Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7285

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
24-001381-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis met uitzondering van de straf. Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten (tweemaal medeplegen van opzettelijke brandstichting, medeplegen van een poging tot afpersing en medeplegen van een woninginbraak) en de ad informandum gevoegde feiten, wordt een hogere gevangenisstraf (36 maanden) opgelegd dan in eerste aanleg. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte (o.a.: licht verminderd toerekeningsvatbaar, jeugdige leeftijd, first offender), wordt evenwel de helft van deze gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opgelegd, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder toezicht van de VNN stelt, ook indien dit inhoudt dat aan hem een meldingsgebod en/of een behandelverplichting zal worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001381-11

Uitspraak d.d.: 6 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 23 juni 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1 tot en met 4 en de ad informandum ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan

24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder toezicht van de reclassering stelt, ook indien dit inhoudt dat aan verdachte een meldingsgebod en een behandelverplichting wordt opgelegd. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk verklaart en de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 4] 1894 en [benadeelde 5] toewijst, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. K.B. Spoelstra, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zulks met uitzondering van de strafoplegging. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Toepassing sanctierecht volwassenen

Het hof ziet in de persoonlijkheid van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting en uit de deskundigenrapportage van psychiater Takkenkamp d.d. 29 mei 2011 is gebleken, alsmede in de ernst van de bewezen verklaarde feiten, aanleiding om voor wat betreft het onder 4 bewezen verklaarde feit alsmede het ad 1 ad informandum gevoegde feit, toepassing te geven aan het sanctierecht voor volwassenen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan een reeks ernstige misdrijven.

De eerste twee bewezen verklaarde feiten betreffen het medeplegen van opzettelijke brandstichtingen op respectievelijk 30 januari 2011 en 3 februari 2011. Verdachte heeft op eerstgenoemde datum tezamen met zijn medeverdachte het clubhuis van de plaatselijke hockeyvereniging in brand gestoken. Hierdoor is een groot deel van het clubhuis verwoest. Enkele dagen later hebben verdachte en zijn mededaders in een leegstaand tuincentrum brand gesticht. Ook in dit pand is veel brandschade ontstaan. Brandstichting is een ernstig feit dat naast gevaarzetting ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt. Dit geldt te meer indien het betrekking heeft op gebouwen in de woonomgeving van mensen. Verdachte en zijn mededaders hebben met hun handelen ook daadwerkelijk schade bij de gedupeerden veroorzaakt en op die manier inbreuk gemaakt op hun eigendomsrechten.

Het derde bewezen verklaarde feit, gepleegd op 2 februari 2011, betreft het medeplegen van een poging tot afpersing. Verdachte en zijn mededaders hebben die dag een bus tot stoppen gemaand en hebben de chauffeur vervolgens met een mes bedreigd, teneinde hem tot afgifte van geld te dwingen. Hierbij hadden zij zich onherkenbaar vermomd. Dat de overval niet is geslaagd, is te danken aan adequaat optreden van de chauffeur. Dat verdachte zich kennelijk alleen heeft laten leiden door financieel gewin en zich in het geheel niet heeft bekommerd om de nadelige gevolgen voor het slachtoffer en eventuele buspassagiers is stuitend.

Het laatste bewezen verklaarde feit betreft een woninginbraak. Verdachte is in de periode van 18 december tot 28 december 2010 met een aantal mededaders naar de woning gegaan van een vriend van verdachte, waarbij in verband met zijn kameraadschap bekend was dat zijn vriend en moeder op vakantie waren en de woning derhalve verlaten was. Verdachte en zijn mededaders hebben een ruit van deze woning ingeslagen en hebben vervolgens diverse waardevolle goederen meegenomen. Slachtoffers van een woninginbraak kunnen hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hun vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen wanen. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn wetenschap dat de woning was verlaten en heeft het vertrouwen van de bewoners ernstig beschaamd.

Bij de straftoemeting worden 7 ad informandum gevoegde feiten mede in aanmerking genomen. Dit betreft de feiten die op de inleidende dagvaarding staan vermeld onder het parketnummer 670083-11 (nr. 1, 3, 5 t/m 8, zijnde twee gekwalificeerde diefstallen en vier brandstichtingen) en het nadien nog toegevoegde ad informandum gevoegde feit (vernieling van meerdere ramen van de basisschool [naam] te [plaats] in augustus 2010). Verdachte heeft deze ad informandum gevoegde feiten ter terechtzitting erkend. Hiermee zijn deze feiten afgedaan.

De aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten alsmede de mee te wegen ad informandum gevoegde feiten, rechtvaardigen oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In tegenstelling tot de door de rechtbank opgelegde straf komt dit aspect in de door de advocaat-generaal gevorderde straf voldoende tot uitdrukking.

De hiernavolgende persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn gebleken, zijn echter aanleiding om in gunstige zin af te wijken van de door de advocaat-generaal gevorderde straf.

Aannemelijk is geworden dat verdachte door een opeenstapeling van ingrijpende gebeurtenissen in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen. Zo is in de periode voorafgaand aan de strafbare feiten verdachtes vader in Duitsland gedetineerd geraakt en moest verdachte daardoor stoppen met zijn opleiding die gericht was op een loopbaan bij de politie. Daarnaast beëindigde de vriendin van verdachte hun relatie en pleegde een vriend zelfmoord. Door deze tegenslagen is verdachte overmatig gaan blowen en drinken, hetgeen een leidende rol lijkt te hebben gespeeld bij het plegen van de strafbare feiten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inziet dat dit middelengebruik een probleem is en dat hij hiervoor behandeld moet worden. Ook heeft verdachte aangegeven weerbaarder te willen worden, en hiervoor een training te willen volgen.

Psychiater B.T. Takkenkamp concludeert in zijn rapportage Pro Justitia d.d. 29 mei 2011, dat verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten leed aan een aanpassingsstoornis, met een gemengde stoornis van emoties en gedrag alsmede alcoholafhankelijkheid en cannabisafhankelijkheid ten tijde van de hem ten laste gelegde delicten. Als gevolg van de aanpassingsstoornis en de gemengde stoornis van emoties en gedrag is verdachte volgens Takkenkamp als licht verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken. Het hof kan zich in deze conclusie vinden en rekent - met de rechtbank - de bewezen verklaarde feiten in licht verminderde mate aan verdachte toe.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard spijt te hebben van zijn daden en zijn leven te zullen beteren. Hoewel het hof enige aarzeling heeft over de oprechtheid van verdachte in dit kader, wil het hof verdachte de kans geven zijn goede voornemens te bewijzen. Hierbij speelt de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 10 februari 2011 niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, een belangrijke rol.

Alles afwegende zal het hof verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen. Gezien het hiervoor overwogene omtrent de persoonlijke omstandigheden zal het hof evenwel de helft van deze gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, met een proeftijd van 2 jaren. Dit voorwaardelijke deel van de straf dient als een stevige stok achter de deur, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te begaan. Het hof stelt hierbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder toezicht van de verslavingsreclassering stelt, nu zij hem hierbij de nodige hulp en steun kunnen bieden. Het toezicht kan ook inhouden dat aan verdachte een behandelverplichting en/of een meldingsgebod wordt opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 47, 57, 77b, 157, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van de Verslavingszorg Noord Nederland te Winschoten en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze namens deze instelling te geven, ook indien dit inhoudt dat aan verdachte een meldingsgebod en/of een behandelverplichting zal worden opgelegd.

Geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 6 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.