Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU5295

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
24-003037-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straffen en de motivering daarvan.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan belastingfraude door het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting. In eerste aanleg is de redelijke termijn overschreden. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn is aan verdachte een werkstraf van 150 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-003037-09

Uitspraak d.d.: 21 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 13 november 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1960],

wonende te [woonplaats], [adres]-3.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 november 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, [advocaat], naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straffen en de motivering daarvan.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan belastingfraude door het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting.

De goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting staat of valt bij de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangifte. Indien de aangifte niet strookt met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 20 oktober 2011 is het hof gebleken dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke en andere strafbare feiten.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof op 7 november 2011 naar voren gebracht dat zij onder behandeling is bij een psychiater wegens depressieve klachten, dat zij zorgen heeft om haar verslaafde zoon en dat zij een bijstandsuitkering krijgt.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden in combinatie met een werkstraf van 160 uren voor verdachte passende sancties zijn voor de aan haar ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten. Het voorwaardelijk strafdeel strekt er mede toe om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken.

Het hof zal deze straf echter matigen, nu bij de berechting van de zaak in eerste aanleg de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is overschreden.

Als uitgangspunt geldt dat de procedure in eerste aanleg binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, dient te zijn afgerond met een vonnis. Verdachte is op 13 juni 2007 aangehouden en in verzekering gesteld. Het vonnis van de rechtbank Groningen is uitgesproken op 13 november 2009. Er is in de procedure in eerste aanleg derhalve sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van vijf maanden. Dit in aanmerking nemende zal het hof de duur van de op te leggen werkstraf met 10 uur verminderen, zodat de uiteindelijk op te leggen werkstraf 150 in plaats van 160 uren bedraagt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 63 van de Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. G. Dam, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 21 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.