Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU4272

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
200.077.612-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Co-ouderschap en kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 8 november 2011

Zaaknummer 200.077.612

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G.J. van Kammen, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. F. Hofstra, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 25 augustus 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden het tussen partijen gesloten convenant dat is gehecht aan de beschikking van

6 augustus 2008 van de rechtbank Amsterdam, gewijzigd en de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind], geboren [in 1994], met ingang van 19 februari 2010 bepaald op € 477,- per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 24 november 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 25 augustus 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende de door de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van

19 februari 2010, althans een in goede justitie te bepalen datum, te stellen op € 210,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 13 december 2010, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw de beschikking van de rechtbank te vernietigen, af te wijzen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van een brief van 18 januari 2011 met bijlagen, van mr. van Kammen.

Van de minderjarige [kind] is op 5 april 2010 een brief binnengekomen waarin staat dat zij niet met de rechter wil praten en ook niet wil schrijven.

Ter zitting van 26 april 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw vergezeld van mr. Dunant - Maurits, een kantoorgenoot van mr. Van Kammen, en de man vergezeld van zijn advocaat.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit het huwelijk tussen partijen is de thans nog minderjarige [kind] geboren.

2. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2008 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 2 september 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. In die beschikking is opgenomen het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant waarbij een co-ouderschapsregeling ten aanzien van [kind] is overeengekomen en waarbij partijen tevens zijn overeengekomen dat de vrouw ter zake van kinderalimentatie ten behoeve van [kind] € 500,- per maand aan de man betaalt.

4. Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 19 februari 2010, heeft de vrouw verzocht om de kinderalimentatie met ingang van 6 maart 2010 op nihil te stellen.

5. Bij de bestreden beschikking is op dit verzoek beslist zoals hiervoor weergegeven onder "Het geding in eerste aanleg".

De geschilpunten

6. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de behoefte van [kind];

- de draagkracht van man op het punt van de woonlasten;

- de verdeling ter voorziening in de behoefte van [kind].

De ingangsdatum

7. Partijen hebben de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de gewijzigde kinderbijdrage niet bestreden. De rechtbank heeft als datum van wijziging 19 februari 2010 aangenomen. Het hof zal bij het bepalen van de kinderalimentatie ook uitgaan van deze datum.

Het co-ouderschap

8. Het hof zal eerst de meest verstrekkende grief van de vrouw behandelen. In grief 5 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat er met betrekking tot [kind] sprake is van co-ouderschap.

9. De man heeft niet betwist dat er sprake is van co-ouderschap.

10. De grief van de vrouw slaagt. Van co-ouderschap is sprake als de zorg voor de kinderen bij helfte tussen de ouders wordt verdeeld. Indien het gaat om de vraag hoe de kosten van een co-ouderkind over de beide ouders moeten worden verdeeld, dient eerst te worden vastgesteld hoe hoog die kosten zijn. De tabel kosten van kinderen is niet direct toepasbaar, omdat aan te nemen is dat de kosten van een co-ouderkind hoger zijn dan normaal vanwege de dubbele woonlast. De kosten van een co-ouderkind omvatten het eigen aandeel van de ouders in de kosten volgens de tabel kosten kinderen plus de kinderbijslag plus een verhoging van 16% wegens dubbele woonlast.

11. Uit de door de rechtbank gemaakte berekeningen en de verdeling van de kosten van [kind] over de beide ouders blijkt niet dat de rechtbank rekening heeft gehouden met het tussen partijen bestaande co-ouderschap. Er is geen rekening gehouden met de kinderbijslag en de dubbele woonlast.

De behoefte van [kind]

12. De vrouw heeft het voormalige gezinsinkomen van partijen gesteld op € 2.800,- netto per maand en de daarmee corresponderende behoefte van [kind] op

€ 415,- per maand.

13. De man heeft de door de vrouw gestelde behoefte betwist wegens gebrek aan onderbouwing van het voormalige gezinsinkomen. Tevens heeft hij aangevoerd dat de behoefte - gelet op de co-ouderschapsregeling - moet worden vastgesteld op basis van de Tremanormen vermeerderd met de kinderbijslag en een verhoging in verband met de woonlasten. De man is van mening dat de kosten van de dansopleiding van [kind], bestaande uit € 1.000,- per jaar lesgeld, € 250,- per jaar kleding en schoenen en € 1.932,- per jaar reiskosten tevens behoefteverhogend werken.

14. Het door de vrouw gestelde inkomen van de man ten tijde van het uiteengaan van partijen ter hoogte van € 1.400,- netto per maand is niet door de man weersproken. De vrouw heeft een jaaropgave van 2008 overgelegd waaruit blijkt dat haar inkomen in dat jaar € 35.215,- heeft bedragen, hetgeen neerkomt op

€ 1.933,- netto per maand. Het netto-inkomen van partijen stelt het hof vast op

€ 3.333,- netto per maand. Partijen zijn in september 2008 uit elkaar gegaan. [kind] was toen 13 jaar. Volgens de tabel levert dit 0 punten op hetgeen - bij een inkomen van € 3.300,- - correspondeert met een behoefte van € 481,- per maand. Rekening houdend met de kosten van de dansopleiding van [kind] is haar behoefte in totaal € 585,- per maand. De rechtbank heeft de reiskosten in verband met de opleiding van [kind] niet meegenomen, omdat deze evenredig door partijen worden gedragen. Deze overweging van de rechtbank hebben partijen in hoger beroep niet ter discussie gesteld.

15. Het hof berekent de kosten van [kind] door bij het bedrag uit de tabel en de extra opleidingskosten de kinderbijslag op te tellen plus 16% voor extra woonlasten. De man heeft ter zitting desgevraagd gezegd dat hij de kinderbijslag voor [kind] ontvangt. De kinderbijslag voor [kind] bedraagt € 278,55 per kwartaal oftewel € 92,85 per maand. De woonkostencomponent bedraagt daarom 16% van (585 + 92,85) = € 108,46 per maand. Dit leidt tezamen tot een behoefte van (585, + 92,85 + 108,46) = € 786,31 per maand.

De draagkracht van de man

De woonlasten ('erfpachtcanon')

16. De vrouw heeft gesteld dat in de draagkrachtberekening van de man door de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 167,- ter zake van erfpachtcanon is opgenomen.

17. De man heeft hiertegen ingebracht dat deze post de verplichte bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren (hierna: VVE) betreft.

18. Het hof oordeelt als volgt. In de draagkrachtberekening aan de zijde van de man heeft de rechtbank rekening gehouden met een bedrag van € 167,- als bijdrage aan de VVE en met een bedrag van € 95,- aan forfait overige eigenaarslasten. De vrouw heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij akkoord kan gaan met een bedrag van € 167,- per maand als bijdrage aan de VVE. Volgens haar moet dan geen rekening meer worden gehouden met het forfait overige eigenaarslasten.

19. Volgens de Tremanormen wordt rekening gehouden met een bedrag van € 95,- als forfait eigenaarslasten. Het hof is met de vrouw van oordeel dat de man niet beide posten kan opvoeren. Het hof zal een bedrag van € 167,- in de draagkrachtberekening aan de zijde van de man betrekken, nu de vrouw daarmee heeft ingestemd. Het hof zal de berekening van de rechtbank op dit punt corrigeren.

De draagkrachtberekening

20. De rechtbank is uitgegaan van de door de man bij brief van 30 juni 2010 overgelegde draagkrachtberekening, waarbij de rechtbank het eigen risico van

€ 14,- heeft geschrapt. Het hof schrapt het forfait eigenaarslasten van € 95,-, zodat het draagkrachtloos inkomen van de man € 2.140,- - € 14,- - € 95,- = € 2.031 per maand bedraagt. Zijn draagkrachtruimte is dan € 2.507,- - € 2.031,- = € 476,- per maand.

De verdeling ter voorziening in de behoefte van [kind]

21. Voordat het hof tot een verdeelschema overeenkomstig de Tremanormen komt, merkt het hof op dat de woonkostencomponent ten behoeve van de kinderen wordt gesteld op 16% in totaal. Voor wat betreft de dagkosten gaat het hof ervan uit dat die op jaarbasis (365 x € 5,-) € 1.825,- per jaar bedraagt oftewel € 152,08 per maand. Het hof deelt die kosten naar rato van het aantal dagen dat [kind] bij een van de ouders verblijft toe aan die ouder. Die kosten komen voor de helft voor rekening van de vrouw en voor de helft voor rekening van de man. Partijen zijn het erover eens dat de man de kosten van de dansopleiding van [kind] betaalt en dat partijen naar evenredigheid de reiskosten voor haar voldoen. Het hof zal dan ook bij de bepaling van de vrije bestedingsruimte rekening houden met het feit dat de man € 104,17 per maand voor de dansopleiding van [kind] betaalt.

22. De uitgaven voor [kind] zijn daarom in 2010 en daarna als volgt te berekenen.

Totaal Vader Moeder

Wooncomponent € 108,46 € 54,23 € 54,23

Dagkosten € 152,08 € 76,04 € 76,04

Vrije bestedingsruimte € 525,77+ € 314,97+ € 210,80+

________ ________ ________

Totale uitgaven € 786,31 € 445,24 € 341,07

De man krijgt de kinderbijslag € 92,85-

________

De man draagt dus € 352,39

23. Vervolgens komt de vraag aan de orde hoe de kosten naar rato van ieders draagkracht moeten worden verdeeld. Het hof heeft de draagkrachtruimte van de man in rechtsoverweging 20 berekend op € 476,- per maand. Zijn draagkracht is 70% van € 476,- = € 333,20 per maand. Partijen hebben de door de rechtbank berekende draagkracht van de vrouw niet betwist, zodat het hof deze berekening overneemt. De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw inclusief fiscaal voordeel berekend op € 577,- per maand.

24. De draagkracht van de man is € 333,20 per maand en die van de vrouw inclusief fiscaal voordeel € 577,- per maand, tezamen € 910,20 per maand. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [kind] zonder kinderbijslag is (€ 786,31 - € 92,85) € 693,46 per maand. Partijen hebben dus voldoende draagkracht om in het welstandsniveau van [kind] te voorzien. De vrouw dient daarom 577/910,20e deel van € 693,46 per maand te dragen en dat is € 439,60 per maand. Daarvan draagt zij al de kosten van € 341,07 per maand. De vrouw dient daarom

€ 98,53 per maand oftewel afgerond € 99,- per maand te voldoen. De vrouw heeft in hoger beroep een bedrag van € 210,- per maand aangeboden, zodat het hof de kinderbijdrage voor [kind] die de vrouw aan de man moet voldoen zal bepalen op € 210,- per maand.

Slotsom

25. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en de kinderalimentatie opnieuw vaststellen als hierna is weergegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt de door de vrouw aan de man te bepalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind], geboren [in 1994], met ingang van 19 februari 2010 op € 210,- per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Jonkman, voorzitter, R. Feunekes en E.F. Groot, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 november 2011 in bijzijn van de griffier.