Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT6842

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
BK 11/00022 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de allocatie van de koopsom, zoals hiervoor – 2.2 – is weergegeven, heeft genegeerd en daarvan een bedrag van € 200.000 aan de ondergrond van de vorenbedoelde windturbine heeft toegerekend met als gevolg dat in zoverre sprake is van een winstcomponent die onderdeel uitmaakt van de door belanghebbende behaalde stakingswinst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2434
V-N 2012/2.11 met annotatie van Redactie
FutD 2011-2421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00022

uitspraakdatum: 4 oktober 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, Nieuw Zeeland (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 december 2010, nummer AWB 09/2755,

in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 557.718. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 23.651

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 15 december 2010, verzonden op 16 december 2010, gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 550.718 en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende alsmede gelast dat de Staat het griffierecht aan belanghebbende betaalt.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur beantwoord.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en A, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door B, beiden verbonden aan C N.V.. alsmede de echtgenote van belanghebbende. Namens de Inspecteur was aanwezig mr. D, bijgestaan door E.

1.7 Partijen hebben een pleitnota overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen staat vermeld in de uitspraak van de Rechtbank. In die uitspraak zijn de feiten als volgt weergegeven, waarbij het Hof “eiser” heeft gewijzigd in “belanghebbende” en “verweerder” in “de Inspecteur". Het Hof heeft deze feiten vernummerd tot 2.1 tot en met 2.6.

2.1 In 2003 zet belanghebbende zijn akkerbouwbedrijf (hierna: het bedrijf) te L, gemeente Eemsmond, te koop. Belanghebbende wil emigreren naar Nieuw Zeeland. Het bedrijf bestaat uit de boerderijen F en G en de daarbij behorende landerijen. Op het bedrijf worden suikerbieten, pootaardappelen, peen, granen, graszaad spruitkool en bolgewassen geteeld.

2.2 Bij overeenkomst van 10 november 2003 heeft belanghebbende het bedrijf voor € 5.510.000 verkocht aan H B.V. (hierna: de BV). De schriftelijke vastlegging van deze overeenkomst is gedagtekend 3 december 2003. Bij notariële akte van 20 januari 2004 is het bedrijf aan (de, Hof) BV geleverd. In deze akte is de koopprijs als volgt gesplitst:

Opstallen € 599.500

Ca. 3.500 bewaarkisten - 167.500

Sorteerinstallatie - 50.000

Erf, tuin, onder- en omliggende grond van de opstallen - 266.500

Landerijen - 4.389.575

Basisreferentie suikerrechten ca.105.500 kg - 36.925

Totaal € 5.510.000

2.3 De landerijen hebben een totale oppervlakte van ongeveer 126.92.05 ha. De overige grond heeft een totale oppervlakte van ongeveer 2.13.25 ha. Tot de opstallen behoort een windturbine die in 1996 was gebouwd. Ten tijde van de verkoop van het bedrijf had de gemeente Eemsmond als beleid dat er geen nieuwe windturbines mochten worden gebouwd, maar dat een bestaande windturbine mocht worden vervangen, eventueel door een turbine met een grotere capaciteit.

2.4 Op 28 juni 2004 is belanghebbende naar Nieuw Zeeland vertrokken. Begin augustus 2004 is namens de BV een bouwvergunning aangevraagd voor vervanging van de windturbine door één met een grotere capaciteit. Deze vergunning is op 13 september 2004 verleend.

2.5 Voor het jaar 2004 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning (hierna: inkomen) aangegeven van € 358.718. Voor zover hier van belang kan het inkomen als volgt worden gespecificeerd:

Winst uit onderneming € 2.518.209

Af: landbouwvrijstelling (= verkoopwinst grond) € 1.957.285

Stakingsvrijstelling - 5.808

- 1.963.093

555.116

Af: ander inkomen (per saldo negatief) - 196.398

Inkomen € 358.718

2.6 Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur (het, Hof) aangegeven (…) inkomen verhoogd met € 199.000 en de aanslag vastgesteld naar een inkomen van € 557.718. De Inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat van de verkoopwinst van de grond een bedrag van € 199.000 kan worden toegerekend aan de ondergrond van de windturbine en dat dit bedrag niet onder de landbouwvrijstelling valt. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een opbrengst van € 200.000 en een boekwaarde van € 1.000.

Het Hof stelt voorts de volgende feiten vast:

2.7 Belanghebbende en de BV zijn van elkaar onafhankelijke derden.

2.8 De windturbine en de ondergrond daarvan behoorden tot aan de verkoop van het bedrijf tot belanghebbendes ondernemingsvermogen. De windturbine werd uitsluitend gebruikt voor (terug)leveranties aan het energiebedrijf en vervulde geen functie ten behoeve van de binnen het bedrijf uitgeoefende landbouw.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de allocatie van de koopsom, zoals hiervoor – 2.2 – is weergegeven, heeft genegeerd en daarvan een bedrag van € 200.000 aan de ondergrond van de vorenbedoelde windturbine heeft toegerekend met als gevolg dat in zoverre sprake is van een winstcomponent die onderdeel uitmaakt van de door belanghebbende behaalde stakingswinst.

3.2 Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – bedoelde vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de bestreden aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 358.718.

3.3 De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – bedoelde vraag bevestigend. De Inspecteur stelt zich in zijn incidentele hoger beroep op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte de waardestijging van de grond voordat de eerste windmolen is gerealiseerd op € 7.000 heeft gesteld en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Het Hof stelt voorop dat partijen ter zitting desgevraagd eenparig hebben verklaard dat de toepassing van de landbouwvrijstelling tussen hen niet meer in geschil is. Voor het geval dat het Hof mocht beslissen dat de door de Inspecteur voorgestane toerekening van € 200.000 in verband met de koopsom voor het verkochte bedrijf moet worden toegerekend aan de vorenbedoelde (ondergrond van de) windturbine, zijn partijen van mening dat op de daarmee behaalde winst niet de landbouwvrijstelling van artikel 3.12 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) van toepassing is, behoudens voor zover de waardestijging van de ondergrond van de windturbine is ontstaan voordat de eerste windturbine in 1996 is geïnstalleerd. Partijen houdt enkel verdeeld het antwoord op de vraag of van de overeengekomen koopsom voor het bedrijf een bedrag van € 200.000 moet worden toegerekend aan de (ondergrond van de) windturbine.

4.2 De Inspecteur heeft primair gesteld dat de tussen belanghebbende en de BV bij de (naar de mening van de Inspecteur: beweerdelijk) overeengekomen verdeling van de koopprijs (zie 2.2 hiervoor), welke door de BV voor het bedrijf als geheel is betaald, voor de heffing van de IB/PVV niet van belang is, omdat, naar zijn mening, het behaalde resultaat, en, naar het Hof begrijpt, de vorenbedoelde allocatie van de koopsom voor het bedrijf objectief moet worden bepaald.

4.3 Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn primaire stelling. Voor het antwoord op de vragen of van de vermelde koopsom een gedeelte, te weten € 200.000, moet worden toegerekend aan de (ondergrond van de) winturbine, en of dit deel tot belanghebbendes stakingswinst moet worden gerekend, vormt de omstandigheid dat aan de (ondergrond van de) winturbine waarde kan worden toegekend, anders dan de Inspecteur meent, onvoldoende grondslag voor een bevestigende beantwoording van de hiervoor onder 3.1 vermelde vragen. Daarvoor is immers beslissend of, en zo ja tot welk bedrag, koper en verkoper in werkelijkheid een prijs zijn overeengekomen voor de (ondergrond van de) winturbine (Vgl. Hoge Raad 18 december 1996, LJN: AA1797, gepubliceerd in onder meer BNB 1997/60).

4.4 Subsidiair heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat partijen in wezen een andere verdeling van de koopsom zijn overeengekomen dan zij in de hiervoor – onder 2.2 – bedoelde akte hebben gepresenteerd in die zin dat zij ten onrechte niet een bedrag van € 200.000 hebben toegerekend aan de hiervoor genoemde (ondergrond van de) windturbine (relatieve simulatie).

4.5 Het Hof is van oordeel dat op de Inspecteur, bij de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, de last rust aannemelijk te maken dat bij de verkoop van het bedrijf aan de (ondergrond van de) windturbine € 200.000 had moeten worden toegerekend, omdat partijen in werkelijkheid een andere allocatie van de totale koopprijs zouden hebben voorgestaan.

4.6 Vaststaat dat belanghebbende zijn bedrijf heeft verkocht aan een onafhankelijke derde, zodat de tussen hen overeengekomen koopprijs voor het bedrijf in beginsel in zijn geheel als zakelijk moet worden beschouwd. Hieruit volgt evenwel niet automatisch dat de door de partijen overeengekomen verdeling van die koopprijs over de (ondergrond van de) windturbine en de overige bestanddelen van het bedrijf in overeenstemming met de werkelijkheid was (vgl. HR 25 oktober 2000, nr. 35 686, LJN AA7842, gepubliceerd in onder meer V-N 2000/49.15). De feiten laten immers de mogelijkheid toe dat de oorzaak van de toerekening van een te klein gedeelte van de koopprijs aan de (ondergrond van de) windturbine, als onderdeel van de opstallen als geheel, ligt in de toerekening van een te groot gedeelte van de koopprijs aan de andere vermogensbestanddelen. Reeds omwille van de berekening van de landbouwvrijstelling moet alsdan een toerekening van het juiste bedrag aan het juiste vermogensbestanddeel plaatsvinden.

4.7 Naar de Inspecteur ter zitting desgevraagd heeft verklaard impliceert zijn hiervoor – onder 4.5 – weergegeven stelling dat belanghebbende en de koper zich bij de verkoop van de windturbine bewust waren van het feit dat de (ondergrond van de) windturbine een substantieel hogere waarde had dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming.

4.8 De Inspecteur heeft daartoe in de door hem ingebrachte gedingstukken en in het verhandelde ter zitting onder meer op de volgende omstandigheden gewezen:

- belanghebbende was, zoals blijkt uit zijn schriftelijke verklaring die hij heeft overgelegd op de hoorzitting op 30 juli 2009, op de hoogte van het provinciale beleid ter plaatse en wist dat de exploitant van een bestaande windturbine een bouwvergunning kon krijgen voor een vervangende windturbine met een grotere capaciteit, terwijl geen bouwvergunning verkregen kon worden voor een nieuwe windturbine;

- belanghebbende is, in het voorjaar van 2003, voorafgaand aan de verkoop van het bedrijf, benaderd door de heer I van v.o.f. J te M, een deskundige op het gebied van de exploitatie van windturbines (hierna: I) en die gegadigde was voor de (ondergrond van de) windturbine;

- I heeft de (ondergrond van de) windturbine daadwerkelijk gehuurd van de BV voor een huurprijs van € 20.000, kort nadat deze laatste een bouwvergunning voor een windturbine met een grotere capaciteit heeft aangevraagd en verkregen;

- de mogelijkheid om de (ondergrond van de) windturbine te verhuren is ook aan belanghebbende aangeboden;

- belanghebbende zich bij de verkoop heeft laten adviseren door een waardedeskundige, de heer ing. K, makelaar te L;

- in de advertentie waarin het bedrijf te koop werd aangeboden, werd de reeds bestaande windturbine apart genoemd;

- Belanghebbende heeft in 1998 een tweede koelloods opgericht die op het verzwaarde elektriciteitsnet kon worden aangesloten en

- Collega-boeren in de omgeving van het bedrijf hebben in de jaren na 1998 nieuwe windturbines opgericht met een grotere capaciteit dan die van belanghebbende.

4.9 Naar het oordeel van Hof, heeft de Inspecteur met al hetgeen hij in dat verband naar voren heeft gebracht, waaronder de hiervoor – onder 4.8 – genoemde omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende en de koper in november 2003 wisten dat de (ondergrond van de) windturbine een substantieel hogere waarde had dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming. Zo op grond van de door de Inspecteur genoemde omstandigheden al sprake zou zijn van een bewijsvermoeden dat belanghebbende en de koper zich bewust waren van een aanzienlijk hogere waarde van de ondergrond van de windturbine dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming waar partijen bij de vorenbedoelde verdeling van de koopsom van zijn uitgegaan, dan is het Hof van oordeel dat belanghebbende dit vermoeden voldoende heeft ontzenuwd met hetgeen hij naar voren heeft gebracht, onder meer in zijn door het Hof geloofwaardig geachte verklaring ter zitting dat hij op het moment van de verkoop niet op de hoogte was van een rendabele mogelijkheid tot vervanging van de bestaande windturbine door een met een grotere capaciteit in verband met de inpasbaarheid daarvan op het elektriciteitsnet. Het vorenstaande brengt het Hof tot het oordeel dat de Inspecteur niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd.

4.10 Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de gevolgtrekking dat er geen redenen zijn gebleken om af te wijken van de hiervoor – onder 2.2 – bedoelde verdeling van de koopsom voor het bedrijf, zodat de landbouwvrijstelling overeenkomstig de door belanghebbende voor het onderhavige jaar ingediende aangifte IB/PVV € 1.957.285 bedraagt. Het door de Inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroep behoeft, gelet op het vorenoverwogene, geen behandeling meer.

4.11 Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (Vgl. Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd, mitsdien dient de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de opgelegde aanslag.

Slotsom

4.12 Op grond van het vorenstaande het hoger beroep gegrond.

Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep (2 punten ? wegingsfactor 1 ? € 437 = € 874) en het hoger beroep (2 punten ? wegingsfactor 1 ? € 437 = € 874) heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.748.

6. Beslissing

Het Hof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 358.718,

– vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.748 en

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 112 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. E. Polak,

in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 4 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 oktober 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.