Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU3695

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
24-002396-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een verdachte ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 394, derde lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek veroordeeld tot een geldboete van € 500,-

Tevens heeft het hof het openbaar ministerie ten aanzien van de boekjaren 2004, 2005 en 2006 niet ontvankelijk verklaard in de strafvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002396-10

Uitspraak d.d.: 3 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 augustus 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door [gemachtigde], bestuurder van

[verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 oktober 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde over de boekjaren 2004, 2005 en 2006 vrij te spreken.

De advocaat heeft ten aanzien van het boekjaar 2007 gevorderd dit feit bewezen te verklaren en daarbij toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij te [plaats], in elk geval in Nederland (als rechtspersoon)(telkens) niet uiterlijk dertien maanden na afloop van de boekjaren 2004, 2005, 2006 en/of 2007 lopende van 1 januari tot en met 31 december, de jaarrekeningen over die boekjaren op de in artikel 394 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze openbaar heeft gemaakt, immers had verdachte op 12 juli 2009 nog niet aan bovenomschreven verplichting voldaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wet op economische delicten is het ten laste gelegde een overtreding.

In verband met het bepaalde in artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in drie jaren voor alle overtredingen. Het hof is van oordeel dat het recht van vervolging van het openbaar ministerie ten aanzien van de boekjaren 2004, 2005 en 2006 is vervallen nu er meer dan drie jaren zijn verstreken tussen de pleegdata met betrekking tot deze boekjaren en een daad van vervolging, in dit geval het uitbrengen van de dagvaarding voor de terechtzitting van de economische politierechter.

Niet is gebleken van omstandigheden die de verjaring tussentijds zouden hebben gestuit. Het openbaar ministerie moet in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging gekregen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in Nederland, als rechtspersoon niet uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar 2007 lopende van 1 januari tot en met 31 december, de jaarrekening over dat boekjaar op de in artikel 394 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze openbaar heeft gemaakt, immers had verdachte op 12 juli 2009 nog niet aan bovenomschreven verplichting voldaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 394, derde lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het niet tijdig ter inzage leggen van haar jaarrekening over het jaar 2007. Door aldus te handelen heeft verdachte derden, waaronder bijvoorbeeld bankiers, de belastingdienst en leveranciers, de kans ontnomen zelfstandig te bekijken welke de vermogenspositie van het bedrijf was.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 september 2011 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat het bedrijf in jaren 2004 tot en met 2007 slecht liep. De opdrachten liepen terug en er werden steeds minder inkomsten gegenereerd. Momenteel gaat het iets beter met het bedrijf maar er zijn thans nog wel schulden waarop verdachte aan het aflossen is.

Gezien de ernst van het feit is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals gevorderd door de advocaat-generaal. Het hof is van oordeel dat een geldboete van 500 euro een passende en noodzakelijke bestraffing is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 394 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie met betrekking tot de boekjaren 2004, 2005 en 2006 niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 500,00 (vijfhonderd euro).

Aldus gewezen door

mr. J.J. Beswerda, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 3 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.