Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT8761

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
24-001253-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft haar slachtoffer met de blote vuist een aantal malen hard tegen het hoofd geslagen. In eerste aanleg werd zij veroordeeld wegens poging tot doodslag. Het hof spreekt daarvan vrij en veroordeelt verdachte wegens zware mishandeling. Volgt oplegging van voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf, en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001253-11

Uitspraak d.d.: 14 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 juni 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens het subsidiair tenlastegelegde tot voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van honderdvijftig uren, subsidiair vijfenzeventig dagen jeugddetentie. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat als bijzondere voorwaarden wordt opgelegd dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften een aanwijzingen door de jeugdreclassering en dat verdachte meewerkt aan (verder) verblijf bij [instelling] te [woonplaats]. De advocaat-generaal heeft ten slotte gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel wordt toegewezen, tot drieduizend vierhonderdvijf euro en vijfendertig cent, en dat een schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag aan verdachte wordt opgelegd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr R.P.A. Kint, en door de benadeelde partij,

[benadeelde], naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen, omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

zij op of omstreeks 20 oktober 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of het hoofd (nabij de slaap) heeft gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

zij op of omstreeks 20 oktober 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken jukbeen en/of een gescheurde (linker)oogkas en/of een gebroken kaak en/of een zware hersenschudding), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen/slaan;

meer subsidiair:

zij op of omstreeks 20 oktober 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), (met kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken jukbeen en/of een gescheurde (linker)oogkas en/of een gebroken kaak en/of een zware hersenschudding), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Door en namens verdachte is ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag ter zitting van het hof aangevoerd, dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer [benadeelde].

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Verdachte heeft op 20 oktober 2010 geweld op [benadeelde] uitgeoefend.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast - evenals de advocaat-generaal en de verdediging - dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde] met een voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen. Wel kan - aan de hand van de verklaringen van verdachte, het slachtoffer en verschillende getuigen - worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer meermalen met kracht met met haar vuist tegen het hoofd heeft geslagen. Het slachtoffer hield hier onder meer een gecompliceerde jukbeenfractuur aan over, welk letsel operatief ingrijpen noodzakelijk maakte.

Op grond van de vastgestelde feiten, het dossier en het verhandelde ter zitting gaat het hof ervan uit dat verdachtes bewezenverklaarde handelingen niet willens en wetens op de dood van het slachtoffer waren gericht.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Er is geen grond om de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, nu de verklaringen van de verdachte en de getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedragingen in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Naar het oordeel van het hof kunnen de bewezen verklaarde handelingen - het meermalen met kracht met de blote vuist slaan tegen het hoofd - naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat verdachte daarmee de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. Ook wanneer het hof het bij het slachtoffer vastgestelde letsel in aanmerking neemt, komt het niet tot een andere conclusie dan hiervoor vermeld.

Gelet hierop kan het primair ten laste gelegde opzet op de dood niet worden bewezen, zodat verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:

zij op 20 oktober 2010 te [plaats], aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken jukbeen en een gescheurde oogkas en een zware hersenschudding), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen met kracht tegen het hoofd te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte overweegt het hof het volgende.

G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater, komt in haar rapport van 17 maart 2010 tot de conclusie dat (ook) ten tijde van het bewezenverklaarde feit bij verdachte sprake was van een periodiek explosieve stoornis op basis van benedengemiddelde intelligentie en belastende gezinssysteemfactoren. Constitutie en familieomstandigheden liggen hieraan ten grondslag, met als belangrijkste kenmerken gemakkelijke beïnvloedbaarheid, impulsief gedrag, zwakke agressiehuishouding en een deficiënte leefomgeving. Drugsmisbruik (alcohol en softdrugs) waren voorts aan de orde, maar die zijn thans in remissie. Broekman concludeert dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Het bewezenverklaarde kan verdachte daarom in verminderde mate worden toegerekend.

Drs A.C. Dundas, GZ psycholoog, komt in zijn rapport van 22 maart 2011 tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de zin van een perdiodieke explosieve stoornis. Verdachte kan in situaties die door haar als onveilig worden gelabeld, buitenproportioneel reageren met geweld. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit was deze problematiek bij verdachte aanwezig. Dundas adviseert om verdache voor het bewezenverklaarde feit als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het hof neemt deze conclusies over en maakt die tot de zijne, in zoverre dat het hof vaststelt dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens, waardoor dat feit haar in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof acht verdachte overigens strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 20 oktober 2010 [benadeelde] een aantal malen hard met de vuist tegen het hoofd geslagen. Verdachte deed dit omdat zij zich onheus bejegend voelde door [benadeelde], die verdachte had aangesproken op haar vermeende betrokkenheid bij het plagen van de tienjarige dochter van [benadeelde]. Verdachte was daar niet van gediend, en toen [benadeelde] haar bij de schouder aanraakte, sloeg zij [benadeelde] een aantal malen. Zij heeft [benadeelde] daarbij zodanig geraakt, dat deze onder meer acht botbreuken in haar jukbeen en oogkas heeft opgelopen. Uit de verklaringen van getuigen over het slaan door verdachte en de moeite die door omstanders moest worden gedaan om verdachte bij haar slachtoffer weg te halen, vloeit naar het oordeel van het hof voort dat verdachte 'door het dolle heen' was. De mishandeling vond plaats in [attractiepark] te [plaats] voor de ogen van de jonge kinderen van het slachtoffer en andere daar aanwezige kinderen.

Verdachte heeft door haar handelen sterke gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt en de lichamelijke integriteit van haar slachtoffer ernstig aangetast. Ter zitting van het hof is gebleken dat [benadeelde] nog steeds de fysieke ongemakken ondervindt van hetgeen verdachte haar bijna een jaar geleden heeft aangedaan. De medische behandeling is nog niet afgerond en het gebeurde belemmert [benadeelde], zowel in fysieke als psychische zin, te functioneren op de wijze waarop zij voor het gebeurde functioneerde. Gewelddadige feiten als de onderhavige schokken de rechtsorde en brengen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg. Dit klemt temeer nu het feit plaatsvond in een pretpark, waar ouders hun - jonge - kinderen mee naartoe nemen om ongestoord plezier te kunnen beleven.

Uit het oogpunt van vergelding en ter voorkoming van recidive dient voor een feit als het onderhavige, gepleegd onder voormelde omstandigheden en met gevolgen als waarvan hier sprake is - in beginsel - een onvoorwaardelijke vrijeidsstraf te worden opgelegd. Het hof heeft echter, naast het voorgaande, ook acht geslagen op het volgende.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 juli 2011 blijkt, dat verdachte niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld. Verdachte was ten tijde van het onderhavige feit pas vijftien jaar oud.

Verdachte verblijft inmiddels geruime tijd op vrijwillige basis in [instelling] te [woonplaats]. Verdachte en haar ouders zijn van mening, en zij ervaren dat dit goed is voor verdachte, dat zij daar goed op haar plaats is, en dat zij zich persoonlijk goed ontwikkelt. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat zij graag in [instelling] wil blijven. Zij heeft daar al veel geleerd, maar zij kan en wil ook nog het nodige leren.

Verdachte heeft op de zitting van het hof verschillende keren spijt betuigd van hetgeen zij het slachtoffer heeft aangedaan.

Het feit kan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van na te melden straffen passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om het verblijf van verdachte in [instelling] door middel van oplegging van een bijzondere voorwaarde af te dwingen.

Hoewel het hof de bewezenverklaarde handelingen van verdachte anders kwalificeert dan de eerste rechter, ziet het hof geen reden om een andere strafmaat te hanteren dan de eerste rechter. De ernst van het feit en de gevolgen die dit heeft gehad laten dit naar het oordeel van het hof niet toe.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 3.405,35. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 3.405,35. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte heeft dat ook niet bestreden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, haar te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een agressieregulatietherapie en EMDR, zulks zolang Bureau Jeugdzorg of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14 d van het Wetboek van Strafrecht.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 3.405,35 (drieduizend vierhonderdvijf euro en vijfendertig cent) bestaande uit EUR 1.405,35 (duizend vierhonderdvijf euro en vijfendertig cent) materiële schade en EUR 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 3.405,35 (drieduizend vierhonderdvijf euro en vijfendertig cent) bestaande uit EUR 1.405,35 (duizend vierhonderdvijf euro en vijfendertig cent) materiële schade en EUR 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 (vierenveertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 14 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.