Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT6823

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
200.099.357/01 EN 200.091.203/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW4003, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW4003
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Cyanoseaanvallen van baby. Moeder ontheven van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 27 september 2011

Zaaknummer 200.088.357 en 200.091.203

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak met zaaknummer 200.088.357 van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D. Jakobs, kantoorhoudende te Emmen,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

kantoorhoudende te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [de pleegouders],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders,

3. William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

kantoorhoudende te Diemen,

hierna te noemen: WSJ,

en in de zaak met zaaknummer 200.091.203 van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D. Jakobs, kantoorhoudende te Emmen,

tegen

William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudende te Diemen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: WSJ.

Belanghebbenden:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [de pleegouders],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders,

3. de Raad voor de Kinderbescherming,

kantoorhoudende te Groningen,

hierna te noemen: de raad.

Het geding in eerste aanleg

In de zaak met zaaknummer 200.088.357

Bij beschikking van 2 maart 2011 heeft de rechtbank Assen de moeder ontheven van het gezag over de minderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 2008]. De rechtbank heeft Bureau Jeugdzorg Drenthe (hierna: BJZ) benoemd tot voogd, met de opdracht de voogdij te laten uitvoeren door WSJ.

In de zaak met zaaknummer 200.091.203

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 26 april 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen de termijn van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 2008], met ingang van 6 mei 2011 verlengd voor de termijn van een jaar. Voorts is daarbij de machtiging uithuisplaatsing conform en ter effectuering van het indicatiebesluit met ingang van 6 mei 2011 verlengd voor de termijn van een jaar.

Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.088.357

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 31 mei 2011, heeft de moeder verzocht de beschikking van 2 maart 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de raad, om de moeder te ontheffen van het gezag over de minderjarige en BJZ tot voogd te benoemen, alsnog af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 18 juli 2011, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief met bijlage van 6 juni 2011 en een brief met bijlage van 22 juli 2011, beide van mr. Jakobs.

In de zaak met zaaknummer 200.091.203

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 25 juli 2011, heeft de moeder verzocht de beschikking van 26 april 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige af te wijzen, dan wel gedeeltelijk af te wijzen en nader onderzoek te gelasten naar de opvoedkwaliteiten van de moeder.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 15 augustus 2011, heeft WSJ verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Bij brief, binnengekomen op de griffie op 1 augustus 2011, heeft de raad kortheidshalve verwezen naar het verweerschrift in de zaak met nummer 200.088.357.

In beide zaken

Ter zitting van 30 augustus 2011 zijn de zaken behandeld. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is verschenen de heer [medewerker 'de raad' ]. Namens WSJ zijn verschenen [namens WSJ] en [namens WSJ]. Hoewel behoorlijk opgeroepen is de vader niet verschenen. Namens het pleeggezin is hoewel behoorlijk opgeroepen - eveneens niemand verschenen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Uit de - inmiddels verbroken - affectieve relatie van de vader en de moeder is [kind 1] geboren. De moeder is belast met het gezag over [kind 1]. De vader heeft [kind 1] erkend.

2. Tijdens de zwangerschap van de moeder is door MEE een veiligheidsplan opgesteld vanwege de door de betrokken hulpverlening geuite zorgen met betrekking tot de pedagogische vaardigheden van de ouders. Naar aanleiding hiervan heeft de raad een rapportage opgesteld, waarin werd geconcludeerd dat de ouders een zeer beperkte draagkracht hebben, wat het opvoeden voor hen moeilijk en voor het kind risicovol maakt. De grootmoeder (moederszijde) heeft tot januari 2009 bij de ouders ingewoond. Op 10 februari 2009 is [kind 1] in het ziekenhuis is opgenomen met een beenbreuk. Onduidelijk was hoe de beenbreuk is ontstaan. Het letsel was niet passend bij de door de ouders genoemde mogelijke toedracht. Tijdens de opname van [kind 1] gaven de ouders zorgelijke signalen af en de vrees ontstond bij het ziekenhuis dat de ouders [kind 1] - na de ziekenhuisopname en het onderzoek - tegen het belang van [kind 1] in zouden meenemen. De raad heeft vervolgens een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg verzocht, welke bij beschikking van 11 februari 2009 zijn verleend. Op 13 februari 2009 is [kind 1] in een (geheim) pleeggezin geplaatst.

3. De voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging zijn vervolgens bekrachtigd op 4 maart 2009 en verlengd tot 11 mei 2009. Bij beschikking van 6 mei 2009 is de ondertoezichtstelling uitgesproken voor de termijn van een jaar, ingaande op 6 mei 2009, en is de machtiging tot uithuisplaatsing voor dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg met een half jaar verlengd tot 6 november 2009. Het verzoek met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden met het verzoek aan WSJ om uiterlijk 14 oktober 2009 te rapporteren over de stand van zaken en of de ouders mogelijkheden hebben zelf voor [kind 1] te zorgen met behulp van een 24-uursbegeleiding. Bij beschikking van 3 november 2009 is de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht tot 6 mei 2010 verlengd. Op dat moment was het onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de ouders vanwege de lange wachtlijsten bij observatiecentrum 'De Eekwal' nog niet begonnen.

4. De ouders zijn op 16 november 2009 gestart met de opname in De Eekwal en vanaf 18 december 2009 verbleef [kind 1] bij de ouders in De Eekwal. Deze opname had als doel onderzoek te doen naar een mogelijke terugplaatsing van [kind 1] bij de ouders. Op 22 januari 2010 is [kind 1] weer teruggeplaatst in het pleeggezin, omdat De Eekwal de veiligheid van [kind 1] niet langer kon waarborgen. Er waren al zorgen over de wijze waarop de moeder met [kind 1] omging - vrij ruw - maar nadat [kind 1] in De Eekwal drie keer blauw was aangelopen, zij stopte met ademhalen en slap werd, was haar veiligheid in het geding. Gebleken is dat dit alle drie de keren gebeurde terwijl de moeder alleen met [kind 1] was. De arts van De Eekwal heeft [kind 1] onderzocht en heeft geen medische oorzaak gevonden voor deze symptomen. [kind 1] is vervolgens op 28 januari 2010 onderzocht door een kinderarts, die eveneens geen lichamelijke oorzaak heeft gevonden voor de cyanoseaanvallen (het blauw aanlopen) van [kind 1].

5. Op 25 januari 2011 heeft de raad bij de rechtbank een verzoek ingediend tot ontheffing van de moeder van het gezag over [kind 1].

6. Op 14 maart 2011 heeft WSJ bij de rechtbank een verzoek ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.

7. Bij de beschikkingen waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissingen van de rechtbank is het hoger beroep van de moeder gericht.

Ten aanzien van de ontheffing van het gezag

8. Op grond van artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over zijn kind worden ontheven indien hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging of opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Artikel 1:268 BW bepaalt vervolgens in het eerste lid dat ontheffing niet kan worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, hetgeen in het onderhavige geval aan de orde is, welke regel echter (onder meer) uitzondering lijdt indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat deze maatregel door de in artikel 1:266 BW genoemde onmacht of ongeschiktheid onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden (tweede lid, onder a). Dit betreft het zodanig opgroeien van een minderjarige, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd.

9. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van het kind naar de ouder. Uit de duur van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in deze, alsmede uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er geen perspectief is op terugkeer van [kind 1] naar de moeder.

10. WSJ heeft aangegeven dat zowel de beenbreuk als de cyanoseaanvallen van [kind 1] door de ouders lijken te zijn veroorzaakt. Door betrokkenen wordt gevreesd voor het leven en de gezondheid van [kind 1] als de moeder alleen met haar is. De moeder heeft gesteld dat op geen enkele wijze is aangetoond dat zij de symptomen van [kind 1] heeft veroorzaakt. De moeder meent dat er bij [kind 1] waarschijnlijk sprake is van 'Breath Holding Spells', welke - blijkens de door haar overlegde stukken - voorkomen in situaties waarin een kind erg boos of gefrustreerd is, erg bang is of pijn heeft.

Gelet op de conclusies van meerdere (kinder)artsen bestaat er naar het oordeel van het hof op dit moment geen reden om aan te nemen dat de symptomen van [kind 1] een medische oorzaak hebben. Hoewel de precieze toedracht van zowel de beenbreuk als de cyanoseaanvallen van [kind 1] (vooralsnog) onduidelijk is, is in ieder geval gebleken dat de ouders niet in staat zijn geweest [kind 1] voor deze incidenten en de mogelijke aanleidingen daarvoor te behoeden, terwijl eveneens is gebleken dat de cyanoseaanvallen zich niet hebben voorgedaan gedurende de periode dat [kind 1] in het pleeggezin verblijft of heeft verbleven.

11. Voorts komt uit het eindverslag van De Eekwal naar voren dat er bij de moeder sprake is van forse persoonlijkheidsproblematiek, mede vanuit een traumatisch verleden, waarbij met name haar rigiditeit en haar verstandelijke beperking therapeutische groei moeilijk maken. De onderzoeker van De Eekwal heeft aangegeven dat de moeder vaak zeer achterdochtig, en soms vijandig tegenover andere mensen is. Zij is daarbij sterk geneigd om intolerant en ongeduldig te zijn en heeft vaak een negatieve instelling. Haar profiel toont hoge scores op zowel rigiditeit, verongelijktheid en zelfgenoegzaamheid; dit past bij iemand met een dogmatische instelling. Dat wil zeggen dat de moeder geneigd is om meningen die afwijken van haar eigen opvattingen als bedreigend te ervaren, hetgeen haar moeilijk veranderbaar kan maken. Wanneer de adviezen in de opvoeding en omgang met [kind 1] niet stroken met de visie van de moeder, kan zij dat moeilijk accepteren. Zo is herhaaldelijk naar de moeder benoemd dat zij teveel verwacht van [kind 1] en dat zij haar (te) ruw en hardhandig benadert; dit wordt door haar echter onvoldoende onderkend. Voorts blijkt uit het eindverslag van De Eekwal dat de moeder de opvoedingssituatie van [kind 1] zeer positief beleeft. Zij is van mening dat ze over de vaardigheden beschikt om [kind 1] op te voeden en dat zij grip en invloed heeft op de opvoedingssituatie, terwijl De Eekwal dat niet kan bevestigen.

12. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de moeder, ondanks haar betrokkenheid op [kind 1], nu en in de toekomst niet geschikt en in staat zal zijn om [kind 1] te bieden wat zij nodig heeft bij haar verzorging en opvoeding. Niet gebleken is dat de situatie van de moeder sinds de opname in De Eekwal substantieel ten goede is gewijzigd. De zorgpunten, te weten de (verstandelijke) beperking van de moeder en haar gebrek aan inzicht in de ontwikkelingsbehoeften van haar dochter, zijn nog steeds aanwezig. Daarbij maakt de combinatie van de forse persoonlijkheidsproblematiek en een (licht) verstandelijke beperking bij de moeder, dat niet te verwachten is dat er (binnen afzienbare tijd) verbetering zal komen in haar situatie of mogelijkheden.

13. Het hof is van oordeel dat het belang van de moeder om het gezag over [kind 1] te behouden, niet opweegt tegen het zwaarwegende belang van [kind 1] op continuïteit en stabiliteit in haar leven. Zij woont vanaf twee maanden na haar geboorte - met een onderbreking van een maand - bij haar pleegouders en is daar gehecht en op haar plaats. Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, zoals hier het geval is, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren en dat is niet in het belang van [kind 1], die daar - gelet op haar leeftijd - in toenemende mee zal worden geconfronteerd. De moeder geeft immers bij herhaling aan dat zij wil dat [kind 1] thuis komt wonen. Het is in [kind 1]'s belang, dat voor alle betrokkenen duidelijk is dat zij opgevoed en verzorgd blijft worden door haar pleegouders. Het recht van [kind 1] op duidelijkheid, dat tevens voortvloeit uit artikel 3 en artikel 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, weegt zwaarder dan het belang van de moeder om het gezag over [kind 1] te behouden. Het hof wenst in dit verband nog te benadrukken dat de maatregel van ontheffing geen verwijtend karakter heeft jegens de moeder.

14. De moeder heeft in hoger beroep verzocht om een nader onderzoek naar haar pedagogische capaciteiten in de vorm van opname in een gezinsherenigingstraject bij GGZ Drenthe. Het hof acht een dergelijk onderzoek niet aangewezen. Ten tijde van de opname in De Eekwal zijn diverse onderzoeken verricht, waaronder een uitgebreid psychologisch onderzoek. Op basis van onder meer dat onderzoek heeft het hof destijds (bij eerdere beschikking van 4 november 2010) een terugkeer van [kind 1] naar huis niet verantwoord geacht. Het hof acht zich op grond van alle beschikbare stukken voldoende voorgelicht en ziet derhalve geen noodzaak voor het door de moeder verzochte onderzoek, te meer niet nu het belang van [kind 1] bij het behoud van een ongestoorde ontwikkeling een terugplaatsing naar de moeder verhindert.

Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing

15. Nu, zoals hiervoor is overwogen, het hof van oordeel is dat [kind 1] bij de pleegouders dient te blijven en de moeder ontheven dient te blijven van het gezag over [kind 1], kan een nadere bespreking door het hof van de grieven van de moeder ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing - wegens gebrek aan belang - achterwege blijven. Het hof zal deze verzoeken van de moeder afwijzen.

Slotsom

16. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

in de zaak met zaaknummer 200.088.357

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.091.203

wijst de verzoeken van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, A.H. Garos en H.J. de Ruijter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 september 2011 in bijzijn van de griffier.