Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7510

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
BK 10/00286 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur bij het opleggen van de onderhavige aanslag of bij het doen van de uitspraak op bezwaar in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder - mede onder verwijzing naar de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - het zorgvuldigheidsbeginsel en - mede onder verwijzing naar de artikelen 3:46 en 7:12 Awb - naar het Hof begrijpt het motiveringsbeginsel. Ook in geschil is of de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld jegens belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2506
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 10/00286

uitspraakdatum: 11 oktober 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 oktober 2010, nummer AWB 10/246, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd op grond waarvan geen IB/PVV is verschuldigd, maar waarbij een heffingskorting is verleend tot een bedrag van € 359. Na verrekening van de voorlopige teruggaaf leidt dit tot een door belanghebbende te betalen bedrag van € 1.631. Aan heffingsrente is daarbij bij beschikking een bedrag in rekening gebracht van € 10.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij haar uitspraak van 14 oktober 2010 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2011 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A als de gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde), bijgestaan door B, de echtgenoot van belanghebbende, alsmede C namens de Inspecteur.

1.7 Beide partijen hebben de ter zitting van het Hof overgelegde pleitnota voorgedragen. Het Hof rekent de pleitnota’s tot de gedingstukken.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen onder 1.1 tot en met 1.9 staat vermeld in de uitspraak van de Rechtbank. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het Hof daarvan zal uitgaan. In die uitspraak zijn de feiten als volgt weergegeven (waarbij het Hof “eiser” heeft vervangen door “belanghebbende” en “verweerder” door “de Inspecteur” en de nummering van de alinea’s heeft aangepast).

2.1 “Belanghebbende, geboren op .. maart 19.., is gehuwd met B (de fiscale partner), geboren op .. maart 19...

2.2 Belanghebbende heeft over het jaar 2006 geen inkomsten voor de inkomstenbelasting.

2.3 Aan belanghebbende is over het jaar 2006 de algemene heffingskorting ad € 1.990 via een voorlopige teruggaaf uitbetaald. De voorlopige teruggaaf draagt de dagtekening 16 januari 2006.

2.4 In de jaren 2001 tot en met 2005 is aan belanghebbende de algemene heffingskorting uitbetaald. De fiscale partner is in die jaren voldoende IB/PVV verschuldigd voor uitbetaling van de algemene heffingskorting aan belanghebbende op grond van artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2.5 Op of omstreeks 2 maart 2007 is de aangifte IB/PVV 2006 van de fiscale partner bij de Inspecteur ingediend.

2.6 In deze aangifte IB/PVV 2006 wordt in vergelijking met het verleden aanspraak gemaakt op een aanzienlijke hogere aftrek wegens buitengewone uitgaven.

2.7 Aan de hand van deze ingediende aangifte is met dagtekening 23 mei 2008 aan de fiscale partner de aanslag IB/PVV 2006 opgelegd. Na de verrekening van de gecombineerde heffingskorting is een bedrag ad € 359 IB/PVV verschuldigd.

2.8 Gedagtekend 18 december 2009 is aan belanghebbende schriftelijk medegedeeld dat er aan haar een aanslag IB/PVV 2006 zal worden opgelegd. De Inspecteur meldt dat de aanslag zal worden opgelegd, omdat uit zijn gegevens blijkt dat de fiscale partner in 2006 onvoldoende IB/PVV verschuldigd is, waardoor belanghebbende niet of maar gedeeltelijk in aanmerking komt voor uitbetaling van de algemene heffingskorting.

2.9 Met dagtekening 18 december 2009 is de aangekondigde aanslag IB/PVV 2006 aan belanghebbende opgelegd. Het bedrag van de aanslag bedraagt negatief € 359. Dit betreft een (gedeeltelijke) teruggaaf van de algemene heffingskorting. Na verrekening van de onder 2.3 vermelde reeds uitbetaalde voorlopige teruggaaf ad € 1.990, resulteerde deze aanslag in een te betalen bedrag ad € 1.631. Daarnaast werd bij beschikking € 10 aan heffingsrente in rekening gebracht.”

In aanvulling daarop stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.10 Belanghebbende en haar partner zijn door hun lage inkomen en gebrek aan vermogen financieel niet-draagkrachtig.

2.11 De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep bij zijn conclusie van repliek informatie gevoegd over de voor het onderhavige jaar geldende regeling “Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven”. Dit besluit van 29 maart 2004 bevat tijdelijke regels inzake het verstrekken van een aanspraak op een financiële tegemoetkoming aan burgers met buitengewone uitgaven die in de fiscaliteit voor die uitgaven geen of weinig belastingreductie hebben genoten wegens een laag inkomen. Een als gevolg van deze regeling toegekend bedrag wordt niet in mindering gebracht op een aanslag, maar wordt bij wege van een afzonderlijke beschikking vastgesteld en uitbetaald.

2.12 Op 2 februari 2011 is ten aanzien van de fiscale partner van belanghebbende de beschikking Tegemoetkoming Buitengewone uitgaven over het jaar 2006 vastgesteld op € 1.631. Uitbetaling van dit bedrag heeft inmiddels plaatsgevonden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur bij het opleggen van de onderhavige aanslag of bij het doen van de uitspraak op bezwaar in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder - mede onder verwijzing naar de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - het zorgvuldigheidsbeginsel en - mede onder verwijzing naar de artikelen 3:46 en 7:12 Awb - naar het Hof begrijpt het motiveringsbeginsel. Ook in geschil is of de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld jegens belanghebbende.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur. Tevens verzoekt belanghebbende om een schadevergoeding en een vergoeding van de werkelijke proceskosten.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.5 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Het Hof constateert dat tussen partijen in beginsel niet in geschil is dat de onderhavige aanslag overeenkomstig de in de Wet IB 2001 opgenomen bepalingen is opgelegd. Niet gebleken is dat partijen daarbij zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het Hof hen daarin zal volgen. Voor de stelling van belanghebbende dat - naar het Hof begrijpt - de hoogte van het (ingevolge de onderhavige aanslag) te betalen bedrag van € 1.631 aan IB/PVV onjuist zou zijn, dan wel dat belanghebbende € 359 te veel zou hebben ontvangen, ontbreekt elke rechtsgrond zodat het Hof belanghebbende daarin niet volgt.

4.2 Voor haar beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en op het motiveringsbeginsel draagt belanghebbende meerdere argumenten aan. Belanghebbende is onder andere van mening dat zij en haar echtgenoot gewezen hadden moeten worden op de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand dan wel op de toepassing van het “Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven”.

4.3 Het Hof merkt op dat de toepassing van de in 4.2 genoemde (wettelijke) regelingen niet tot een vermindering van de onderhavige aan belanghebbende opgelegde aanslag leiden, zodat een beroep daarop in een bezwaar of (hoger)beroepsprocedure tegen de onderhavige aanslag belanghebbende niet kan baten. Deze regelingen staan los van de (totstandkoming van de) onderwerpelijke aanslag. Van onzorgvuldig handelen van de Inspecteur is te dezen geen sprake. Dat de fiscale partner van belanghebbende bepaalde (persoonlijke) zaken heeft verkocht om de aanslag te kunnen betalen, doet hieraan niet af.

4.4 Voor de afwijzing van het beroep op strijd met het motiveringsbeginsel wijst het Hof op de brief van de Inspecteur 18 december 2009. Deze brief behelst een aankondiging en een zodanige specificatie van de aanslag dat geoordeeld moet worden dat de aanslag op een deugdelijke motivering berust.

4.5 De Rechtbank heeft in 3.3 en 3.4 van haar uitspraak het volgende overwogen, waarbij het Hof ‘eiseres’ heeft vervangen door ‘belanghebbende‘ en ‘verweerder’ door ‘de Inspecteur’ en de feitennummering eveneens heeft aangepast:

“3.3 De rechtbank overweegt dat de relevante beschikbare fiscale gegevens van de fiscale partner van belanghebbende die de Inspecteur uit het verleden bekend zijn, aanleiding hebben gegeven om een voorlopige teruggaaf van de algemene heffingskorting 2006 aan belanghebbende te verlenen. Gelet op het voorlopige karakter van een voorlopige teruggaaf is de Inspecteur niet gehouden tot een verdergaande voorbereiding, dan raadpleging van deze hem ter beschikking staande, meest recente gegevens. Belanghebbende heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur uit de betreffende gegevens had moeten concluderen dat over 2006 geen recht bestond op de onder 2.3 bedoelde voorlopige teruggaaf.

3.4 Eerst na ontvangst van de aangifte IB/PVV 2006 van de fiscale partner kon door de Inspecteur definitief worden beoordeeld of de aan belanghebbende verleende voorlopige teruggaaf geheel of gedeeltelijk in stand kan blijven. Uit de feiten onder 2.5 en 2.6 blijkt dat de op 2 maart 2007 ingediende aangifte IB/PVV 2006 sterk afwijkt ten opzichte van aangiften over eerdere jaren. Door de hogere aftrek van buitengewone uitgaven en na vermindering met zijn gecombineerde heffingskorting, is de fiscale partner een gecombineerde inkomensheffing van € 359 verschuldigd (zie punt 2.7), waardoor de voorlopige uitbetaling van de algemene heffingskorting aan belanghebbende tot een te hoog bedrag heeft plaatsgevonden, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is. De rechtbank is van oordeel dat zowel het verlenen van de voorlopige teruggaaf aan belanghebbende als ook het opleggen van de aanslagen aan belanghebbende en haar fiscale partner niet onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Dat belanghebbende en haar fiscale partner moeite hebben het onder 2.9 bedoelde bedrag terug te betalen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag onzorgvuldig, laat staan onrechtmatig heeft gehandeld.”

4.6 Het Hof sluit zich aan bij de onder 4.5 geciteerde oordelen van de Rechtbank en de daartoe door haar gebezigde gronden en maakt die tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep nog heeft aangevoerd, doet daaraan niet af.

4.7 Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907, BNB 2010/52). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten of voor een vergoeding van de griffierechten. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde verklaard het beroep op schadevergoeding, inclusief smartengeld, te baseren op artikel 8:73 van de Awb. Nu het hoger beroep ongegrond is en het Hof niet is gebleken van een overschrijding van de redelijke termijn, komt belanghebbende niet in aanmerking voor een op de voet van dat artikel gestelde schadevergoeding.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 11 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma P. van der Wal

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 oktober 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.