Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU4940

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
kl 11-0251
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Hof wijst klacht tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie (OM) om niet tot strafrechtelijke vervolging over te gaan van de vereniging Martijn en haar bestuurders en/of feitelijk leidinggevenden af.

Voor zover de gemachtigde eveneens als klager optreedt wordt hij niet-ontvankelijk verklaard nu hij niet als belanghebbende in de zin van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) kan worden aangemerkt.

Ook klagers worden op een aantal onderdelen van hun klacht niet als belanghebbende aangemerkt en niet-ontvankelijk verklaard. Wat klagers in dat opzicht verlangen gaat het kader van artikel 12 Sv te buiten. Of en in welke omvang het recht tot strafvervolging moet worden uitgeoefend staat in zoverre ter beoordeling van het Openbaar Ministerie en de voor dat beleid verantwoordelijke Minister van Veiligheid en Justitie.

Vervolging van beklaagden wordt gevraagd ter zake van uitlokking van en/of medeplichtigheid aan het seksueel misbruik van hun dochter door een daarvoor strafrechtelijk vervolgde verdachte. Voor uitlokking in de zin van artikel 47 Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake wanneer beklaagden, door gebruikmaking van een met name genoemd uitlokkingsmiddel, opzettelijk hebben aangezet tot het begaan van het seksueel misdrijf van hun dochter. Om van medeplichtigheid te kunnen spreken zal bewijsbaar moeten zijn dat beklaagden de verdachte van het seksueel misbruik van de dochter van klagers opzettelijk inlichtingen hebben verschaft terwijl zij wisten dan wel bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hij met de informatie werd geholpen bij het plegen van dit specifieke feit.

Het hof komt tot het oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor een succesvolle vervolging op deze onderdelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/81

Uitspraak

Klachtnummer 11/0251

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking d.d. 21 november 2011 inzake de klacht van:

[klager 1], gemachtigde,

[klager 2]

en

[klager3],

allen woonplaats kiezende bij [klager 1],

hierna te noemen klagers,

ter zake van het uitblijven van een strafvervolging tegen

Vereniging Martijn,

gevestigd te Hoogeveen,

[beklaagde 2],

[beklaagde 3],

[beklaagde 4]

en

[beklaagde 5],

hierna te noemen beklaagden.

Het procesverloop

De klacht is bij het hof binnengekomen op 20 juli 2011.

Ingevolge de beschikking van dit hof d.d. 21 juli 2011 heeft de advocaat-generaal, onder overlegging van de processtukken, schriftelijk verslag gedaan.

Klagers zijn op 28 september 2011 door het hof in raadkamer gehoord.

De motivering

De inhoud van de klacht

1. De klacht richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie, beklaagden niet te vervolgen ter zake van medeplichtigheid aan en/of uitlokking van de door

[verdachte] jegens [slachtoffer 1] gepleegde strafbare feiten, medeplichtigheid aan en/of uitlokking van zedenmisdrijven gepleegd door anderen jegens andere minderjarige kinderen, deelneming aan een criminele organisatie en het plaatsen en verspreiden van kinderporno via de website van de vereniging Martijn (verder te noemen Martijn).

Het standpunt van de advocaat-generaal

2. De advocaat-generaal is van oordeel, dat klager [klager 1] in zijn beklag niet kan worden ontvangen en dat de klacht van klagers [klager 2] en [klager3], voor zover zij daarin kunnen worden ontvangen, dient te worden afgewezen.

Beoordeling

3. In een brief d.d. 7 september 2011 alsmede in raadkamer is door de gemachtigde aangevoerd dat het hof Leeuwarden niet bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige klacht, nu de beslissing tot niet (verdere) vervolging is genomen door de officier van justitie van het functioneel parket. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zou om die reden exclusieve bevoegdheid tot kennisneming van de klacht toekomen aan het hof

's- Gravenhage.

4. Dit verweer wordt verworpen. Zoals door officier van justitie H. van der Meijden in zijn schrijven d.d. 3 augustus 2011 uiteengezet, is er onder leiding van het openbaar ministerie te Rotterdam - alwaar het landelijk expertisecentrum kinderpornografie is ondergebracht - in verband met bestaande verdenkingen oriënterend onderzoek verricht naar mogelijkheden om de vereniging Martijn en/of haar (voormalige) bestuursleden te vervolgen.

Bij dit oriënterend onderzoek is de aangifte van klagers betrokken. Om praktische redenen is de sepotbrief vanuit het parket Rotterdam verzonden en door mr. Van der Meijden ondertekend, echter in de hoedanigheid van plaatsvervangend officier van justitie te Zwolle. Om die reden moet het hof Leeuwarden bevoegd worden geacht tot kennisneming van de klacht.

5. Met betrekking tot de vraag of klagers - zoals tussen hen en de advocaat-generaal in geschil is - in de verschillende onderdelen van hun klacht kunnen worden ontvangen, stelt het hof het volgende voorop.

Ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan, voor zover een strafbaar feit niet wordt vervolgd, de vervolging niet wordt voorgezet of vervolging plaatsvindt door het uitvaardigen van een strafbeschikking, de rechtstreeks belanghebbende - voor zover hier van belang - daarover schriftelijk beklag doen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient als rechtstreeks belanghebbende slechts te worden aangemerkt degene die door het achterwege blijven van een strafvervolging ter zake van een voldoende bepaald feit getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat. In zoverre dient te worden onderscheiden van het belang dat iedere Nederlandse ingezetene geacht wordt te hebben bij naleving van de strafwet en de vervolging van strafbare feiten in het algemeen.

6. Klager [klager 1] treedt in deze procedure niet alleen op als gemachtigde van de klagers [klager 2] en [klager3], maar tevens als mede-klager. In raadkamer heeft [klager 1] aangevoerd dat hij tot dit besluit is gekomen omdat hij, mochten [klager 2] en [klager3] om psychische en/of gezondheidsredenen de procedure niet meer kunnen voortzetten, de procedure in dat geval namens hen kan voortzetten. Het hof kan [klager 1] in deze gedachtegang niet volgen. Immers, als gemachtigde kan [klager 1] ook zonder dat hij zelf klager is [klager 2] en [klager3] zolang zij dat wensen vertegenwoordigen.

7. Als klager pro se heeft [klager 1] geen eigen specifiek belang dat te onderscheiden valt van het meer algemene belang dat elke Nederlandse ingezetene ter harte zal gaan, namelijk het belang om kinderen te beschermen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik. Zoals hiervoor is overwogen is zulks niet voldoende om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 12 Sv.

8. Wat betreft [klager 2] en [klager3] dient naar het oordeel van het hof een onderscheid te worden gemaakt tussen het belang dat zij hebben bij vervolging ter zake van mogelijke medeplichtigheid en/of uitlokking van het seksueel misbruik van hun minderjarige dochter [slachtoffer 1] enerzijds, en het belang dat zij hebben bij vervolging van beklaagden ter zake van de overige door hen geformuleerde strafbare feiten anderzijds.

9. De klacht van [klager 2] en [klager3] is onder meer gericht tegen het niet-vervolgen van beklaagden ter zake van medeplichtigheid en/of uitlokking van zedenmisdrijven jegens minderjarigen in zijn algemeenheid, gepleegd door mogelijke anderen dan de verdachte van het seksueel misbruik van [slachtoffer 1], tegen wie reeds vervolging is ingesteld. Zij voeren daartoe aan dat de verklaring die die verdachte heeft afgelegd in de strafzaak ter zake van onder meer het misbruik van hun dochter niet op zichzelf zal staan en dat hij niet de enige zal zijn geweest die tips en adviezen van, althans georganiseerd door Martijn, zal hebben ontvangen. Zij menen dat het Openbaar Ministerie (OM) daarnaar gedegen strafrechtelijk onderzoek had behoren te verrichten.

10. Het hof is van oordeel dat de strafbare feiten waarvan [klager 2] en [klager3] aldus vervolging wensen onvoldoende bepaald zijn om hen in hun klacht op dit punt te kunnen ontvangen. Voor zover zij menen dat er een algemeen en meer omvattend strafrechtelijk onderzoek dient te worden ingesteld tegen Martijn gaat dit het kader van artikel 12 Sv te buiten. Of en in welke omvang het recht tot strafvervolging moet worden uitgeoefend staat in zoverre ter beoordeling van het OM en de voor het beleid van dat orgaan verantwoordelijke minister van Veiligheid en Justitie, die in het kader van de vervolging ook een eigen aanwijzingsbevoegdheid heeft. Op die wijze zijn (beleids)keuzes van het OM vatbaar voor politieke, in het bijzonder parlementaire, controle. Het beklagrecht op grond van artikel 12 Sv is een nauw omlijnde uitzondering op de hoofdregel dat uitsluitend het OM de beslissing toekomt over de vraag of in een concreet geval vervolging van een bepaald strafbaar feit plaats moet vinden.

11. Ook voor zover de klacht zich richt tot het niet-vervolgen van beklaagden ter zake van deelneming aan een criminele organisatie zijn klagers naar het oordeel van het hof niet als belanghebbenden aan te merken en zijn zij niet-ontvankelijk in hun klacht.

Artikel 140 Sr is geplaatst in Titel V van boek 2 van dit wetboek, welke titel als opschrift draagt misdrijven tegen de openbare orde. Het beschermd belang is door de plaatsing van het artikel in deze titel de openbare orde, meer in het bijzonder de aantasting hiervan, door als crimineel aan te merken of verboden organisaties. Beslissingen over het al dan niet vervolgen van misdrijven tegen de openbare orde zijn bij uitstek voorbehouden aan het OM. [klager 2] en [klager3] zijn alleen als direct belanghebbenden in de zin van artikel 12 Sv te beschouwen wanneer het gaat om mogelijk door een criminele organisatie jegens hen gepleegde misdrijven, maar niet wanneer het gaat om het niet-vervolgen van een criminele organisatie of deelname daaraan op zich.

12. In het klaagschrift stellen [klager 2] en [klager3] voorts dat beklaagden vervolgd behoren te worden voor het op de website van Martijn plaatsen van als kinderpornografisch aan te merken afbeeldingen. Het gaat dan hoofdzakelijk om covers van het maandblad OK en foto's en afbeeldingen in het tijdschrift Martijn. Het hof komt niet toe aan beantwoording van de vraag of de betreffende afbeeldingen en/of foto's als strijdig met de wet moeten worden beschouwd, nu geoordeeld moet worden dat [klager 2] en [klager3] ook in dit onderdeel van de klacht niet kunnen worden ontvangen. Er is geen enkele indicatie dat op de website www.martijn.org foto's van [slachtoffer 1] staan of hebben gestaan. Dat betekent dat [klager 2] en [klager3] door het achterwege blijven van een strafvervolging met betrekking tot dit delict niet zijn getroffen in een belang dat hen bepaaldelijk aangaat, een en ander zoals hiervoor overwogen. Op verzoek van het OM is door de dienst Internationale Politiesamenwerking van het Korps Landelijke Politiediensten onderzoek ingesteld naar de website van Martijn. De conclusie van dit onderzoek luidde dat het openbare gedeelte van de website geen kinderpornografische afbeeldingen bevatte. Bij gebreke van verdenking van een strafbaar feit is door het OM geen vervolging ingesteld. Klagers menen dat er wel sprake is van een strafbaar feit en dat het OM ook onderzoek had behoren te verrichten naar het gesloten gedeelte van de site. Zoals eerder in deze beschikking al aangegeven is de procedure van artikel 12 Sv niet de weg waarlangs klagers hun doel kunnen bereiken.

13. In het navolgende onderdeel van hun klacht kunnen [klager 2] en [klager3] wel worden ontvangen. Zij klagen over het niet vervolgen van beklaagden wegens uitlokking van en/of medeplichtigheid aan het verkrachten van en ontucht plegen met [slachtoffer 1] door de van die feiten verdachte.

Nog los van het feit dat [klager 2] en [klager3] rechtstreeks getroffen zijn door hetgeen hun dochter is aangedaan, zijn zij tevens in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van het slachtoffer ontvankelijk in hun klacht.

14. Om beklaagden ter zake van uitlokking of medeplichtigheid te kunnen vervolgen zal een relatie gelegd moeten worden tussen door beklaagden verstrekte informatie en de concrete door de verdachte gepleegde feiten jegens [slachtoffer 1].

15. De verdachte heeft in het strafrechtelijk onderzoek naar onder meer het misbruik van de dochter van [klager 2] en [klager3] verklaard dat hij lid is of is geweest van Martijn. In een verhoor in juni 1991 inzake het onderzoek naar de gewelddadige dood van [slachtoffer 2] heeft de verdachte verklaard dat hij op een voorlichtingsavond van de Stichting Martijn over pedofilie informatie heeft gekregen over het wissen van sporen, zoals sperma en bloed. In het requisitoir ter gelegenheid van de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte op 6 mei 2010 heeft de officier van justitie onder andere naar voren gebracht dat de verdachte verklaard heeft dat hij van een pedovereniging tips heeft gekregen hoe en op welke wijze hij gevaarloos in contact kon komen met meisjes. Ook beweert de verdachte van Martijn te hebben gehoord dat hij kinderpornografische bestanden nooit digitaal moest versturen omdat dit sporen achterliet.

16. Het hof stelt voorop, dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat de andere beklaagden dan Martijn zelfstandig de feiten hebben uitgelokt of gepleegd.

17. Van uitlokking in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake wanneer iemand een ander, door gebruikmaking van een met name genoemd uitlokkingsmiddel, opzettelijk aanzet tot het begaan van een strafbaar feit, voor welk feit de uitgelokte zelf kan worden bestraft. Concreet betekent dit dat het hof staat voor de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de rechtspersoon Martijn en/of de andere beklaagden als opdrachtgevers c.q. feitelijk leidinggevers de verdachte opzettelijk hebben aangezet, door middel van het verstrekken van inlichtingen, om de gestelde strafbare feiten jegens [slachtoffer 1] te plegen.

18. Om van medeplichtigheid van beklaagden aan het door de verdachte gepleegde misdrijf te kunnen spreken, zal bewijsbaar moeten zijn dat beklaagden de verdachte opzettelijk inlichtingen hebben verschaft terwijl zij wisten dan wel bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verdachte met de door hen verstrekte informatie werd geholpen bij het plegen van dit specifieke feit, te weten verkrachting van en ontucht met [slachtoffer 1].

19. Voor zover wordt geklaagd over het niet vervolgen van Martijn ter zake van uitlokking van de feiten stelt het hof vast, dat het requisitoir van de officier van justitie in de zaak tegen de verdachte, waarop klagers zich grotendeels baseren, de in het klaagschrift geciteerde en hierboven onder punt 15. samengevatte passage heeft doen voorafgaan door: "Het lijkt er sterk op dat hij er in de loop van vele jaren alles aan heeft gedaan om in contact te komen met jonge meisjes", gevolgd door de opsomming van een aantal incidenten. Voorts staat vast dat de door de officier van justitie vermelde "voorlichting van de Stichting Martijn over het wissen(…) van sporen" door de verdachte wordt vermeld in een proces-verbaal dat stamt uit 1991. Reeds op grond van het bovenstaande kan geen sprake zijn van uitlokking door Martijn van de feiten jegens [slachtoffer 1] gepleegd, nu uit een en ander geenszins kan worden afgeleid dat het wilsbesluit van de verdachte daartoe door Martijn is gewekt.

20. Met betrekking tot de eventuele medeplichtigheid geldt, dat de "inlichtingen" waarvan sprake is in het requisitoir van de officier van justitie, zoals boven in punt 15. aangegeven, ongespecificeerd zijn naar tijd en plaats. Uit de aan die opsomming voorafgaande werkwijze van de verdachte volgt echter, dat hij voorafgaand aan het seksuele misbruik van [slachtoffer 1] reeds zijn slachtoffers zocht bij kinderen in zijn buurt, die hij al kende. Daarmee kunnen die inlichtingen geen aantoonbare bijdrage meer hebben geleverd aan de door de verdachte begane grondfeiten.

21. Het hof zal derhalve de klacht, voor zover deze kan worden ontvangen, afwijzen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De beslissing

Het gerechtshof:

wijst de klacht, voor zover klagers ontvankelijk verklaard zijn, af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.W.J. Sekeris, A. Dijkstra en J.J. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Schwerzel als griffier.