Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT8738

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
200.080.158/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Biologische vader, die minderjarige niet heeft erkend, geen belanghebbende in de zin van artikel 798 li 1 RV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 11 oktober 2011

Zaaknummer 200.080.158

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

appellante,

advocaat mr. A.A. Vogelsang,

kantoorhoudende te Meppel,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Groningen en Drenthe,

locatie Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

1. William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: WSJ;

2. [pleegouders],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: [pleegouders].

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 13 oktober 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen de toen nog ongebo[kind]ind] (hierna: [kind]), geboren [in 2010], met ingang van 13 oktober 2010 voor de termijn van één jaar onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg (hierna: BJZ), met opdracht de ondertoezichtstelling te laten uitvoeren door WSJ. De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking tevens een machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht verleend van de toen nog ongeboren [kind], met ingang van de dag van de geboorte van [kind] tot de expiratiedatum van de ondertoezichtstelling.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 10 januari 2011, heeft de moeder verzocht de beschikking van 13 oktober 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende BJZ, althans WSJ (het hof begrijpt: de raad) in het verzoek [kind] onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen (alsnog) niet-ontvankelijk te verklaren, althans en in ieder geval, dit zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, af te wijzen, althans en in ieder geval de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing te verkorten, kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 31 januari 2011, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 18 januari 2011 met bijlagen, een op 6 september 2011 ter griffie binnengekomen memo met bijlage en een faxbericht van 12 april 2011, alles van

mr. Vogelsang.

Ter zitting van 13 september 2011 is de zaak gevoegd behandeld met de zaak met

nummer 200.089.572. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door mr. Vogelsang, de heer W.J. Coster namens WSJ, mevrouw [pleegmoeder], de pleegmoeder van [kind], en de heer Wouters namens de raad. Met instemming van iedereen is mevrouw Tiktak, begeleidster van de moeder van Stichting De Trans in de zittingszaal aanwezig.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van [biologische vader] (hierna: [biologische vader])

1. [biologische vader] heeft samen met de moeder appel ingesteld tegen de beschikking van

13 oktober 2010. [biologische vader] is de biologische vader van [kind]. Hij heeft [kind] (nog) niet erkend. De moeder is alleen belast met het gezag over [kind]. [biologische vader] is onder curatele gesteld. De moeder en [biologische vader] wonen samen.

2. Het hof dient een beslissing te nemen op het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige [kind]. De ondertoezichtstelling van een minderjarige is een gezagsbeperkende maatregel van kinderbescherming. De uithuisplaatsing is een uit de ondertoezichtstelling voortvloeiende maatregel.

3. Dit betekent dat bij de door het hof te nemen beslissing enkel de uit het gezag over [kind] voortvloeiende rechten (en verplichtingen) van [kind] en van de ouders die het gezag over [kind] uitoefenen, dan wel van anderen die [kind] als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden zijn betrokken. Daarom kunnen in deze zaak slechts als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv worden beschouwd - voor zover hier van belang -: de met het gezag belaste ouder in de persoon van de moeder en een ander die [kind] als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt in de persoon van de pleegouder(s).

4. Aangezien voor [biologische vader] geen rechten en verplichtingen voortvloeien uit het ouderlijk gezag over [kind], terwijl voor hem evenmin rechten en verplichtingen kunnen voortvloeien uit de verzorging en opvoeding van [kind], kan hij niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. Dit brengt mee dat hij niet kan worden ontvangen in het door hem ingestelde hoger beroep.

De feiten

5. De moeder heeft nog twee dochters, [dochter 1] en [dochter 2] genaamd. Beiden wonen in een geheim pleeggezin. De inmiddels 13-jarige [dochter 1] is vanaf haar zevende uit huis geplaatst en de thans 3,5-jarige [dochter 2] vanaf haar geboorte.

6. De raad heeft medio 2010 onderzoek gedaan naar een verderstrekkende maatregel betreffende [dochter 1] en [dochter 2]. Tijdens dit onderzoek bleek dat de moeder opnieuw in verwachting was.

7. WSJ heeft de raad op 5 augustus 2010 verzocht om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van het ongeboren kind van de moeder (te weten: [kind]). De raad heeft de kinderrechter op 29 september 2010 verzocht het ongeboren kind van de moeder vanaf de geboorte onder toezicht te stellen van BJZ, uitgevoerd door WSJ, voor de periode van één jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

8. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter de verzoeken van de raad toegewezen. Het hoger beroep van de moeder richt zich tegen deze beslissing.

9. Bij een tweetal afzonderlijke beschikkingen van 8 december 2010 is de moeder (inmiddels onherroepelijk) ontheven van het gezag over [dochter 1] en [dochter 2].

De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

10. Voor het antwoord op de vraag of de minderjarige onder toezicht moet worden gesteld, dient te worden beoordeeld of de minderjarige zodanig opgroeit, dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

11. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige.

12. Uit de stukken, waaronder een raadsrapport van 23 september 2010 en een Verslag Psychodiagnostisch Onderzoek d.d. 10 augustus 2011, opgemaakt door C.M. Vader-Den Hollander, Gz-psycholoog bij MEE, en de behandeling ter zitting is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van [kind] rechtvaardigen. Voortzetting van deskundige hulp is voor [kind] dringend geboden. Het is niet aannemelijk dat hulpverlening in een vrijwillig kader effect zal hebben, aangezien de moeder vindt dat zij geen hulp nodig heeft. Voorts is gebleken van gronden die een uithuisplaatsing van [kind] noodzakelijk maken. Voldoende aannemelijk is geworden dat de moeder op dit moment niet in staat is [kind] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en de veiligheid in haar dagelijkse verzorging en opvoeding zijn gewaarborgd.

13. De moeder is in november 2007 psychiatrisch onderzocht via Hoeve Boschoord. Daaruit is naar voren gekomen dat de moeder zeer wisselvallig is in haar gedrag en dat er bij haar normen ontbreken. Zij houdt weinig rekening met de belangen van anderen. De moeder kan impulsief en soms bizar gedrag vertonen. Het ontbreekt haar aan zelfbeheersing en ordening. De moeder is duidelijk afhankelijk van anderen voor haar innerlijke structuur. De gedragsnormen of oordelen van de moeder zijn extreem, ongefundeerd en niet goed bespreekbaar. De moeder heeft geen inzicht in haar eigen rol in gebeurtenissen en kan geen wederkerig standpunt innemen. Zij heeft hooguit een leeftijdsfase van fragmentatie bereikt, corresponderend met een ontwikkelingsleeftijd van 2 tot 3 jaar. De moeder wordt psychisch niet in staat geacht een kind op te voeden. Zij is niet leerbaar.

14. Gebleken is dat de moeder vervolgens heeft geweigerd hulpverlening voor zichzelf te accepteren, waardoor de omgangsregeling tussen haar en [dochter 1] (in oktober 2008) en tussen haar en [dochter 2] (in november 2008) is stopgezet.

15. Sinds 17 augustus 2010 heeft de moeder zich aangemeld bij MEE Drenthe. De uitvoerende zorgaanbieder is Stichting De Trans. Op 10 augustus 2011 heeft MEE voormeld verslag uitgebracht. Daaruit komt - kort gezegd - naar voren dat de moeder op licht verstandelijk beperkt niveau functioneert. Haar totaal IQ is 70. Zij kampt met hechtingsproblematiek, toont wisselende emoties, is snel overvraagd en functioneert qua ego-ontwikkeling in het zelfbeschermend stadium. De moeder kan zelfzorgtaken en eenvoudige huishoudelijke taken zelfstandig uitvoeren. Bij meer complexe taken heeft zij ondersteuning en begeleiding nodig. De moeder heeft zeer weinig tot geen vertrouwen in andere mensen. Bovendien vindt zij zelfredzaamheid belangrijk waardoor zij moeite heeft om begeleiding te accepteren. Ze accepteert hulp alleen als deze iets voor haar kan betekenen of als middel om iets gedaan te krijgen.

16. Met de raad is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind] noodzakelijk zijn om er voor te zorgen dat de bijna éénjarige [kind] opgroeit in een veilige omgeving waarin zij de regelmaat, structuur en aandacht krijgt die zij nodig heeft om zich gezond en onbedreigd te kunnen ontwikkelen. Voldoende is gebleken dat [kind] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd in de opvoedingssituatie bij de moeder. Deze ernstige bedreiging is vooral gelegen in de onmacht van de moeder om invulling te geven aan haar eigen leven, laat staan aan de opvoeding en verzorging van een kind. Deze onmacht komt mede voort uit de eigen problematiek van de moeder en haar ontwikkelingsleeftijd. Zij is niet in staat zich in een ander te verplaatsen en bij diens behoeften aan te sluiten. De moeder is hierin niet leerbaar. Zij heeft daardoor onvoldoende inzicht in de opvoedingsbehoeften van een baby die voor de verzorging en het voorzien in de specifieke ontwikkelingsbehoeften volledig afhankelijk is van de moeder. De moeder heeft onvoldoende draagkracht om op enige wijze zelfstandig invulling te geven aan de verzorging en opvoeding van [kind]. Ook staat zij niet of weinig open voor inmenging van anderen in haar wijze van opvoeding. Hierdoor heeft eerdere hulpverlening ook niet de uithuisplaatsing van [dochter 1] en [dochter 2] kunnen voorkomen. Daarbij komt dat [kind] specifieke zorg behoeft, omdat zij kampt met somatische problemen waarvoor zij onder controle staat van een kinderarts.

17. Hoewel de moeder stelt dat zij haar zaken inmiddels voldoende op orde heeft om [kind] thuis te kunnen verzorgen en opvoeden, is onvoldoende concreet gebleken dat de leefomstandigheden van de moeder zodanig zijn gewijzigd of dat haar houding ten opzichte van geïndiceerde hulp is veranderd waardoor de ernstige en acute bedreiging voor [kind] is afgewend. Integendeel. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij één keer per week begeleiding in huis krijgt van De Trans in de persoon van mevrouw Tiktak. Deze hulp heeft zij eigenlijk alleen maar, omdat de gezinsvoogd "loopt te drammen", aldus de moeder. Zij vindt zelf dat ze geen hulp nodig heeft en dat ze bij de GGZ niets te zoeken heeft.

18. Het belang van [kind] staat voorop. Zij groeit thans op in een pleeggezin dat haar de leeftijdsadequate zorg en aandacht kan bieden die zij nodig heeft. Zij kan daardoor op een veilige en onbedreigde manier opgroeien. [kind] kan zich in het pleeggezin onbelemmerd en veilig ontwikkelen, ontplooien en een gezonde hechting doormaken. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind] zijn noodzakelijk om deze opvoedingsomstandigheden te kunnen garanderen.

Slotsom

19. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [biologische vader] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, voorzitter, M.P. den Hollander en H. van Lokven-Van der Meer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 11 oktober 2011 in het bijzijn van de griffier.