Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT8801

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
24-001091-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het zich voordoen als bonafide lener levert een valse hoedanigheid op in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, indien die valse hoedanigheid wordt "opgetuigd" met meerdere leugens en bedrieglijke handelingen. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001091-11

Uitspraak d.d.: 20 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 13 mei 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

thans verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 oktober 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen zal toewijzen conform het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. E.C. Gijselaar, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2010 tot en met 12 oktober 2010, op diverse data en/of tijdstippen, op diverse (nader te noemen) plaatsen in Nederland, (meermalen) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna te noemen perso(o)n(en) heeft bewogen tot de afgifte van een (aantal) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- op of omstreeks 23 september 2010, te [plaats 1], zich ten opzichte van [slachtoffer 2]

voorgedaan als bonafide lener van 25 euro, door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij,

verdachte, geld nodig had om te tanken en/of door een kopie van zijn identiteitskaart en/of

rijbewijs aan die [slachtoffer 2] te overhandigen en/of door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen

dat hij het geld diezelfde dag terug kwam brengen en/of

- op of omstreeks 5 oktober 2010, te [plaats 2], zich ten opzichte van [benadeelde 1] voorgedaan

als bonafide lener van 25 euro, door tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij geen benzine meer

in de auto had en dat zijn portemonnee nog thuis lag en/of door een kopie van zijn

identiteitskaart en/of rijbewijs aan die [benadeelde 1] te overhandigen en/of door tegen die

[benadeelde 1] te zeggen dat zij zijn, verdachtes, kenteken mocht noteren en/of dat hij, verdachte,

woonachtig was op het adres [adres], [woonplaats] en/of dat hij,

verdachte, het geld diezelfde dag terug kwam brengen en/of

- op of omstreeks 12 oktober 2010, te [plaats 3], zich ten opzichte van [slachtoffer 3]

voorgedaan als bonafide lener van 20 euro, door tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij,

verdachte, uit [plaats 4] kwam en bijna zonder benzine stond en zijn portemonnee

vergeten was en/of door een kopie van zijn identiteitskaart aan die [slachtoffer 3] te overhandigen

en/of door tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij, verdachte, het geld diezelfde dag terug

kwam brengen,

waardoor voornoemde perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte van voornoemd(e) geldbedrag(en);

2.

hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2010 tot en met 6 december 2010, op diverse data en/of tijdstippen, op diverse (nader te noemen) plaatsen in Nederland, (meermalen) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna te noemen perso(o)n(en)/ bedrij(f)(ven) heeft bewogen tot de afgifte van een (aantal) goed(eren), te weten een ontbijt en/of een sleutel van een hotelkamer en/of het verlenen van een dienst en/of het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een overeenkomst voor een (aantal) (hotel)overnachting(en), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- op of omstreeks 17 oktober 2010, te [plaats 5], zich voorgedaan als bonafide klant

van het [benadeelde 2], door tegen een medewerkster van voornoemd hotel te zeggen dat

hij, verdachte, geen geld meer had, omdat zijn broer per ongeluk zijn papieren en/of pasjes

mee had genomen en/of door een kopie van zijn identiteitskaart te laten maken en/of door

tegen die medewerkster te zeggen dat hij de volgende dag geld bij de bank op zou gaan

nemen en/of

- in of omstreeks de periode van 20 oktober 2010 tot en met 21 oktober 2010, te [plaats 6], zich

voorgedaan als bonafide klant van het [benadeelde 2], door tegen een medewerkster van

voornoemd hotel te zeggen dat hij de volgende dag zou betalen en/of door een kopie van

zijn identiteitskaart aan voornoemde medewerkster te geven en/of

- in of omstreeks de periode van 16 november 2010 tot en met 17 november 2010, te [plaats 7],

zich voorgedaan als bonafide klant van [bedrijf], door door een medewerker van

voornoemd hotel een kopie van zijn identiteitskaart te laten maken en/of zijn personalia

door te geven en/of

- in of omstreeks de periode van 4 december 2010 tot en met 6 december 2010, te [plaats 8],

zich voorgedaan als bonafide klant van het hotel "[bedrijf 2]", door tegen een

medewerkster van voornoemd hotel te zeggen dat hij zijn bagage was vergeten en dat zijn

vrouw dit zou komen brengen en/of door zijn identiteitskaart te tonen en/of (daarbij) te

zeggen dat hij van [verdachte] uit [plaats 9] was,

waardoor voornoemde perso(o)n(en)/bedrij(f)(ven) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

3.

hij in of omstreeks de periode van 26 augustus 2010 tot 1 januari 2011 te [plaats 10], (althans) in Nederland, opzettelijk een auto (merk Fiat, met kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke auto verdachte van die [slachtoffer 1] had geleend onder de gehoudenheid die auto binnen een gestelde en/of redelijke termijn te retourneren en (aldus) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in omstreeks de periode van 26 augustus 2010 tot 1 januari 2011, te [plaats 10], (althans) in Nederland, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto, merk Fiat, met kenteken [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op een (aantal) weg(en), te weten (onder meer) de [straat] te [plaats 10].

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde

Door de verdediging is betoogd dat het onder 1 ten laste gelegde niet kan worden aangemerkt als oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, nu geen van de in de betreffende delictsomschrijving genoemde oplichtingsmiddelen door verdachte zou zijn aangewend.

De raadsvrouw heeft daartoe (kort samengevat) aangevoerd dat verdachte telkens zijn - niet valse of vervalste - identiteits- en/of rijbewijs heeft overgelegd, waardoor van het aannemen van een valse naam of valse hoedanigheid geen sprake kan zijn. Verdachte heeft zich slechts voorgedaan als iemand die voornemens en in staat was het te leen gevraagde geld terug te betalen, hetgeen (eveneens) ontoereikend is voor een bewezenverklaring van de overige oplichtingsmiddelen, te weten 'een of meer listige kunstgrepen' en 'een samenweefsel van verdichtsels'. De raadsvrouw wijst in dit verband naar vigerende jurisprudentie van de Hoge Raad (verwezen wordt naar NJ 2002, 262), onder meer inhoudende dat het zich in strijd met de waarheid voordoen als bonafide huurder naar het oordeel van de Hoge Raad geen valse hoedanigheid of listige kunstgreep kan opleveren. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door het aannemen van de valse hoedanigheid van 'bonafide lener' zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Het hof gaat uit van de volgende aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen gang van zaken.

De verdachte vervoegde zich bij - respectievelijk - een slagerij te [plaats 1], een sportclub te [plaats 2] en een kapsalon te [plaats 3] om vervolgens de daar werkzame persoon om een lening van € 25,- dan wel € 20,- te vragen. Daarbij vertelde de verdachte dat hij "alles" c.q. zijn portemonnee was vergeten waardoor hij nu een probleem had: de benzinetank van zijn auto was namelijk leeg, hij had (dus) geen geld bij zich om deze te vullen en kon niet verder rijden. De verdachte beloofde het geld nog dezelfde dag terug te betalen. Hij liet ten behoeve van de leners een kopie van zijn identiteitsbewijs, afgegeven door de burgemeester van [plaats 4], en/of zijn rijbewijs achter. In [plaats 2] gaf hij op in [plaats 11] te wonen, in [plaats 3] vertelde hij uit [plaats 4] te komen. De verdachte kwam telkens voorrijden in een door hem verduisterde, niet op zijn naam staande auto. De leners verstrekten de verdachte ieder het hun gevraagde bedrag. De verdachte deed zijn toezegging niet gestand. Hij betaalde het geleende geld telkens niet terug.

De verdachte verklaarde nadien bij de politie dat hij, om in leven te blijven en op een zo net mogelijke manier aan wat geld te komen, meermalen bij "slagerijen, bakkerijen of groenteboeren" was geweest, daar dan wat geld vroeg om te tanken en dan verzon dat hij geen benzine meer had en zijn portemonnee was vergeten.

Het hof overweegt als volgt.

Het aannemen van een valse hoedanigheid bestaat - onder meer - in het valselijk optreden in een rechtsverhouding, waaraan bepaalde rechten en bevoegdheden kunnen worden ontleend, waarop men in het maatschappelijk verkeer afgaat en waaraan een specifieke rol-verwachting is verbonden.

De raadsvrouw heeft aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de zogenaamde bonafide huurder, waaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide huurder, die in staat en voornemens is het gehuurde goed na ommekomst van de overeengekomen huurperiode terug te geven, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw kan worden toegegeven dat er enige analogie bestaat met de onderhavige casus. In beide gevallen gaat het in zekere zin immers om een vorm van zogenaamd tijdelijk gebruik van een goed dat onder valse voorwendselen wordt verworven. Daarmee houdt de analogie evenwel op.

Van belang is dat in de onderhavige gevallen meer aan de hand is dan de hiervoor bedoelde 'enkele omstandigheid'. De verdachte heeft zijn valse hoedanigheid 'opgetuigd' met meerdere leugens en bedrieglijke handelingen. De leugens bestonden in verdachtes onware mededelingen dat hij zijn geld vergeten was, dat hij geen benzine meer had en dat hij het geld dezelfde dag zou terugbetalen. Aldus was sprake van een samenweefsel van verdichtsels. De bedrieglijke handelingen hielden in dat hij voor kwam rijden in een auto en kopieën van zijn identiteits- en/of zijn rijbewijs verstrekte. Die bedrieglijke handelingen strekten ertoe de gedebiteerde leugen omtrent de gestelde benzinebehoefte kracht bij te zetten respectievelijk het door de potentiële uitlener in de verdachte te stellen vertrouwen te schragen. In die zin zijn de handelingen aan te merken als listige kunstgrepen.

Gelet op het vorenstaande is er naar het oordeel van het hof sprake van strafwaardig bedrog in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer van de raadsvrouw moet dan ook worden verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in

onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 23 september 2010 tot en met 12 oktober 2010, op diverse data en tijdstippen, op diverse nader te noemen plaatsen in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna te noemen personen heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- op 23 september 2010, te [plaats 1], zich ten opzichte van [slachtoffer 2] voorgedaan

als bonafide lener van 25 euro, door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij, verdachte,

geld nodig had om te tanken en door een kopie van zijn identiteitskaart en rijbewijs aan die

[slachtoffer 2] te overhandigen en door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij het geld

diezelfde dag terug kwam brengen en

- op 5 oktober 2010, te [plaats 2], zich ten opzichte van [benadeelde 1] voorgedaan als bonafide

lener van 25 euro, door tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij geen benzine meer in de auto

had en dat zijn portemonnee nog thuis lag en door een kopie van zijn identiteitskaart en

rijbewijs aan die [benadeelde 1] te overhandigen en door tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat zij

zijn, verdachtes, kenteken mocht noteren en dat hij, verdachte, woonachtig was op het

adres [adres], [woonplaats] en dat hij, verdachte, het geld diezelfde dag

terug kwam brengen en

- op 12 oktober 2010, te [plaats 3], zich ten opzichte van [slachtoffer 3] voorgedaan

als bonafide lener van 20 euro, door tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij, verdachte, uit

[plaats 4] kwam en bijna zonder benzine stond en zijn portemonnee vergeten was en

door een kopie van zijn identiteitskaart aan die [slachtoffer 3] te overhandigen en door tegen die

[slachtoffer 3] te zeggen dat hij, verdachte, het geld diezelfde dag terug kwam brengen,

waardoor voornoemde personen telkens werden bewogen tot afgifte van voornoemde

geldbedragen;

2.

hij in de periode van 17 oktober 2010 tot en met 6 december 2010, op diverse data en tijdstippen, op diverse nader te noemen plaatsen in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna te noemen personen/bedrijven heeft bewogen tot de afgifte van een aantal goederen, te weten een ontbijt en een sleutel van een hotelkamer en het verlenen van een dienst en het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een overeenkomst voor een aantal hotelovernachtingen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- op of omstreeks 17 oktober 2010, te [plaats 5], zich voorgedaan als bonafide klant

van het [benadeelde 2], door tegen een medewerkster van voornoemd hotel te zeggen dat

hij, verdachte, geen geld meer had, omdat zijn broer per ongeluk zijn papieren en pasjes

mee had genomen en door een kopie van zijn identiteitskaart te laten maken en door tegen

die medewerkster te zeggen dat hij de volgende dag geld bij de bank op zou gaan nemen en - in de periode van 20 oktober 2010 tot en met 21 oktober 2010, te [plaats 6], zich voorgedaan

als bonafide klant van het [benadeelde 2], door tegen een medewerkster van voornoemd hotel te

zeggen dat hij de volgende dag zou betalen en door een kopie van zijn identiteitskaart aan

voornoemde medewerkster te geven en

- in de periode van 16 november 2010 tot en met 17 november 2010, te [plaats 7], zich

voorgedaan als bonafide klant van [bedrijf], door door een medewerker van

voornoemd hotel een kopie van zijn identiteitskaart te laten maken en zijn personalia door

te geven en

- in de periode van 4 december 2010 tot en met 6 december 2010, te [plaats 8], zich

voorgedaan als bonafide klant van het hotel "[bedrijf 2]", door tegen een

medewerkster van voornoemd hotel te zeggen dat hij zijn bagage was vergeten en dat zijn

vrouw dit zou komen brengen en door zijn identiteitskaart te tonen en te zeggen dat hij

[verdachte] uit [plaats 9] was, waardoor voornoemde personen/bedrijven telkens werden

bewogen tot bovenomschreven afgiften;

3.

hij in de periode van 26 augustus 2010 tot 1 januari 2011 te [plaats 10], opzettelijk een auto (merk Fiat, met kenteken [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 1], welke auto verdachte van die [slachtoffer 1] had geleend onder de gehoudenheid die auto binnen een gestelde en redelijke termijn te retourneren en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert telkens op:

oplichting, meermalen gepleegd.

het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeven gevallen van oplichting. Naast de bij de bewijsoverwegingen reeds besproken 'leningen', heeft verdachte meermalen in een hotel overnacht, tevens gebruik makend van de bijbehorende faciliteiten, terwijl hij van plan noch in staat was daarvoor te betalen. Verdachte heeft de gedupeerden telkens een valse voorstelling van zaken gegeven en daarmee misbruik gemaakt van hun hulpvaardigheid en vertrouwen. Gedragingen als die van verdachte beïnvloeden de burgerzin, het fatsoen en de flexibiliteit in het maatschappelijk verkeer onmiskenbaar op negatieve wijze, hetgeen - nog los van de strafwaardigheid - als een verlies van waarden is te beschouwen. Eén van de aangevers heeft verklaard dat hij weliswaar argwanend was, maar dat hij zelf ook graag geholpen zou willen worden in dergelijke omstandigheden.

Het hof rekent het verdachte voorts aan dat hij de auto van een vriend zonder diens toestemming heeft 'geleend' en het voortuig in strijd met de vervolgens aan die vriend gedane toezegging maandenlang onder zich heeft gehouden, hetgeen is aan te merken als verduistering.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 oktober 2011. Uit dit 12 pagina's tellende stuk blijkt dat er sinds

1984 sprake is van justitiecontacten ter zake van soortgelijke en andere strafbare feiten.

Uit het dossier en het optreden van verdachte ter terechtzitting rijst het beeld van een verdachte die - voor zover hij het hem ten laste gelegde al erkent - de ernst van de feiten bagatelliseert en slechts moeizaam onder ogen ziet dat hij, en alleen hij, verantwoordelijk is voor de thans ter beoordeling staande gedragingen. Verdachte doet voorkomen als zou hij welhaast gedwongen zijn geweest de betreffende delicten te plegen doordat anderen (de reclassering, zijn bejaarde moeder, vrienden, de Sociale Diensten) jegens hem in gebreke zijn gebleven en hem de (materiële) hulp, waarop hij recht meent te hebben, hebben onthouden.

De in de reclasseringsrapportages van 11 maart 2011 en 29 april 2011 gesignaleerde sterke neiging bij verdachte tot externaliseren wordt bevestigd door de door verdachte ter terechtzitting gedane uitlatingen. Ondanks de ook door het hof als hoog ingeschatte recidivekans ligt oplegging van een verplicht reclasseringscontact niet in de rede, gelet op verdachtes afwijzende houding ten opzichte van elke hulpverleningsinterventie, waarin ook eisen aan hèm zullen worden gesteld.

Het vorenstaande neemt niet weg dat het hof de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van acht maanden niet (geheel) in overeenstemming acht met hetgeen doorgaans wordt opgelegd voor een vergelijkbaar samenstel van feiten. Het hof zal verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen van kortere, na te melden duur, hetgeen heeft meegebracht dat de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 10 oktober 2011 bij afzonderlijk geminuteerde beslissing van dit hof is opgeheven.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 25,- De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2], gevestigd te [vestigingsplaats], heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt

€ 204,25. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 25,00 (vijfentwintig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van EUR 25,00 (vijfentwintig euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 2], gevestigd te [vestigingsplaats], terzake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 204,25 (tweehonderdvier euro en vijfentwintig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van EUR 204,25 (tweehonderdvier euro en vijfentwintig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 20 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Bosma voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen