Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT6768

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
24-001139-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

- Overweging over voorwaardelijke opzet.

- Overweging over voorbedachte raad.

- Bewezenverklaring van poging moord.

- Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en toewijzing vordering benadeelde partij, met schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001139-11

Uitspraak d.d.: 5 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Assen van

24 mei 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

ingeschreven staand te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Zwolle PPC te Zwolle.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 7 juli 2011 en 21 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 593,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de in beslag genomen schoenen zullen worden teruggegeven aan verdachte. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. H.W. Knottenbelt, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 01 april 2010 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde] heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen/op de grond heeft gegooid/geduwd en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd heeft getrapt en/of geslagen en/of (daarbij) tegen die [benadeelde] heeft geroepen: "Ik vermoord je", althans woorden van gelijke aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 01 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [benadeelde] heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen/op de grond heeft gegooid/geduwd en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd heeft getrapt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 01 april 2010 in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen/op de grond heeft geduwd/gegooid en/of (vervolgens) meermalen tegen het hoofd heeft getrapt en/of aan de haren heeft getrokken en/of meegesleept, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden

Verdachte verblijft op 1 april 2010 - evenals aangever [benadeelde] - reeds enige tijd in het [naam], een instelling van het Leger des Heils aan de [straat] te [plaats]. Verdachte verdenkt al langere tijd een aantal personen in het [naam] ervan dat zij op beledigende en kwetsende wijze over hem spreken en hij ziet met name [benadeelde] als de aanstichter daarvan. Om die reden neemt hij zich vanaf 26 februari 2010 voor om [benadeelde] een "lesje te leren" en hij kiest daarvoor de datum 1 april 2010 uit. Verdachte heeft ten aanzien van het "leren van een lesje" telkens verklaard - ook ter terechtzitting in hoger beroep- dat hij [benadeelde] niet dood wilde maken. Op 1 april 2010 kiest verdachte het - voor hem - meest geschikte moment uit om [benadeelde] op te zoeken in zijn kamer. Verdachte wacht totdat de begeleiders van de afdeling af zijn om te lunchen en plaatst een stofzuiger met draaiende motor in de nabijheid van de kamer van [benadeelde]. Hij heeft de stofzuiger aangezet - zo heeft hij ook ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd - om te voorkomen dat anderen konden horen dat hij [benadeelde] ([benadeelde]) zou slaan.

Nadat verdachte heeft aangeklopt bij [benadeelde] en deze de deur van zijn kamer heeft geopend, stompt verdachte [benadeelde] meteen in zijn gezicht, die als gevolg daarvan op de grond valt.

Verdachte doet de deur van de kamer van [benadeelde] op slot en stompt [benadeelde] meerdere keren op en tegen het hoofd terwijl deze op de grond ligt, trekt hem aan zijn haren omhoog en slaat hem met zijn hoofd tegen de koelkast en een tv-meubel. Verdachte trapt hem ook tot bloedens toe in het gezicht en tegen zijn mond. [benadeelde] ziet op een gegeven moment kans bij de afgesloten deur van zijn kamer te komen, maar wordt dan opnieuw bij zijn haren vastgepakt door verdachte. Verdachte brengt [benadeelde] dan buiten de kamer en sleept hem vervolgens aan zijn haren over de grond naar een plek in de nabijheid van het biljart. Daar is [benadeelde] nog een aantal malen - minstens 5 keer - door verdachte met geschoeide voet en met kracht op/tegen zijn gezicht/hoofd getrapt. De getuige [getuige 1] beschrijft dat hij verdachte meerdere malen (5 tot 7 keer) met kracht op het gezicht van [benadeelde] ziet stampen en dat verdachte ook nadat hij, [getuige 1], verdachte heeft weggetrokken bij [benadeelde], nog een keer met kracht in het gezicht van [benadeelde] trapt. Een andere getuige ([getuige 2]) heeft verklaard dat er een bloedspoor liep vanaf de kamer van [benadeelde] naar het biljart.

In het dossier bevindt zich een letselrapportage van de GGD Drenthe d.d. 19 mei 2010 waaruit onder andere blijkt van een tiental letsels op/aan het hoofd c.q. in het gezicht van aangever [benadeelde]. Het gaat bij deze letsels om ontvellingen en (deels) forse en uitgebreide bloeduitstortingen, onder meer ter hoogte van beide ogen en neus en op het achterhoofd.

Verdachte verklaart dat hij [benadeelde] een aantal keren in de buik heeft getrapt en met het hoofd tegen een tafel heeft geslagen. Hij erkent dat hij ook in de richting van het hoofd van [benadeelde] heeft geschopt, maar ontkent dat hij [benadeelde] daarbij daadwerkelijk in het gezicht of tegen het hoofd heeft geraakt. Hij heeft verder in hoger beroep verklaard dat hij gewoon wilde trappen en [benadeelde] bewusteloos wilde maken.

Opzet

Hoewel de behandeling van de strafzaak in hoger beroep zich met name heeft toegespitst op de vraag of er sprake was van voorbedachten rade, overweegt het hof ten aanzien van de aanwezigheid van opzet het navolgende.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijke opzet op een bepaald gevolg - in de onderhavige casus de dood - aanwezig is indien een verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijke opzet zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Verdachte heeft aangever [benadeelde] met geschoeide voet meermalen met kracht tegen het hoofd getrapt. Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [benadeelde] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Contra-indicaties hiervoor heeft het hof niet aangetroffen. Gelet op het voorgaande komt het hof - evenals de rechtbank - tot het oordeel dat verdachte voorwaardelijke opzet had op de dood van [benadeelde].

Voorbedachten rade

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat de (onder primair) ten laste gelegde voorbedachten rade niet bewezen kan worden. Hij heeft daartoe betoogd dat het plan dat verdachte had niet was gericht op de levensberoving van [benadeelde], noch dat verdachte de tijd zou hebben gehad om zich te beraden op de gevolgen van zijn gedragingen. Derhalve kan de poging tot moord niet bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.

Voor het bewijs van voorbedachten rade is voldoende dat komt vast te staan dat verdachte de tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn genomen of te nemen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Of verdachte ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid is daarbij niet van belang.

Op grond van hetgeen het hof in het voorgaande heeft vastgesteld, acht het hof bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft geprobeerd om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven. Het met geschoeide voet met kracht in het gezicht trappen van [benadeelde] kan - bij elke trap op zich - dodelijk letsel veroorzaken. Verdachte stelt dat hij aangever [benadeelde] een lesje wilde leren toen hij hem opzocht in zijn kamer. Verdachte heeft het echter niet gelaten bij de gewelddadige gedragingen ten opzichte van [benadeelde] in diens kamer, maar heeft op enig moment, toen het geweld in de kamer leek te zijn geëindigd - en aangever een poging deed om aan verdachte te ontkomen- besloten om de mishandelingen van aangever buiten de kamer voort te zetten. Daartoe heeft hij hem over enige afstand - verdachte heeft zelf verklaard over een meter of 10 - aan zijn haren voortgesleept naar het biljart en heeft aangever daar vervolgens - wederom - op de door aangever en getuigen beschreven grove wijze gedurende 1 tot 2 minuten mishandeld.

Het hof is van oordeel dat verdachte tussen de eerste reeks mishandelingen in de kamer van aangever [benadeelde] en de tweede reeks gewelddadigheden bij het biljart voldoende gelegenheid heeft gehad om over zijn voorgenomen daden na te denken en zich rekenschap te geven van de betekenis en gevolgen daarvan. Desondanks heeft hij uitvoering gegeven aan deze potentieel dodelijke gedragingen. Derhalve komt het hof tot een bewezenverklaring van poging tot moord.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op 1 april 2010 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde] heeft geslagen en meermalen tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank heeft in haar vonnis opgenomen dat niet aan de indruk kan worden ontkomen dat er iets met verdachte aan de hand is. Het hof deelt die indruk en ziet zich evenals de rechtbank geconfronteerd met de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of het bewezenverklaarde al dan niet in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat verdachte zich eerder weinig coöperatief heeft opgesteld tijdens onderzoeken naar zijn geestvermogens en dat hij ten tijde van het onderzoek in eerste aanleg heeft geweigerd mee te werken aan een multidisciplinair onderzoek door het Pieter Baan Centrum. Het hof ziet daarin aanleiding verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. Verdachte is strafbaar nu ook van overige strafuitsluitingsgronden niet is gebleken.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 1 april 2010 gepoogd aangever [benadeelde] te vermoorden. Hij heeft aangever op zijn kamer mishandeld, hem nadien uit zijn kamer getrokken, vervolgens aan zijn haren over de gang gesleept, op de gang geslagen en meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd getrapt. [benadeelde] heeft het hierbij uitgeschreeuwd van de pijn en om hulp geroepen, vrezend dat hij ter plekke het leven zou laten. Slechts door ingrijpen van een derde heeft verdachte zijn gedragingen gestaakt, maar niet voordat hij [benadeelde] nog een laatste maal tegen zijn gezicht had getrapt. [benadeelde] heeft hierdoor meerdere blauwe plekken en ontvellingen in zijn aangezicht opgelopen.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij deze schokkende gedragingen heeft verricht in een omgeving waarin [benadeelde] zich veilig had moeten voelen en in het bijzijn van verscheidene getuigen. Het is niet aan verdachte te danken geweest dat een en ander is afgelopen zonder dat [benadeelde] is komen te overlijden. Als gevolg van de gedragingen van verdachte durft [benadeelde] niet meer zonder anderen weg te gaan en voelt hij zich onveilig als hij alleen is.

Daarnaast heeft verdachte geen blijk gegeven van inzicht in de strafwaardigheid van zijn gedragingen. Hij heeft geweigerd mee te werken aan diverse onderzoeken en heeft aanvankelijk problematiek verzonnen, naar eigen zeggen om te bewerkstelligen dat hij lichter gestraft zou worden. Mede gelet op deze proceshouding van verdachte kan geen andere straf aan verdachte worden opgelegd, dan een gevangenisstraf van lange duur.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 april 2011, waaruit ten voordele van verdachte blijkt dat hij niet eerder wegens misdrijven is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren een passende en noodzakelijke bestraffing is. Een lichtere strafmodaliteit en/of gevangenisstraf van kortere duur komt thans, gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit, niet meer in aanmerking.

Beslag

Het hof zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen schoenen

(1 paar Le Coq Sportif gymschoenen, kleur wit, maat 46), nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 617,95 te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 593,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Verdachte heeft de vordering voor wat betreft de immateriële schadevergoeding ter hoogte van €593,- niet gemotiveerd weersproken, zodat deze voor toewijzing gereed ligt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 593,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag van algehele voldoening.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde materiële schade, ten bedrage van € 24,95 door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. Het hof zal dit deel van de vordering dan ook afwijzen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 paar Le Coq Sportif gymschoenen, kleur wit, maat 46.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 593,00 (vijfhonderddrieënnegentig euro) terzake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2010 tot de dag van algehele voldoening en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst af hetgeen de benadeelde partij meer of anders heeft gevorderd.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 593,00 (vijfhonderddrieënnegentig euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. H. Heins, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van S. van Krugten, griffier,

en op 5 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E. Pennink en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.