Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7478

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
BK 10/00337 Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende de schulden aan D BV heeft betaald doordat deze schulden door middel van schuldvernieuwing zijn omgezet in een financieringsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2525
V-N 2011/66.2.4
FutD 2011-2494
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 10/00337

uitspraakdatum: 11 oktober 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X BV te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 december 2010, nummer AWB 09/2770, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 294.154.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 december 2010 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2011 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A namens belanghebbende en namens de Inspecteur B en C.

1.7 De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een afschrift daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Tegen overlegging van een stuk ter zitting door de Inspecteur heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende voert een onderneming bestaande uit de in- en verkoop van caravans.

Belanghebbende is dealer van de caravanmerken Chateau en Home Car. Importeur van de caravans was D BV (hierna: D), welke vennootschap inmiddels in staat van faillissement verkeert. D is een dochtervennootschap van E BV. D verkocht de caravans met behulp van verschillende dealers, waaronder belanghebbende.

2.2 Blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel is F sinds 8 oktober

2002 (ingeschreven als) bestuurder van belanghebbende. Alle aandelen in belanghebbende worden sedert 22 mei 2003 gehouden door G BV.

2.3 In de loop van 2002 had belanghebbende op enig moment een openstaande schuld jegens D ten bedrage van € 368.000. Tot de stukken van het geding behoort een brief met dagtekening 19 augustus 2002 van E BV aan belanghebbende, ter attentie van F, waarin het volgende is opgenomen:

“(…)

Tijdens het ons bezoek van H aan u op 12 augustus 2002 hebben wij een aantal afspraken gemaakt in het kader van de overname van de aandelen X BV door u. Bij deze wil ik die gaarne schriftelijk bevestigen.

Wij zijn overeengekomen dat:

- de vordering per 19 augustus van ca. € 368.000,-- (exclusief modellen 2003) binnen een jaar zal worden voldaan. Maandelijks zal minimaal € 15.000,- worden overgemaakt.

- Nieuwe leveringen zullen conform de betalingsconditie worden voldaan.

- Vanaf 12 augustus wordt rente in rekening gebracht over het uitstaande saldo wat niet binnen de vervaltermijn is voldaan.

- De rente bedraagt 8% per jaar (dit komt overeen met de huidige wettelijke rente).

- D ontvangt een persoonlijke borg voor de vordering op X BV. De tekst is bijgevoegd, gaarne ontvang ik die getekend retour.

- X heeft de voorraad verzekerd voor 3 miljoen gulden. D ontvangt een copie van de verzekeringspolis.

- Dealercontract wordt getekend en retour gestuurd naar D.

- Cijfers per 30 juni 2002 en de daarop volgende jaar- en halfjaarcijfers zullen ons vertrouwelijk worden toegezonden.

- X BV zal een rekening courant faciliteit bij een bank aanvragen, indien gewenst, ben ik bereid om hierbij behulpzaam te zijn.

(…)”

2.4 Tot de stukken behoort tevens een brief van belanghebbende aan D, gedateerd 22 januari 2003, met als bijlage een ongedateerde overeenkomst tussen D en belanghebbende (hierna: de dealerovereenkomst). In deze dealerovereenkomst is, voor zover te dezen relevant, het volgende opgenomen:

“(…)

2. Showmodellen van caravans en voortenten

a. Bij de aanvang van elk seizoen verplicht de Dealer zich ertoe een minimum aantal caravans en voortenten als showmodel af te nemen en deze aan zijn (potentiële) afnemer(s) minimaal tentoon te stellen gedurende de periode vanaf het in lid b omschreven moment van afname tot aan het einde van het seizoen waarop die afnameverplichting betrekking heeft.

(…)

d. Betaling dient plaats te vinden conform artikel 1 lid b. van de dealerschapsvoorwaarden.

e. Een showmodel kan gedurende het seizoen door de Dealer pas aan derden worden afgeleverd nadat D daartoe toestemming heeft verleend en nadat D integrale betaling daarvan heeft ontvangen. Na afloop van het seizoen is deze toestemming c.q. voorafgaande integrale betaling niet meer vereist.

(…)

3. Overige caravans

(…)

b. Betaling dient plaats te vinden zoals in artikel 3 van de dealerschapsvoorwaarden is bepaald.

4. Eigendomsvoorbehoud

a. Zolang D nog enige vordering heeft op Dealer betreffende:

- de tegenprestatie voor door D aan Dealer krachtens overeenkomst geleverde of te leveren zaken;

- krachtens een zodanige overeenkomst tevens ten behoeve van Dealer verrichte of te verrichten werkzaamheden;

- krachtens enig tekortschieten van de wederpartij in de nakoming van zodanige overeenkomst;

Blijven de betreffende zaken eigendom van D.

(…)

5. Pandrecht

a. Tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen D uit welke hoofde ook te vorderen heeft en zal hebben van Dealer, vestigt Dealer hierbij ten behoeve van D een eerste pandrecht op alle bestaande en toekomstige roerende zaken van Dealer welke door de E geleverd zijn.

(…)

2.5 In de zogeheten Dealerschapsvoorwaarden Home-Car Caravans seizoen 2002-2003, opgesteld door D, is voor zover relevant, het volgende bepaald:

(…)

3. Betalingstermijn

Algehele betaling van het factuurbedrag op de in de factuur aangegeven wijze dient binnen 30 dagen na factuurdatum plaats te vinden. Indien betaling binnen 8 dagen na factuurdatum plaatsvindt mag de Dealer 2% in mindering brengen op het netto-caravan bedrag. Betaling dient plaats te vinden zonder verrekening of opschorting.

2.6 Op 9 mei 2003 heeft F zich in privé borg gesteld voor schulden van belanghebbende jegens D tot een bedrag van € 400.000.

2.7 Belanghebbende is op 12 oktober 2005 een pandakte overeengekomen met D, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van de dealerovereenkomst. De pandakte diende ter meerdere zekerheid van de nadien door belanghebbende als pandgever aan D als pandnemer verschuldigde gelden. Artikel 1 van de pandakte luidt als volgt:

“(…)

1. Tot meerdere zekerheid voor de betaling van al hetgeen de pandnemer aan pandgever te vorderen heeft en/of te eniger tijd mochten hebben, verpandt pandgever aan pandnemer:

a. de gehele huidige en toekomstige roerende zaken zoals bedrijfsinventaris en voorraden welke aan pandgever toebehoren.

b. alle vorderingen op derden welke pandgever ten tijde van het opmaken van deze akte op derden heeft en rechtstreeks zal verkrijgen uit een reeds bestaande rechtsverhouding.

(…)”

2.8 De onder 2.7 genoemde pandakte is op 16 juni 2006 bevestigd tussen belanghebbende en D.

2.9 Bij brief van 1 november 2006 heeft D de onder 2.6 genoemde borgstelling ingeroepen:

“(…)

Tussen D en X is op 22 januari 2003 een dealerovereenkomst getekend waarin onder meer is overeengekomen dat D caravans aan X levert. Op dit moment laat X voor een bedrag van ten minste € 2.054.334,35 aan facturen als gevolg van aan haar door D geleverde caravans onbetaald. Dit bedrag is op grond van de dealerovereenkomst en de daarbij behorende dealerschapsvoorwaarden reeds lange tijd opeisbaar; ingebrekestelling is op grond van de wet niet vereist.

(…)”

2.10 Tot de stukken van het geding behoort een brief van 14 december 2006 waarin namens D, voor zover te dezen relevant, het volgende aan belanghebbende wordt medegedeeld:

“(…)

1. D B.V. (“D”) zal de borgstelling die u op 9 mei 2003 ten behoeve van X B.V., gevestigd te L (“X”) hebt afgegeven voor alle vorderingen van D op X, groot € 400.000 (“borgstelling”) niet uitwinnen en de door haar geëntameerde procedure omtrent het uitwinnen van de borgstelling, royeren. Dhr. F zal medewerking verlenen aan royement ná betaling van het in punt vier vermelde bedrag.

2. D zal de vorderingen die D op grond van de tussen D en X gesloten dealerovereenkomst op X heeft (“vorderingen”) kwijtschelden voor zover de vorderingen resteren (i) na teruggave door de belastingdienst van de door D afgedragen omzetbelasting over de facturen waarop de vorderingen gebaseerd zijn en (ii) na verkoop door of namens D van de in vuistpand genomen caravans zoals omschreven (…)”

2.11 Op 30 januari 2007 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van 2004 tot en met 2006. Van dit onderzoek is op 19 maart 2007 een rapport is opgemaakt. In dit boekenonderzoek is geconstateerd dat belanghebbende ingevolge artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) belasting in aftrek heeft gebracht ter zake van aan belanghebbende verrichte leveringen van goederen. Voorts is bij dit boekenonderzoek geconstateerd dat de schulden ter zake van de levering van deze goederen ten tijde van het boekenonderzoek tot een bedrag van € 1.842.339,35 onbetaald zijn gebleven. Volgens de controlerend ambtenaar dateren deze schulden van 21 februari 2002 tot en met augustus 2006. Aan belanghebbende is op de voet van artikel 29, tweede lid, van de Wet OB deze in aftrek gebrachte omzetbelasting nageheven.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende de schulden aan D BV heeft betaald doordat deze schulden door middel van schuldvernieuwing zijn omgezet in een financieringsvordering.

3.2 Belanghebbende stelt zich in hoger beroep, bezijden formele klachten, primair op het standpunt dat de schuldvernieuwing reeds op 19 augustus 2002 heeft plaatsgehad, en vervolgens steeds weer nadat belanghebbende een factuur van D BV gedurende 30 dagen onbetaald had gelaten. Belanghebbende stelt zich in hoger beroep subsidiair op het standpunt dat het geheel van feiten er toe heeft geleid dat uiteindelijk op 1 november 2006 schuldvernieuwing heeft plaatsgehad. Belanghebbende concludeert zowel met haar primaire als subsidiaire standpunt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de bestreden naheffingsaanslag.

3.3 De Inspecteur stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat er geen sprake is geweest van betaling van de schulden van belanghebbende door middel van schuldvernieuwing noch op andere wijze. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Belanghebbende heeft als grief tegen de naheffingsaanslag aangevoerd dat de Inspecteur bij de naheffing geen nieuw feit aannemelijk heeft gemaakt. Dienaangaande oordeelt het Hof dat voor de naheffing van omzetbelasting geen nieuw feit is vereist (zie artikel 20, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Het in artikel 16, lid 1, tweede volzin, van de AWR neergelegde vereiste van een nieuw feit geldt uitsluitend bij navordering van belasting die bij wege van aanslag wordt geheven.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het boekenonderzoek belanghebbende tot een bedrag van € 1.842.339,35 de vergoedingen voor de aan haar door D geleverde goederen niet heeft betaald. De Inspecteur heeft gesteld dat dit een bedrag vormt als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de Wet OB. Ingevolge deze bepaling wordt de ondernemer die ingevolge artikel 15 van de Wet OB belasting in aftrek heeft gebracht ter zake van aan hem geleverde goederen en diensten, het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als belasting verschuldigd in ieder geval twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. Een betaling in de zin van artikel 29, lid 2, van de Wet OB kan ook door schuldvernieuwing plaatsvinden (vgl. HR 11 juli 2008, nr. 41 335, LJN AY5990). Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de vorderingen van D zijn vervallen omdat de door belanghebbende gestelde feiten wijzen op schuldvernieuwing, zoals belanghebbende stelt, of dat belanghebbende en D met de onder 2.2 tot en met 2.10 genoemde feiten in wezen een (nadere) betalingsregeling met betrekking tot de schulden van belanghebbende hebben getroffen en hebben willen treffen, zoals de Inspecteur stelt.

4.3 Belanghebbende heeft zich in het onder 4.2 geschetste kader primair op het standpunt gesteld dat op 12 augustus 2002 een bespreking heeft plaatsgevonden tussen haar en D waarin afspraken zijn gemaakt die inhielden dat het bestaande leverancierskrediet aan belanghebbende van D is geconverteerd in een bedrijfsfinanciering waarmee de openstaande schulden aan D zijn betaald als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de Wet OB, en dat deze afspraak op 19 augustus 2002 is bevestigd. Belanghebbende, die ter zake van deze stelling de bewijslast draagt aannemelijk te maken dat het leverancierskrediet is beëindigd, heeft daarvan naar het oordeel van het Hof op onvoldoende wijze blijk gegeven. Uit hetgeen belanghebbende heeft aangedragen, kan niet worden opgemaakt dat de schuld aan D ter zake van de geleverde caravans is komen te vervallen. Evenmin heeft belanghebbende haar stelling dat ten aanzien van iedere nadien door D aan belanghebbende verstuurde factuur na ommekomst van de daarop vermelde vervaltermijn van 30 dagen na factuurdatum steeds sprake zou zijn van conversie van een leverancierskrediet in een bedrijfsfinanciering aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat na ommekomst van de vervaltermijn door D een rente wordt bedongen maakt niet dat er vanaf dat moment sprake is van een bedrijfsfinanciering. Naar het oordeel van het Hof kon D ook na 19 augustus 2002 nakoming van de debiteurverplichting van belanghebbende vorderen.

4.4 Subsidiair heeft belanghebbende zich in het onder 4.2 geschetste kader op het standpunt gesteld dat het geheel van feiten die hebben plaatsgevonden in de periode van 12 augustus 2002 tot en met 1 november 2006, ertoe heeft geleid dat geoordeeld moet worden dat het leverancierskrediet van D aan belanghebbende is geconverteerd in een bedrijfsfinanciering. Naar het Hof begrijpt, bedoelt belanghebbende met haar subsidiaire standpunt te stellen dat zich voor schuldvernieuwing relevante feiten hebben voorgedaan in de periode vanaf 12 augustus 2002, welke uiteindelijk gecompleteerd zijn op 1 november 2006 op welk moment zich de schuldvernieuwing heeft voorgedaan. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende die stelling evenmin aannemelijk gemaakt. Het Hof ziet geen aanleiding om te oordelen dat de onder 2.6 tot en met 2.10 genoemde feiten inhouden dat D afstand heeft gedaan van haar vorderingen en een bedrijfsfinanciering aan belanghebbende heeft verstrekt. Uit het geheel van feiten en uit de tekst van de onder 2.10 genoemde vaststellingsovereenkomst blijkt dat de dealerovereenkomst, waaruit de schulden sinds het aangaan daarvan op 19 augustus 2002 voortvloeien, ook na 1 november 2006 nog steeds van kracht was. Naar het oordeel van het Hof kon D derhalve ook na 1 november 2006 nakoming van de debiteurverplichting van belanghebbende vorderen.

4.5 Uit de onder 4.3 en 4.4 gegeven oordelen volgt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat door haar betaling in de zin van artikel 29, lid 2, van de Wet OB, door middel van schuldvernieuwing, heeft plaatsgevonden. In zoverre is de ter zake van de schulden van belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting terecht nageheven.

4.6 Belanghebbende heeft weliswaar in eerste aanleg bij gebrek aan wetenschap het bedrag betwist, doch nadat de Inspecteur ter zitting van het Hof deze bedragen heeft toegelicht, heeft de Inspecteur tevens onweersproken gesteld dat in het gehele bedrag van

€ 1.842.339,35 omzetbelasting is begrepen. Het Hof is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag tot op een juist bedrag is opgelegd.

4.7 Belanghebbende heeft tot slot nog als grief aangevoerd dat de naheffingsaanslag ondeugdelijk is gemotiveerd en dat de Inspecteur (daarmee) onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld. Volgens belanghebbende is niet na te gaan of daadwerkelijk alle posten ter zake van geleverde caravans omzetbelasting bevatten die door belanghebbende in aftrek was gebracht. Nu belanghebbende niet betwist dat er omzetbelasting in aftrek is gebracht en zij desgevraagd het Hof ter zitting heeft medegedeeld aan deze stelling enkel de conclusie te verbinden dat de gehele naheffingsaanslag vernietigd dient te worden, en zij geen vermindering van de naheffingsaanslag voorstaat, oordeelt het Hof dat, wat er ook zij van de gestelde onzorgvuldige behandeling en/of ondeugdelijk motivering, dit niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag kan leiden.

slotsom

Gezien het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 11 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (E. Polak)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 oktober 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.