Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT6774

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
24-000759-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

- Verdachte niet-ontvankelijk in zijn appel voor zover gericht tegen partiële nietigverklaring dagvaarding in eerste aanleg.

- Overweging omtrent binnentreden in de woning van verdachte. Verbalisanten mogen binnentreden na toestemming van iemand die zich presenteert als bewoner van de woning.

- Overweging omtrent het bewijs. Geweld wel gepleegd met het oogmerk van diefstal.

- Veroordeling ter zake van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- Verwerping noodweer(exces) verweer verdachte.

- Veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf en toewijzing vordering benadeelde partij, met schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000759-11

Uitspraak d.d.: 5 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 24 maart 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

ingeschreven staand en thans verblijvende in [verblijfplaats], T[adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 mei 2011, 14 juli 2011 en 21 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake het onder 1 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, ten bedrage van € 996,50, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. U.R. Slangenberg, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ter zake van het ten laste gelegde onder 2

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat het appel niet is gericht tegen de partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. Gelet hierop heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen voormelde partiële nietigverklaring, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep van belang - tenlastegelegd dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 26 november 2010, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

40 euro, althans geld,

een pinpas,

een mobiele telefoon

en/of (een pakje) sigaretten,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [benadeelde] heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt;

EN/OF

hij op of omstreeks 26 november 2010, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een persoon, genaamd [benadeelde], heeft gedwongen tot de afgifte van

40 euro, althans geld,

een pinpas,

een mobiele telefoon

en/of (een pakje) sigaretten,

in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [benadeelde] heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt;

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 26 november 2010, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] meermalen, althans éénmaal, onverhoeds en/of met grote kracht, met gebalde vuist, in het gezicht en/of op het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of toen die [benadeelde] op de grond lag, meermalen, althans éénmaal, met grote kracht, heeft geschopt en/of getrapt en/of (nogmaals, met grote kracht) heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het binnentreden van de woning van verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof betoogd - zakelijk weergegeven - dat het binnentreden van de woning van verdachte door de politie onrechtmatig is geweest, omdat de toestemming tot binnentreden is verleend door [medeverdachte] die daar niet woonde noch verbleef. Voorts heeft verdachte nadat de verbalisanten waren binnengetreden kenbaar gemaakt dat hij bezwaar had tegen de aanwezigheid van de agenten, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Nadat de betrokken verbalisanten op 26 november 2010 hadden aangebeld bij de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats], werd opengedaan door [medeverdachte]. Hiermee heeft [medeverdachte] zich gepresenteerd als de bewoonster van het huis. Desgevraagd gaf [medeverdachte] de verbalisanten toestemming de woning te betreden, waarop de agenten naar binnen zijn gegaan. Er bestaat geen algemene - uit regelgeving dan wel jurisprudentie voortvloeiende - verplichting voor verbalisanten om zich ervan te vergewissen dat zij daadwerkelijk met een bewoner van doen hebben. In het onderhavige geval mochten de verbalisanten er derhalve vanuit gaan dat [medeverdachte] gerechtigd was om toestemming te verlenen en mochten zij de woning betreden.

Indien meerdere bewoners op één adres wonen, heeft de toestemming van één bewoner in beginsel te gelden als vermoeden van instemming van alle bewoners. Dit wordt slechts anders indien een medebewoner nadien expliciet duidelijk maakt dat hij weigert toestemming te verlenen voor het binnentreden van de woning.

Verdachte en zijn raadsman hebben weliswaar betoogd dat verdachte uitdrukkelijk aan de verbalisanten te kennen zou hebben gegeven dat hij geen toestemming tot binnentreden verleende, maar die bewering mist feitelijke onderbouwing. Uit de betreffende processen-verbaal blijkt slechts dat verdachte zich coöperatief opstelde na binnenkomst van de verbalisanten en dat hij mededeelde dat er "niets aan de hand was". De door de verdachte en zijn raadsman geschetste gang van zaken is niet aannemelijk geworden. Het binnentreden op

26 november 2010 van de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] is derhalve rechtmatig geschied.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat het door verdachte uitgeoefende geweld niet is gepleegd met het oogmerk van diefstal, maar uit jaloezie. Derhalve kan diefstal met geweld niet bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman, omdat dit feitelijke grondslag mist en overigens zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 primair:

hij op 26 november 2010, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld,

een pinpas,

en een pakje sigaretten,

toebehorende aan [benadeelde], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of verdachtes mededader die [benadeelde] heeft gestompt en geslagen en geschopt;

EN

hij op 26 november 2010, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

[benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van

een mobiele telefoon,

toebehorende aan die [benadeelde], welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader die [benadeelde] heeft gestompt en geslagen en geschopt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof d.d. 21 september 2011 verklaard dat aangever een aantal bewegingen maakte, waarop hij - verdachte - meende dat hij werd aangevallen. Daarop heeft verdachte zich verweerd. Voor zover deze verklaring - hoewel dit niet uitdrukkelijk is betoogd door de verdachte of de raadsman - dient te worden opgevat als een beroep op noodweer(exces) wordt dit verworpen, nu uit de feiten en omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat op enig moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf.

Verdachte is strafbaar aangezien er ook voorts geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 26 november 2010 samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan diefstal en afpersing, waarbij de diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld, tegen aangever [benadeelde]. Hiermee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op zowel het eigendomsrecht als de lichamelijke integriteit van [benadeelde]. Verdachte heeft excessief geweld gebruikt, ten gevolge waarvan [benadeelde] onder andere zijn neus heeft gebroken. Hiervan heeft [benadeelde] gedurende twee weken dermate hevige pijn ondervonden, dat hij zich gedurende die periode ziek heeft moeten melden bij zijn werkgever.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij zijn gedragingen heeft gepleegd ten opzichte van een persoon die zich op dat moment in een kwetsbare positie bevond. Verdachte was op de hoogte van het feit dat [benadeelde] zojuist zijn vrienden was kwijtgeraakt tijdens het uitgaan en zich diep in de nacht moederziel alleen in een vreemde stad bevond. Hij heeft samen met [medeverdachte] op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van aangever. Daarbij speelt ook een rol dat [benadeelde] in de beslotenheid van de woning van verdachte werd mishandeld en derhalve niet in de gelegenheid was om makkelijk weg te komen. [benadeelde] heeft aangegeven dat hij zich op dat moment zeer ernstig bedreigd voelde en op enig moment zelfs dacht dat hij zou worden gedood.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van

21 juni 2011, waaruit ten nadele van verdachte blijkt dat vele malen eerder wegens strafbare feiten is veroordeeld, waaronder vermogensdelicten en delicten met een geweldselement, onder meer tot gevangenisstraffen van lange(re) duur.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden een passende en noodzakelijke bestraffing is. De aard en de ernst van de feiten maken dat niet volstaan kan worden met een lichtere strafmodaliteit of een gevangenisstraf van kortere duur.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 996,50. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente, toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, welke niet gemotiveerd weersproken is door de verdediging. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 november 2010 tot aan de dag van algehele voldoening.

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde], terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 996,50 (negenhonderdzesennegentig euro en vijftig cent) bestaande uit EUR 426,50 (vierhonderdzesentwintig euro en vijftig cent) materiële schade en EUR 570,00 (vijfhonderdzeventig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 996,50 (negenhonderdzesennegentig euro en vijftig cent) bestaande uit EUR 426,50 (vierhonderdzesentwintig euro en vijftig cent) materiële schade en EUR 570,00 (vijfhonderdzeventig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. H. Heins en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van S. van Krugten, griffier,

en op 5 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E. Pennink en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.