Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BT1990

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
24-000194-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor vijf diefstallen tot een gevangenisstraf, gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, te weten tien weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000194-11

Uitspraak d.d.: 14 september 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 14 januari 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 19-830205-10 en 19-605228-10, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

GBA-adres: [woonplaats], [adres],

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van de feiten 2, 3, 4 en 5 van de dagvaarding met het oorspronkelijke parketnummer 19-830205-10 en van het onder parketnummer 19-605228-10 ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot het bedrag van € 80,90, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het resterende deel van haar vordering alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot het gevorderde bedrag van € 88,97. Ten behoeve van de betaling van de beide toe te wijzen bedragen dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr. W.M. Bierens, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Voor zover verdachte beroep heeft willen instellen tegen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde van de zaak met het oorspronkelijke parketnummer 19-830205-10 wordt verdachte daarin niet ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van verdachte blijft daarom beperkt tot dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte ter zake van het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde in de zaak met voormeld parketnummer alsmede het onder het parketnummer 19-605228-10 ten laste gelegde werd veroordeeld.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

19-830205-10

2.

zij op of omstreeks 07 juli 2010 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee/mapje (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

zij op of omstreeks 17 juli 2010 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer plastic tas(sen) (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

zij op of omstreeks 02 september 2010 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paar schoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5.

zij op of omstreeks 02 oktober 2010 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer pa(a)r(en) schoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

19-605228-10 (gevoegd):

zij op of omstreeks 24 maart 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met daarin (onder andere) een bankpas en/of een zorgpas en/of een geldbedrag), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 19-830205-10 onder 2, 3, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 19-605228-10 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

19-830205-10

2.

zij op 07 juli 2010 in de gemeente [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee/mapje met inhoud, toebehorende

aan [slachtoffer 1];

3.

zij op 17 juli 2010 in de gemeente [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen plastic tassen met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 2];

4.

zij op 02 september 2010 in de gemeente [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een paar schoenen, toebehorende aan [slachtoffer 3];

5.

zij op 02 oktober 2010 in de gemeente [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen paren schoenen, toebehorende aan [benadeelde 2];

19-605228-10 (gevoegd):

zij op 24 maart 2010 te [plaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, met daarin onder andere een bankpas en een zorgpas en een geldbedrag, toebehorende aan [benadeelde 1].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het in de zaak met parketnummer 19-830205-10 onder 2, 3, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 19-605228-10 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal diefstallen. Uit de stukken blijkt dat zij zich bij herhaling goederen van een ander toe-eigent, onder meer door (fiets)tassen te doorzoeken op geld en goederen.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 augustus 2011, waaruit blijkt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor (niet gekwalificeerde) diefstallen.

Verdachtes delictgedrag lijkt in hoge mate samen te hangen met haar cocaïneverslaving. In de gelijktijdig met deze zaak door het hof te behandelen strafzaak met het parketnummer 24-000196-11 heeft het hof aan verdachte een bijzondere voorwaarde opgelegd bij een voorwaardelijke gevangenisstraf om verdachte de kans te geven uit de vicieuze cirkel van verslaving, criminaliteit, schulden en relationele problematiek te geraken. In deze zaak acht het hof de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Aan verdachte zal daarom een gevangenisstraf worden opgelegd van gelijke duur als het reeds door verdachte ondergane voorarrest.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 88,87. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 19-830205-10 onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 135,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 35,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 19-605228-10 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet ontvankelijk in haar hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 19-830205-10 onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 19-830205-10 onder 2, 3, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 19-605228-10 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 19-830205-10 onder 2, 3, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 19-605228-10 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], terzake van het in de zaak met parketnummer 19-830205-10 onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 88,97 (achtentachtig euro en zevenennegentig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van EUR 88,97 (achtentachtig euro en zevenennegentig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], terzake van het in de zaak met parketnummer 19-605228-10 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 35,00 (vijfendertig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van EUR 35,00 (vijfendertig euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 14 september 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.