Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU5115

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
200.056.907
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de Tintman als lichtdoorlaatbaarheidsmeter van autoruiten met een folie of coating een betrouwbaar meetmiddel? In afwijking van de Aanwijzing meting lichtdoorlatendheid (registratienummer 2009A025) dient een verbalisant de drie gemeten waarden te noteren op het brondocument.

Wetsverwijzingen
Voertuigreglement 5.1.1, geldigheid: 2011-11-16
Voertuigreglement 5.2.42, geldigheid: 2011-11-16
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2011-11-16
Regeling meetmiddelen politie -, geldigheid: 2011-11-16
Regeling voertuigen 5.2.42, geldigheid: 2011-11-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2012/95

Uitspraak

WAHV 200.056.907

16 november 2011

CJIB 128772682

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 29 december 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

Het tussenarrest

De inhoud van de aangehechte tussenarresten van 30 juli 2010 en 5 november 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge het tussenarrest van 5 november 2010 heeft de advocaat-generaal nadere informatie verstrekt.

De betrokkene heeft een reactie daarop gegeven.

Bij brief van 1 september 2011 heeft de griffier van het hof de betrokkene bericht dat het hof afziet van het houden van een nadere zitting en de betrokkene in de gelegenheid gesteld een kostenverzoek in te dienen. Van die gelegenheid heeft de betrokkene geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

ARTIKEL 5.2.42, EERSTE LID ONDER B, VAN HET VOERTUIGREGLEMENT(VR), RICHTLIJN 92/22/EEG EN ARTIKEL 5.2.42, DERDE LID, REGELING VOERTUIGEN (RV)

1. Aan de betrokkene wordt verweten dat hij op 15 maart 2009 als bestuurder heeft gereden met een Volkswagenbusje waarvan de voorste zijruiten waren voorzien van uitzicht belemmerende voorwerpen, te weten een folie. Het voertuig is op 16 november 1987 in gebruik genomen. Deze gedraging is een overtreding van artikel 5.1.1. onder c in verbinding met artikel 5.2.42 van het per 1 mei 2009 vervallen Voertuigreglement (VR). Genoemde artikelen luidden - voor zover hier van belang -:

Artikel 5.1.1:

"1. Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:

(…)

c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen."

Artikel 5.2.42

"1. De voorruit en de zijruiten van personenauto's mogen:

a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,

b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.

2. (…)

3. Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste lid."

2. De nota van toelichting bij artikel 5.2.42 van het VR houdt onder meer in:

"Toegevoegd is de eis dat ruiten niet mogen zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder beperken. Te denken valt daarbij aan stickers, lichtdoorlaatbaarheid beperkende folies of voor wat betreft de achterruit, jaloezieën die de achterruit dichtmaken. Een en ander zal in lagere regelgeving nader kunnen worden ingevuld."

3. Bij gebrek aan een concrete uitwerking van hetgeen in artikel 5.2.42, eerste lid, onder b, van het VR is verboden, heeft het hof tot nu toe geoordeeld dat het noodzakelijk is dat naar objectieve maatstaven wordt vastgesteld of lichtdoorlaatbaarheidbeperkende folie op autoruiten het uitzicht van bestuurders belemmert en dat de eisen die Richtlijn 92/22/EEG in artikel 9.1.4.1. van de bij die richtlijn behorende bijlage IIA stelt aan de lichtdoorlaatbaarheid van de ruiten van motorvoertuigen (respectievelijk 75% en 70%) daartoe een goed aanknopingspunt vormen, aangezien ook deze beogen te waarborgen dat de bestuurder vanuit het voertuig voldoende zicht heeft (vgl. LJN-nrs. AV5248, AV5253, AV5258 en AX6469, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

4. Dit aanknopingspunt kan ook worden gehanteerd in een geval als het onderhavige waarin het voertuig voor 1 januari 1995 in gebruik is genomen. Anders dan de betrokkene aanvoert, staat de omstandigheid dat de Richtlijn 92/22/EEG bij de toelating van het voertuig tot de weg in 1987 niet op zijn voertuig van toepassing was, daaraan niet in de weg, nu het hof alleen de in die Richtlijn geformuleerde eisen heeft gebezigd als concretisering van de door folie of coating veroorzaakte belemmering van het uitzicht als bedoeld in artikel 5.2.42, eerste lid, onder b, van het voertuigreglement.

5. Op 1 mei 2009 is de Regeling voertuigen (RV) in werking getreden. Artikel 5.2.42, derde lid, RV luidt:

"De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen."

De omstandigheid dat de wet thans een concrete norm voor lichtdoorlatendheid is bepaald, vormt voor het hof aanleiding om aan te sluiten bij dit percentage en niet meer de in Richtlijn 92/22/EEG vermelde (hogere) percentages te hanteren als aanknopingspunt bij de beoordeling van zaken waarin een sanctie is opgelegd voor overtreding van artikel 5.2.42, eerste lid, onder b, VR.

6. De omstandigheid dat zijn van folie voorziene voertuig al vele jaren wordt goedgekeurd tijdens de APK-keuring en de keuring bij twee steekproeven door een controleur van de RDW in stand is gebleven, zoals de betrokkene onderbouwd met een verklaring van zijn garagebedrijf aanvoert, is voor de beoordeling niet van belang. De keuring of de ruiten van een voertuig voldoen aan het bepaalde in artikel 5.2.42, eerste lid, onder b, van het VR betreft een visuele keuring, waarbij van binnen naar buiten wordt gekeken. Anders dan bij het zicht geheel of bijna geheel belemmerende voorwerpen, waarbij meer dan de aard van het voorwerp de plaats waar het is aangebracht bepalend is voor de toelaatbaarheid, gaat het bij folie om de mate waarin het uitzicht wordt belemmerd, waarvoor tot voor kort geen objectieve maatstaven waren geformuleerd.

7. Zou de betrokkene worden gevolgd in zijn stelling dat rekening moet worden gehouden met wat een individuele bestuurder feitelijk waarneemt door een autoruit die is voorzien van folie, dan kan niet op objectieve wijze en op een voor alle voertuigen gelijke, consequente wijze worden vastgesteld of lichtdoorlaatbaarheidbeperkende folie op autoruiten het uitzicht van een bestuurder belemmert. Wat een bestuurder door een dergelijke ruit waarneemt is immers afhankelijk van verschillende omstandigheden, bijvoorbeeld van de lichtomstandigheden buiten een voertuig. Die zijn aan verandering onderhevig als gevolg van weersomstandigheden en aanwezige (kunst)verlichting. Ook het functioneren van het menselijk oog van zowel bestuurder als toezichthouder zouden in dat geval een rol spelen. Het hof gaat daarom voorbij aan die stelling van de betrokkene.

DE BETROUWBAARHEID VAN DE TINTMAN

8. Meting van lichtdoorlaatbaarheid van autoruiten vindt plaats met een Tintman. De Tintman is niet opgenomen in de Regeling meetmiddelen politie en de betrokkene betwist de betrouwbaarheid ervan. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 22 augustus 2000, LJN AA6827, (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl), heeft het hof daarom onderzoek gedaan naar de vraag of dit meetmiddel voldoet aan en is gebruikt met inachtneming van de daaraan uit een oogpunt van betrouwbaarheid te stellen eisen.

9. Voor de Tintman is een typegoedkeuring als lichtdoorlaatbaarheidsmeter aangevraagd. Op 2 november 2009 heeft het NMI een Voorlopige verklaring afgegeven. Dat riep de in het tussenarrest van 5 november 2010 onder 8 vermelde vragen op die ing. P.E. Kok, senior product manager van NMI Certin B.V., in de brief van 29 december 2010 als volgt heeft beantwoord:

- wat houdt een voorlopige verklaring in of wat is de status daarvan;

"NMi kan geen typegoedkeuring afgeven omdat de eisen voor lichtdoorlatendheidsmeters zijn opgenomen in de Voorschriften Meetmiddelen politie. Dit document verkeert als sinds geruime tijd in de conceptfase. Het verschil in een voorlopige verklaring en een certificaat heeft dus uitsluitend te maken met de juridische status van het document waarin de goedkeuringseisen zijn opgenomen. (…)";

- ligt in de voorlopige verklaring een oordeel besloten over de geschiktheid van de Tintman als apparaat om de lichtdoorlaatbaarheid (van autoruiten) te meten;

"Ja, zie antwoord op voorgaande vraag";

- wordt het meetresultaat beïnvloed door kleefstof waarmee folie op een ruit wordt aangebracht;

"De Tintman zal, als de kleefstof invloed op de lichtdoorlatendheid heeft, de juiste lichtdoorlatendheid meten. Als de kleefstof licht zou tegenhouden, zou immers het zicht van de bestuurder afnemen. De Tintman meet dus de lichtdoorlatendheid van de ruit inclusief eventuele folie en kleefstof. Daarbij is rekening gehouden met de (kleur-) gevoeligheid van het menselijk oog";

- welke voorschriften zijn als uitgangspunt genomen voor de typegoedkeuring van de Tintman.

"In het toekomstige hoofdstuk 23 van het concept VMP worden specifieke eisen opgenomen voor lichtdoorlatendheidsmeters. Voorlopig is er in aanvulling op "concept voorschriften meetmiddelen politie versie 2007-12-10" het document "Aanvullend eisen lichtdoorlaatbaarheidssmeters 2007-11-27" gepubliceerd."

Een versie van de concept Regeling voorschriften meetmiddelen politie (CVMP) is door het NMI niet bijgevoegd.

10. De betrokkene heeft naar aanleiding van deze nadere informatie van het NMI en het exemplaar van de CVMP waarover hijzelf beschikte, zijn standpunt gehandhaafd dat de Tintman geen betrouwbaar meetmiddel is. Hij voert daartoe het volgende aan. Uit de informatie van het NMI en de CVMP blijkt niet dat de Tintman voldoet aan de in Richtlijn 92/22/EEG vermelde eisen voor een apparaat dat wordt gebruikt om de lichtdoorlaatbaarheid van autoruiten te meten. Het NMI heeft niet onderzocht op welke wijze lichtdoorlaatbaarheid kan worden gemeten. De gebruikte meetmethode noch enige andere meetmethode is geschikt om lichtdoorlaatbaarheid van autoruiten met folie te meten. Folie voorzien van een opgedampte film wordt met kleefmiddel op de ruit aangebracht. Het geheel heeft daardoor verschillende luchtfilms (aircap) die de lichtbundel zodanig door de materialen verstrooit dat een gedeelte het meetelement niet bereikt. De met een Tintman verrichte vereenvoudigde meting wordt daardoor per definitie onbetrouwbaar. Meting heeft alleen waarde als er geen luchtfilm aanwezig is.

11. Met betrekking tot de vraag of de Tintman voldoet aan de in de Richtlijn vermelde eisen voor een apparaat dat wordt gebruikt om de lichtdoorlaatbaarheid van autoruiten te meten, overweegt het hof het volgende. Zoals onder 3 is overwogen heeft het hof voor invulling van het bepaalde in artikel 5.2.42, eerste lid, onder b, VR aanvankelijk aansluiting gezocht bij de in de Richtlijn onder 9.1.4.1. vermelde percentages lichtdoorlaatbaarheid. Het hof heeft daarbij nimmer de eis gesteld dat een door de politie te gebruiken apparaat voor het meten van de lichtdoorlaatbaarheid dient te voldoen aan de in paragraaf 9.1. van bijlage IIa bij de Richtlijn opgenomen eisen ten aanzien van de te gebruiken lichtbron, het optische systeem en het meettoestel voor de lichtdoorlatingsproef en de daarin beschreven werkwijze tijdens die proef. De enkele omstandigheid dat het NMI in het kader van de typegoedkeuring als meetapparaat voor de politie niet heeft vastgesteld dat de Tintman in zoverre voldoet aan de Richtlijn, rechtvaardigt niet de conclusie dat de Tintman geen betrouwbaar meetmiddel is.

12. Het hof acht het voor de betrouwbaarheid van een door de politie te gebruiken lichtdoorlaatbaarheidsmeter van belang dat het meetapparaat voldoet aan de algemene nauwkeurigheidswaarborgen zoals opgenomen in de algemene hoofdstukken van de CVMP en dat het de lichtdoorlaatbaarheid bepaalt op basis van de kleurgevoeligheid van het gemiddeld functionerende menselijk oog bij daglicht.

13. Het NMI heeft verklaard dat het voor de typegoedkeuring van de Tintman de CVMP als uitgangspunt heeft genomen. Het hof gaat voor wat betreft de aanvullende eisen lichtdoorlaatbaarheidsmeters uit van de in de voorlopige verklaring van het NMI van 2 november 2009 vermelde versie van de CVMP van 17 augustus 2009. Naast algemene bepaling voor keuringen en het gebruik van meetmiddelen en eisen gesteld aan (elektronische) meetmiddelen, zijn in de CVMP voor de diverse door de politie gebruikte meetmiddelen specifieke bepalingen opgenomen. Ten aanzien van lichtdoorlaatbaarheidsmeters is in hoofdstuk 23 van de CVMP onder meer het volgende bepaald:

"23.4.1. Controle-inrichtingen

Lichtdoorlaatbaarheidsmeters moeten zijn voorzien van een controle-inrichting waarmee door de gebruiker een lichtdoorlaatbaarheid van 0% transmittantie en 100% transmittantie kan worden gesimuleerd en waarmee de juiste werking van het instrument kan worden gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd die een invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.

(…)

23.4.4 Lichtdoorlaatbaarheidsmeters moeten van een zodanige constructie zijn dat de plaatsing van de zender en ontvanger eenvoudig mogelijk is en een verwaarloosbare invloed heeft op de gemeten lichtdoorlaatbaarheid.

23.4.5 Lichtdoorlaatbaarheidsmeters moeten van een zodanige constructie zijn dat omgevingslicht een verwaarloosbare invloed heeft op de gemeten lichtdoorlaatbaarheid. (…)

23.4.7 Lichtdoorlaatbaarheidsmeters moeten de lichtdoorlaatbaarheid bepalen uitgaande van de genormeerde spectrale gevoeligheidskromme van het menselijk oog bij daglicht."

14. Gelet op het voorgaande volgt uit de voorlopige typekeuringsverklaring van het NMI dat de Tintman de lichtdoorlaatbaarheid bepaalt uitgaande van de genormeerde spectrale gevoeligheidskromme van het menselijk oog bij daglicht en dat dit apparaat ook overigens voldoet aan alle daaraan volgens de CVMP te stellen eisen. Naar het oordeel van het hof behelzen de CVMP voldoende algemene en specifieke waarborgen om de betrouwbaarheid van een lichtdoorlaatbaarheidsmeter te garanderen. Dat het thans slechts concept regels betreft doet daaraan niet af. De Tintman, mitst getoetst aan de CVMP, kan daarom naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een betrouwbaar meetmiddel. Het hof verwerpt het verweer van de betrokkene dat de Tintman noch enig ander meetmiddel geschikt is om de lichtdoorlaatbaarheid van autoruiten te meten. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven wat het effect van aircap op het meetresultaat is. Gelet op de verantwoordelijkheid van de bestuurder om ervoor te zorgen dat zijn voertuig voldoet aan het bepaalde in artikel 5.2.42, eerste lid, onder b, van het VR, komt dat eventuele gevolg immers voor zijn rekening en risico. Dat bij gebruik van de Tintman een controlemeting door de RDW onmogelijk is, zoals de betrokkene ook aanvoert, kan hem derhalve ook niet baten.

DE IN DEZE ZAAK GEBRUIKTE TINTMAN, DE METING EN DE AAN DE AANKONDIGING VAN BESCHIKKING TE STELLEN EISEN

15. Het NMI heeft op 2 november 2009 een voorlopig typekeuringsverklaring afgegeven. De vermeende gedraging is verricht op 15 maart 2009. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de verbalisant op 15 maart 2009 heeft gemeten met een niet gecertificeerde en niet gekeurde Tintman. Dat staat er niet aan in de weg dat het meetresultaat als bewijsmiddel kan worden gebruikt. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft dhr. B. Haneveld (en niet zoals in het arrest van 5 november 2010 op pag. 8 is vermeld B. Langeveld) ter zitting van het hof op 22 oktober 2010 uitgelegd dat elke Tintman alvorens daarvoor een keuringscertificaat kan worden afgegeven en deze van een keuringszegel kan worden voorzien, twee aanpassingen moet ondergaan. Deze aanpassingen betreffen de wijze waarop het apparaat vóór gebruik op juiste werking gecontroleerd moet worden (niet meer met behulp van een referentieglas, maar met behulp van een schijf voor een 0% en een 100% meting) en de wijze waarop het apparaat het meetresultaat weergeeft (geen cijfer achter de komma, zoals tot dan toe). Dit komt overeen met het verschil in de gebruiksaanwijzing Tintman van maart 2007, waar bij de voorbereiding onder 5 over een referentieglas wordt gesproken en onder 3 en 7 over marges wordt gesproken van 0,3 en 1,5, en de gebruiksaanwijzing Tintman 2009, waarin niet meer over het referentieglas wordt gesproken maar over een 0% schijf en waarin geen waarden of marges met decimalen achter de komma staan. Het hof leidt daaruit af dat de aanpassingen aan de Tintman kennelijk niet de wijze waarop het apparaat meet, raakten. Ook hanteerde het openbaar ministerie tot aan de inwerkingtreding van de Aanwijzing meting lichtdoorlatendheid als beleid dat slechts een sanctie mocht worden opgelegd indien minder dan 50% lichtdoorlaatbaarheid werd gemeten. Er bestaat geen aanleiding om te vermoeden dat dit gebeurde omdat vast zou staan dat de foutmarge zo groot was, zoals de betrokkene stelt. De reden is gelegen in de omstandigheid dat ervaring de politie leerde dat als door autoruiten niet naar binnen kan worden gekeken, de gemeten lichtdoorlaatbaarheid beduidend minder dan 50% bedroeg en omdat informatie over mogelijke meetfouten ontbrak.

16. Nu over zijruiten niet wordt gesproken in de Regeling permanente eisen, kan aan de betrokkene worden toegegeven dat het door de verbalisant vermelde artikel 2.9.6. van de Regeling permanente eisen als basis voor de door hem verrichte meting in zoverre niet rechtstreeks van toepassing is. Die basis moet voor de zijruiten worden gevonden in de

jurisprudentie van het hof en niet, zoals de advocaat-generaal stelt, in analoge toepassing van genoemd artikel voor zijruiten.

17. De verbalisant heeft verklaard, zoals in het tussenarrest van 30 juli 2010 onder 5 is overwogen, dat op de voorste zijruiten van het voertuig van de betrokkene folie was aangebracht en dat de waarde van de lichttransmissie bij meting daarvan met een op de door de fabrikant voorgeschreven wijze gekalibreerde Tintman niet hoger was dan 16%.

18. De betrokkene betwist dat de meting correct is uitgevoerd. Hij heeft, onderbouwd met een getuigenverklaring van [getuige 1 en 2], aangevoerd dat de verbalisant geen waarneming vanaf de bestuurdersplaats heeft gedaan en dat er slechts op één plaats op de ruit van het linker portier is gemeten terwijl die ruit voor de meting niet, zoals voorgeschreven, is schoongemaakt. De betrokkene voert ook aan dat de verbalisant bij het kalibreren van de Tintman geen gebruik heeft gemaakt van de bij het apparaat geleverde referentieglazen of de open afstandsring en dat hij geen nulmeting heeft verricht.

19. Voor de verklaring van de verbalisant dat hij "zag dat vanaf de bestuurdersplaats het zicht door deze ruiten naar buiten ook beduidend minder was dan het zicht dat bij soortgelijke voertuigen gebruikelijk is" (zie tussenarrest 30 juli 2010 onder 5), is niet vereist, zoals de betrokkene veronderstelt, dat de verbalisant plaats neemt op de bestuurdersplaats. Wie staand tussen een auto en het geopende portier daarvan door de ruiten naar buiten kijkt, kan ook waarnemen dat het zicht door ruiten zeer waarschijnlijk belemmerd wordt.

20. Het hof ziet in de verklaring van de betrokkene dat het gebruikte apparaat niet op juiste wijze gekalibreerd zou zijn, geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant (zie tussenarrest 30 juli 2010 onder 5) dat het apparaat voor de test op de door de fabrikant voorgeschreven wijze is gekalibreerd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het kalibreren een voorbereidingshandeling is die inhoudt dat de gewenste weergave wordt ingesteld en niet, zoals de betrokkene in zijn reactie op het verweerschrift van 29 maart 2010 en ter zitting van het hof op 16 juli 2010 heeft gesteld, een door de fabrikant eenmaal per jaar uit te voeren handeling.

21. Het hof heeft de verbalisant niet als getuige ter zitting kunnen horen. In een aanvullend proces-verbaal d.d. 17 oktober 2010 heeft de verbalisant - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard. Hij heeft in ieder geval bij één ruit op drie verschillende plaatsen metingen verricht, zoals vermeld op de aankondiging van beschikking. Als er op de zijruiten duidelijke lichte plekken of ernstige verkleuringen aanwezig waren geweest, die tot andere meetwaarden hadden kunnen leiden, zou hij dat zeker op de aankondiging van beschikking hebben vermeld.

De aankondiging van beschikking, waarnaar hij verwijst, ontbreekt bij de stukken.

22. Ten tijde van de vermeende gedraging, op 15 maart 2009, was de Aanwijzing meting lichtdoorlatendheid (Aanwijzing) nog niet in werking getreden. Werken met de Tintman gebeurde op basis van de door de fabrikant verstrekte Gebruiksaanwijzing Tintman uit maart 2007. Ten aanzien van het meten is daarin opgenomen "zorg dat het te meten oppervlak schoon en droog is" en "we adviseren om op drie verschillende plaatsen op de ruit te meten en de gemiddelde waarde te gebruiken."

In de Aanwijzing is onder "Wijze van meten" bepaald dat om een objectief meetresultaat te verkrijgen, de te meten ruit op drie verschillende plaatsen moet worden gemeten en dat de gemiddelde waarde wordt gecorrigeerd met de vaste correctie van 5% transmittantie. Onder "Eisen aankondiging van beschikking" is het volgende opgenomen:

"(…). Op de aankondiging van beschikking worden de ruiten vermeld die niet aan de eisen voldoen. Per ruit wordt de gemiddelde gemeten waarde en de gemiddelde gecorrigeerde lichtdoorlatendheidswaarde genoteerd. Deze gegevens worden eveneens ingevoerd in de Transactiemodule, zodat deze bij beroepszaken op het zaakoverzicht ten behoeve van de CVOM worden vermeld."

Het hof acht het, anders dan het openbaar ministerie, in verband met controle op de wijze waarop een meting is uitgevoerd, of de gemiddelde waarde correct is berekend en de correctie van 5% juist is toegepast, van belang dat een verbalisant alle drie de door hem gemeten waarden op het brondocument vermeldt.

23. Nu de betrokkene de gehele procedure consistent, vasthoudend en onderbouwd met getuigenverklaringen heeft aangevoerd dat de ruit voorafgaand aan de meting niet is schoongemaakt en slechts op één punt een meting is verricht, is bij het hof gerede twijfel ontstaan of kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het door de verbalisant opgemaakte aanvullend proces-verbaal heeft die twijfel niet kunnen wegnemen. Uit zijn verklaring blijkt dat de verbalisant de ruit voorafgaand aan de meting niet heeft schoongemaakt, terwijl dat in die periode nog wel was voorgeschreven. Ook blijkt uit zijn verklaring niet op welke plaatsen hij de ruit heeft gemeten en welke waarden hij heeft gemeten. De aankondiging van beschikking waar hij naar verwijst ontbreekt. Anders dan de advocaat-generaal is het hof daarom van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen.

24. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof geen aanleiding voor het houden van een nadere zitting, zoals aangekondigd in het arrest van 5 november 2010, en ziet het hof daarvan af.

25. Het hiervoor overwogene brengt mee dat de proceskosten van de betrokkene voor vergoeding in aanmerking komen. De betrokkene heeft na daartoe schriftelijk in de gelegenheid te zijn gesteld geen kostenverzoek ingediend. Desgevraagd heeft hij de griffier van het hof telefonisch meegedeeld dat hij geen aanspraak maakt op vergoeding van kosten.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 13 juli 2009, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 128772682 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 90,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

Dit arrest is gewezen door mrs. Sekeris, Dijkstra en Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.