurd. In verband met de competentiegrens van de kantonrechter hebben [appellanten] hun vordering in hoofdsom beperkt tot € 5.000,-. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en toestemming gevraagd en verkregen om [toenmalige echtgenoot] in vrijwaring op te roepen. De kantonrechter heeft in de hoofdzaak bij het bestreden vonnis van 16 maart 2010 de vordering afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten. Daartegen keert zich het onderhavige appel, waarbij [appellanten] hun eis in hoofdsom hebben vermeerderd tot € 5.535,-. In de vrijwaringszaak is de vordering eveneens afgewezen en ook daarvan is bij dit hof hoger beroep ingesteld (200.080.895/01). In die zaak wordt eveneens heden uitspraak gedaan.

De vermeerdering van eis

3. Nu tegen de eisvermeerdering geen bezwaar is aangevoerd en het hof deze ook ambtshalve niet in strijd acht met de beginselen van een goede procesorde, zal recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

De bespreking van de grieven

4. De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven aan artikel 12 van het koopcontract, in het bijzonder ten aanzien van de dag waarop de nalatige partij ex artikel 12.3 de boete van 3 promille van de koopsom per dag begint te verbeuren.

Grief 3 is gericht tegen het op die uitleg gebaseerde oordeel van de kantonrechter dat de vordering moet worden afgewezen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5. De kantonrechter heeft overwogen (in de woorden van het hof) dat volgens de redactie van artikel 12.1 de termijn van acht dagen aanvangt nadat de nalatige partij in gebreke is gesteld. Vervolgens stelt de kantonrechter vast dat [geïntimeerde] bij brief van 14 maart 2008 door [appellanten] in gebreke is gesteld, waarbij haar een termijn van acht dagen is gesteld om alsnog na te komen.

Na afloop van die termijn, op 22 maart 2008, is de achtdagen termijn van artikel 12.1 en 12.3 ingegaan en deze eindigde dus op 30 maart 2008. De boete kan pas op zijn vroegst vanaf die datum worden verbeurd. Waar echter de overdracht reeds plaatsvond op 28 maart 2008, is in casu geen boete verbeurd, aldus de redenering van de kantonrechter.

6. Het hof stelt voorop dat partijen tot dan toe in het debat ervan uit waren gegaan dat de boete vanaf 22 maart tot 28 maart 2008 was verbeurd (derhalve over zes dagen). Het verweer van [geïntimeerde] hield “slechts” in dat het verbeurd raken van de boete haar niet kan worden toegerekend en, subsidiair, dat de boete moet worden gematigd. Weliswaar mag de rechter een uitleg volgen die door geen der partijen is bepleit, doch alleen wanneer die uitleg in geschil is en behoort tot de rechtsstrijd tussen partijen. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] de uitleg van de kantonrechter omarmd en tot de hare gemaakt. [appellanten] stellen daar een andere uitleg tegenover. Zij stellen zich op het standpunt dat artikel 12 zo moet worden begrepen dat de termijn van de ingebrekestelling in ieder geval acht dagen moet zijn. Na ommekomst van die termijn verbeurt de nalatige de boete. Daarmee behoort het debat over de uitleg alsnog tot de rechtsstrijd tussen partijen.

7. Voor wat betreft de uitleg van een schriftelijke overeenkomst dient de Haviltex-norm (HR 13 maart 1981; NJ 1981, 635) als uitgangspunt. Volgens die norm komt het bij de uitleg van een contractsbeding in de regel niet aan op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval. De kenbare bedoelingen van partijen zijn bij de uitleg van groot belang. Dit neemt niet weg dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die de bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang is.

8. De relevante bewoordingen van artikel 12, lid 1 en lid 3 van de overeenkomst luiden als volgt:

“Indien een van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van een of meer van haar uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige deze overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden (…). Indien de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht de overeenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in 12.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijke opeisbare boete verschuldigd zijn van drie promille van de koopprijs, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van het verhaal”.

Met [appellanten] is het hof van oordeel dat de onmiskenbare strekking van deze bewoordingen is dat de nalatige partij, vooraleer hij kan ontbinden of aanspraak kan maken op de boete van lid 3, de nalatige eerst een termijn van (in ieder geval) acht dagen dient te stellen om alsnog na te komen (de ingebrekestelling). Deze uitleg sluit ook aan bij het doel en de strekking die een ingebrekestelling in het algemeen heeft: de nalatige een redelijke termijn stellen waarbinnen hij alsnog kan nakomen, bij gebreke waarvan hij in verzuim raakt. Deze uitleg ligt klaarblijkelijk ook zo voor de hand dat [geïntimeerde] in eerste aanleg niet heeft verdedigd dat die anders moet luiden. De door de kantonrechter gekozen en door [geïntimeerde] in appel omarmde uitleg leidt tot het ongerijmde resultaat dat een nalatige die reeds in gebreke is nog een extra “straffeloze” periode toekomt van acht dagen waarin hij geen boete verbeurt en de wederpartij niet mag ontbinden.

9. Feiten en omstandigheden die niettemin nopen tot de door [geïntimeerde] in hoger beroep verdedigde uitleg zijn gesteld noch gebleken. Het feit dat [appellanten] in hun ingebrekestelling hebben geschreven: "Verder wijzen wij u erop dat, mocht u na 8 dagen nog steeds in gebreke blijven, artikel 12.3 van toepassing gaat worden" acht het hof daartoe onvoldoende.

10. De grieven slagen. De devolutieve werking van het appel brengt mee dat het hof zich thans zal buigen over de in eerste aanleg niet behandelde verweren van [geïntimeerde].

11. [geïntimeerde] heeft als eerste verweer aangevoerd dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

12. Ingevolge artikel 6:92 lid 3 BW kan de schuldeiser geen nakoming vorderen van een boetebeding indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Partijen kunnen anders overeenkomen, maar door [appellanten] is niet aangevoerd dat zulks hier het geval is, zodat het hof ervan uitgaat dat niet van de wet is afgeweken. [geïntimeerde] en [toenmalige echtgenoot] zijn hoofdelijk verbonden tot nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen (artikel 15 sub b van de koopovereenkomst).

13. In casu staat tussen partijen vast dat [geïntimeerde] op de overeengekomen transportdatum 14 maart 2008 niet heeft meegewerkt aan het transport van de woning en dat zij ook na ingebrekestelling tegen 22 maart 2008 hiermee in verzuim is gebleven. Haar betoog waarom dit tekortschieten haar niet kan worden toegerekend komt erop neer dat (i) de DSB Bank plotseling niet bleek te willen meewerken aan royement van de hypothecaire geldlening die [geïntimeerde] en [toenmalige echtgenoot] met betrekking tot de woning bij deze bank hadden afgesloten, (ii) dat [geïntimeerde] niet bekend was met deze restschuld en niet wist dat de lening bij de DSB Bank een hypothecaire lening was, (iii) dat [toenmalige echtgenoot] als enige het contact met de kopers, de notaris en de DSB Bank onderhield en (iv) dat het zijn schuld is dat DSB bank niet tijdig royement heeft verleend. Dit betoog kan, indien de gestelde feiten al juist zijn, [geïntimeerde] niet baten. Zij heeft zich alsdan immers zelf in de positie gebracht van onwetendheid en afhankelijkheid van [toenmalige echtgenoot]. In haar relatie tot [appellanten] zijn dat omstandigheden die op grond van de verkeersopvattingen voor haar risico behoren te blijven. Overigens stelt [geïntimeerde] dat zij op 17 maart 2008 contact heeft opgenomen met haar raadsman, dat deze contact heeft opgenomen met DSB Bank en dat hij DSB Bank bij brief van 19 maart 2008 aansprakelijk heeft gesteld. Hieruit volgt dat [geïntimeerde] nog voor de dag waartegen zij in gebreke was gesteld (22 maart 2008) werd bijgestaan door een raadsman. Gesteld noch gebleken is dat hij contact gezocht heeft met [appellanten] om te trachten enig nader uitstel voor het transport te verkrijgen. Deze omstandigheden dragen alleen maar bij aan de conclusie dat de tekortkoming aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend.

14. [geïntimeerde] heeft als tweede verweer een beroep gedaan op matiging van de boete. Naast een beroep op de hiervoor gememoreerde omstandigheden, heeft zij in dat verband aangevoerd dat zij een inkomen heeft op ongeveer bijstandsniveau en dat [appellanten] geen schade hebben geleden. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

15. De in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, LJN AZ6638).

16. Het gaat hier om een verkoopovereenkomst tussen particulieren inzake een woning. Van algemene bekendheid is dat een boetebeding als het onderhavige gebruikelijk is in dit soort koopovereenkomsten. Het onderhavige beding strekt er zowel toe de nalatige partij aan te sporen alsnog haar verplichtingen na te komen, als de door de niet nakoming geleden schade te fixeren. Dit laatste volgt uit het feit dat in artikel 12.3 van de overeenkomst is opgenomen dat de wederpartij naast de boete onverminderd aanspraak kan maken op aanvullende schadevergoeding. Naar het oordeel van het hof overheerst hier evenwel het element van aansporing. De omstandigheden ten gevolge waarvan [geïntimeerde] niet tijdig is nagekomen duiden niet op (kwade) opzet maar eerder op nalatigheid. Onweersproken staat vast dat [geïntimeerde] alleenstaande ouder is en een inkomen heeft rond bijstandsniveau. Voldoende aannemelijk is dat [appellanten] enige schade hebben geleden, zij het dat zij geen concreet bedrag hebben genoemd. Het boetebeding strekt er evenwel mede toe iedere discussie daarover te vermijden.

17. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat slechts enige matiging op zijn plaats is en wel tot een bedrag van € 4.000,-. In zoverre is de vordering toewijsbaar. Tegen de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding (18 december 2008) is geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat deze toewijsbaar is.

De slotsom

18. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vordering van [appellanten] zal alsnog worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2008 tot aan de voldoening. [geïntimeerde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van beide instanties (in eerste aanleg € 500,- aan salaris gemachtigde en in hoger beroep 1 punt in tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 16 maart 2010 van de rechtbank Assen

en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2008 tot aan de voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, tot heden aan de zijde van [appellanten] begroot op

in eerste aanleg: € 91,99,- aan verschotten en € 500,- voor salaris gemachtigde;

in hoger beroep € 355,52,- aan verschotten en € 632,- aan salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van de door [appellanten] aan haar betaalde proceskostenveroordeling in eerste instantie van € 500,-;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, M.M.A. Wind en I. Tubben, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 22 november 2011 in bijzijn van de griffier.