Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7477

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
24-000495-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake mishandeling van een gerechtsdeurwaarder en bedreiging van haar buurvrouw veroordeeld tot een werkstraf van 50 uren.

De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 250 aan immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000495-11

Uitspraak d.d.: 10 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 maart 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1957],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot 50 uren werkstraf en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 250,- met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr. A. Taner, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij:

feit 1:

op of omstreeks 28 juli 2009 in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [slachtoffer], in zijn functie van toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (te weten na het uitreiken van een dagvaarding), met kracht met een (half gevuld) plastic flesje water tegen/in/op het gezicht en/of de wang, althans op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 2:

op of omstreeks 13 april 2009 in de gemeente [gemeente] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, en/of met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde] dreigend de woorden toegevoegd :"ik trap je dood" en/of "jullie huis zou een mooie fakkel kunnen zijn" en/of "ik gooi een brandbom je woning naar binnen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat zij:

feit 1:

op 28 juli 2009 in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [slachtoffer], in zijn functie van toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (te weten het uitreiken van een dagvaarding), met kracht met een (half gevuld) plastic flesje water tegen de wang heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden;

feit 2:

op 13 april 2009 in de gemeente [gemeente] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde] dreigend de woorden toegevoegd :"ik trap je dood" en "jullie huis zou een mooie fakkel kunnen zijn" en "ik gooi een brandbom je woning naar binnen".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met brandstichting.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een gerechtsdeurwaarder die een dagvaarding kwam uitreiken voor de zoon van verdachte. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer aangetast. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan, nu het van groot maatschappelijk belang is dat gerechtsdeurwaarders zonder gevaar voor lijf en goed hun functie kunnen uitoefenen.

Voorts heeft verdachte haar buurvrouw met de dood en met brandstichting bedreigd en daarmee gevoelens van angst en onveiligheid bij haar veroorzaakt. Een en ander is treffend tot uitdrukking gebracht in de schriftelijke slachtofferverklaring.

Het hof houdt bij de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening met het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 juli 2011, waaruit blijkt dat verdachte al herhaaldelijk wegens - onder meer - geweldsdelicten is veroordeeld en transacties heeft voldaan.

Het hof is van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal opnieuw gevorderde werkstraf voor de duur van 50 uren passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 900,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 250,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 63, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. H. Heins en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. de Ruijter, griffier,

en op 10 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.