Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU4795

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
BK 11/00050 Rioolheffing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Heffingsambtenaar terecht de onderhavige aanslagen rioolheffing heeft opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2646
Belastingblad 2012/23
V-N Vandaag 2011/2805
V-N 2012/11.25.9

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00050

uitspraakdatum: 15 november 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 januari 2011, nummer AWB/2803, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Groningen (hierna: de Heffingsambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2009 dertien aanslagen rioolheffing opgelegd van elk € 127,75 betreffende de eigendom van zes woningen aan de a-straat 33 en zeven woningen aan de a-straat 35 te L.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Groningen (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 januari 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2011 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A, advocaat, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede B namens de Heffingsambtenaar.

2. De vaststaande feiten

Het Hof ziet aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.1 Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken a-straat 33 en a-straat 35 te L. Belanghebbende heeft de onroerende zaken gesplitst in respectievelijk zes en zeven woningen.

2.2 De woningen beschikken ieder over eigen sanitaire voorzieningen en kookgelegenheid en zijn ieder afzonderlijk afsluitbaar. De woningen delen de ingang, de centrale gang op elk van de verdiepingen, het trappenhuis en de meterkast. Enkel vanuit de centrale gang zijn de woningen bereikbaar. De onroerende zaken zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering.

2.3 In de voor het jaar 2009 geldende Verordening rioolrechten van de gemeente Groningen (hierna: de Verordening) is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a. perceel : een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

b. - (…)

c. - (…)

Artikel 2 Aard van de belasting

(…)

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel.

2. (…)

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

Artikel 6 Belastingtarieven

De belasting bedraagt € 127,75 per perceel.

(…)”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Heffingsambtenaar terecht de onderhavige aanslagen rioolheffing heeft opgelegd.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Heffingsambtenaar bevestigend.

3.3 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken en hetgeen ter zitting daaraan is toegevoegd.

3.4 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en verzoekt de aanslagen op twee na te vernietigen en de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

3.5 De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Anders dan de Rechtbank die in haar uitspraak verwijst naar artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet, stelt het Hof vast dat de Verordening is gebaseerd op artikel 228a, lid 1 van de Gemeentewet.

4.2 Ingevolge artikel 228a, lid 1, van de Gemeentewet kan onder de naam rioolheffing een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn van:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

4.3 Artikel 1, aanhef en letter a, van de Verordening definieert een perceel als een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan. Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2005, nr. 40.315, LJN AU3550, volgt dat de term “zaak” moet worden verstaan in de civielrechtelijke betekenis ervan.

4.4 Uit de feiten volgt dat de woningen blijkens hun inrichting bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Mitsdien is naar het oordeel van het Hof sprake van zelfstandige gedeelten in de zin van artikel 4 van de Verordening. De omstandigheid dat de onroerende zaken niet juridisch zijn gesplitst in appartementsrechten als bedoeld in titel 9 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek, ongeacht de reden daarvan, doet hieraan niet af. Evenmin is voor de beoordeling van de bestemming van de woningen relevant hoe de kadastrale inschrijving is geschied.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 15 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 november 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.