Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU5294

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
200.090.670-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling. Verdenking seksueel misbruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 22 november 2011

Zaaknummer 200.090.670/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. H.J.K. Wulp, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

advocaat: mr. J. van Dijk, kantoorhoudende te Winschoten.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 22 september 2011 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Op 27 oktober 2011 heeft een comparitie van partijen plaatsgehad. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. [appellant] heeft ter comparitie de volgende stukken overgelegd:

- kopie brief Lentis van 27 september 2011;

- een ongedateerde brief aan de rechtbank van [schoonzus van appellant];

- verslag van [appellant] over de omgangsmomenten die hebben plaatsgevonden sinds

het vonnis van de voorzieningenrechter.

Vervolgens heeft [appellant] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. In voornoemd tussenarrest heeft het hof in rechtsoverweging 12 onder meer overwogen dat het nader geïnformeerd wilde worden over de gang van zaken met betrekking tot het onderzoek bij Lentis, de inhoud van de aangifte, de voortgang van het politieonderzoek en de reactie van [appellant] op het verslag van de huisarts en Lentis.

2. Met betrekking tot het onderzoek door Lentis heeft [appellant] een brief overgelegd van Lentis d.d. 27 september 2011. Uit de brief blijkt, zakelijk weergegeven, dat [appellant] de beschuldigingen met betrekking tot het seksueel misbruik verwerpt en zijn toestemming geeft en volledige medewerking wil verlenen aan hulpverlening aan [kind] als dit door Lentis nodig zou worden geacht. Lentis geeft in de brief voorts aan dat er geen intake heeft plaatsgevonden met betrekking tot [kind], mede omdat zij zich goed zou ontwikkelen. Er zijn wel enige adviezen gegeven aan [geïntimeerde], over hoe [kind] te benaderen, aldus Lentis.

3. [appellant] heeft naar aanleiding van de overgelegde uitdraai uit het elektronisch dossier van de huisarts d.d. 8 juni 2011 verklaard dat hij zich op geen enkele wijze schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen ten aanzien van [kind] en dat hij de opmerkingen ook niet kan plaatsen. Daarnaast heeft hij verklaard dat [kind] als ze bij hem verblijft niet in aanraking komt met derden die zich hieraan schuldig (kunnen) maken. Naar zijn mening ontwikkelt [kind] zich goed en hebben [kind] en hij een goede band. Het is van belang dat [geïntimeerde] weer vertrouwen krijgt in de omgang, maar er is geen reden om de door de voorzieningenrechter getroffen beperking van de omgangsregeling te handhaven, aldus [appellant].

4. Ter zake van de aangifte bij de politie heeft [geïntimeerde] ter comparitie verklaard dat zij op 6 juli 2011 aangifte heeft gedaan. Zij heeft verklaard dat inmiddels een aantal familieleden zijn gehoord. [geïntimeerde] heeft geen stukken overgelegd met betrekking tot het politieonderzoek. [geïntimeerde] heeft gesteld, dat zij gelet op de uitlatingen van [kind] geen vertrouwen heeft in de omgang van [appellant] met [kind]. Zij heeft ter comparitie verklaard dat [kind] ook bij haar niet in aanraking kan zijn gekomen met ongewenst seksueel gedrag. [geïntimeerde] heeft verder verklaard dat [kind] zich goed ontwikkelt. [geïntimeerde] heeft voorts aangegeven dat zij geen bodemprocedure is gestart om een wijziging van de omgangsregeling te bewerkstelligen.

Het hof overweegt als volgt.

5. Het hof heeft in het tussenarrest overwogen (rechtsoverweging 9.) dat in beginsel een door de rechter vastgestelde omgangsregeling dan wel een door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst behoort te worden nagekomen. Dit laat onverlet dat dit onder zwaarwegende omstandigheden, wanneer het belang van het kind dit eist, anders kan zijn.

6. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat er mogelijk sprake is geweest van seksueel misbruik door [appellant] van [kind]. Zij baseert deze stelling op uitlatingen van haar dochter.

7. Het hof overweegt dat voor de vermoedens van [geïntimeerde] over seksueel misbruik door [appellant] geen aanknopingspunten zijn te vinden in de stukken die zijn overgelegd. Weliswaar heeft [geïntimeerde] een verklaring van de huisarts overgelegd waarin deze belastende uitlatingen van [kind] weergeeft, maar uit deze verklaring, noch uit de overgelegde brieven van Lentis blijkt dat deze de vermoedens van [geïntimeerde] delen. Daarnaast zijn er geen verklaringen van derden, zoals politie of AMK waaruit blijkt van (een vermoeden van) seksueel misbruik door [appellant]. Voorts verklaren [geïntimeerde] en [appellant] dat [kind] een vrolijke kleuter is, die zich goed ontwikkelt.

8. Nu [appellant] de stelling van [geïntimeerde] omtrent seksueel misbruik uitdrukkelijk betwist en [geïntimeerde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitlatingen van [kind] hun oorzaak vinden in seksueel misbruik door [appellant], is het naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan, noch aannemelijk geworden dat [appellant] [kind] seksueel heeft misbruikt.

9. Hetgeen hiervoor is overwogen, betekent echter niet zonder meer dat de beslissing van de voorzieningenrechter volledig vernietigd dient te worden. Het hof is van oordeel dat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis destijds terecht de nodige voorzichtigheid heeft betracht door de omgangsregeling in afwachting van de uitkomst van onderzoek door Lentis naar seksueel misbruik te beperken. Het hof acht het dan ook gerechtvaardigd dat de voorzieningenrechter onder die omstandigheden een - beperkte - omgangsregeling heeft vastgesteld en op de nakoming daarvan een dwangsom heeft gesteld. Het hof zal dan ook het vonnis van de voorzieningenrechter voor het verleden in stand laten. Gelet op het vorenoverwogene is er thans geen reden meer de getroffen voorziening te handhaven. Het hof zal de vordering van [appellant] onder I toewijzen als in het dictum vermeld. In de houding van [geïntimeerde] - haar weerstand tegen de omgang van [appellant] met [kind] - ziet het hof grond om daaraan een dwangsom te verbinden, zij het dat de te verbeuren dwangsommen worden gemaximeerd als in het dictum omschreven.

10. Met betrekking tot het gevorderde onder II is het hof van oordeel dat nu partijen beide het ouderlijk gezag hebben, [geïntimeerde] reeds op die basis is gehouden om [appellant] te consulteren en te informeren met betrekking tot belangrijke aangelegenheden rond [kind], zoals ook in voormelde beschikking van 24 november 2009 van de rechtbank Groningen is vastgelegd, zodat [appellant] bij deze vordering geen zelfstandig belang heeft en deze zal worden afgewezen.

11. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat in eerste aanleg en in hoger beroep iedere partij haar eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt het vonnis in kort geding waarvan beroep met ingang van heden, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot nakoming van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, zoals vastgelegd in de beschikking van de rechtbank Groningen van

24 november 2009 en bepaalt dat [kind] in het eerstvolgende weekend na betekening van dit arrest bij [geïntimeerde] verblijft en de daarop volgende maandag conform de omgangsregeling bij [appellant], waarna de omgangsregeling verder kan worden uitgevoerd, zoals partijen zijn overeengekomen en is vastgelegd in voornoemde beschikking;

bepaalt dat voor iedere keer dat [geïntimeerde] in strijd handelt met het hiervoor bepaalde, aan [appellant] een dwangsom verbeurt van € 250,00, tot een maximum van

€ 5.000,00;

bekrachtigt het vonnis voor zover dat betrekking heeft op de periode tot heden;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen, met dien verstande dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. L. Janse, L. Groefsema en I. Tubben, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag

22 november 2011 in bijzijn van de griffier.