Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BU2082

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
BK 10/00186 Vennootschapsbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende ontvankelijk is in haar hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2648
V-N 2012/7.26.4
FutD 2011-2657
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 10/00186

uitspraakdatum: 25 oktober 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X Inc. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de vastlegging in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank Leeuwarden van 11 december 2009, nummer AWB 08/1363 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een bedrag van nihil. Tevens is bij beschikking het verlies vastgesteld op € 8.258.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting vastgelegd, dat het beroep ter zitting is ingetrokken.

1.4 Belanghebbende heeft tegen deze vastlegging in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2011 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, A, alsmede namens de Inspecteur B.

1.7 Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 In het proces-verbaal van hetgeen ter zitting van de Rechtbank op 11 december 2009 is verhandeld in de zaken met de procedurenummers AWB08/1357 tot en met 08/1359, 08/1361 tot en met 08/1366, 08/1374 tot en met 08/1378, 08/1438 tot en met 08/1451, 09/2509 en 09/2510, is onder andere het volgende vermeld:

“(…)

Zaken X Inc.

Eiser trekt de beroepen inzake de aanslagen vennootschapsbelasting 2003 en 2004 met procedurenummers 08/1362 en 08/1363 in.

(…)”

2.2 Het proces-verbaal van de zitting heeft de Rechtbank op 22 juni 2010 aan belanghebbende toegestuurd.

2.3 Belanghebbende heeft op 31 juli 2010 haar hogerberoepschrift ingediend.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of belanghebbende ontvankelijk is in haar hoger beroep. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en terugwijzing van het geschil naar de Rechtbank.

3.4 De Inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 27h van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan een belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen, bij het gerechtshof hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.2 De tekst van het proces-verbaal van 11 december 2009 is een vastlegging van hetgeen ter zitting van de Rechtbank is verhandeld. Het proces-verbaal is geen uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het hoger beroep tegen het proces-verbaal is daarom niet-ontvankelijk.

4.3 Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof uitdrukkelijk verklaard, dat het hoger beroep zich enkel richt tegen de verliesvaststellingsbeschikking die ziet op het jaar 2004. Het Hof gaat er daarom van uit, dat belanghebbende niet tegen de verliesverrekeningsbeschikking waarbij verrekening van het verlies over het jaar 2004 met de belastbare winst over het jaar 1989 heeft plaatsgevonden, is opgekomen. Voor het doorzenden van het hogerberoepschrift op de voet van artikel 6:15, eerste of tweede lid, van de Awb, ziet het Hof daarom geen aanleiding.

4.4 In een geval waarin een partij aan de rechtbank heeft meegedeeld dat zij betwist het beroep (rechtsgeldig) te hebben ingetrokken, moet de rechtbank - indien zij van oordeel blijft dat het beroep rechtsgeldig is ingetrokken - haar constatering van die intrekking neerleggen in een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, zodat degene die zich daarmee niet kan verenigen daartegen een rechtsmiddel kan aanwenden (Hoge Raad, 23 september 2011, nr. 11/00372, LJN BT2297). Belanghebbende heeft deze betwisting niet aan de Rechtbank, maar aan het Hof gericht. Hierin ziet het Hof aanleiding de griffier te gelasten het dossier toe te zenden aan de Rechtbank, zodat zij haar beslissing over de intrekking van het beroep alsnog in een uitspraak kan neerleggen.

4.5 In de omstandigheid dat het Hof heeft verzuimd het verzoek direct door te sturen aan de Rechtbank, vindt het Hof aanleiding de Staat te gelasten het door belanghebbende ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof:

– verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht ten bedrage van € 448 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 25 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 oktober 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.