Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BS8940

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
24-000438-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van (destijds) 13-jarige verdachte wegens tasjesroof en openlijke geweldpleging tot jeugddetentie voor de duur van 300 dagen, een voorwaardelijke PIJ-maatregel alsmede de gedragsbeïnvloedende maatregel, een en ander onder zeer strikte voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000438-11

Uitspraak d.d.: 7 september 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 11 februari 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 17-682018-10 en 17-675244-10, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1996],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in Opvangcentrum Het Poortje te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 april 2011, 24 juni 2011 en 24 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 344 dagen, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal opleggen voor de duur van twee jaren, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daarnaast de gedragsbeïnvloedende maatregel, beide onder nader in de schriftelijke vordering genoemde voorwaarden. Tenslotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 712,48, in hoofdelijkheid met zijn mededaders en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met dien verstande dat dit bedrag - gelet op de leeftijd van verdachte ten tijde van de pleegdatum van het onder 1 bewezen te verklaren feit en het bepaalde in artikel 51g, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering - dient te worden voldaan door de ouders van verdachte. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. B.P.M. Canoy, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas (met inhoud, te weten/w.o. een portemonnee met geld (ca. 35 euro) en/of een bankpas en/of een ID-kaart en/of een klantenpas), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] (geboren op [1934]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) (onverhoeds) de tas en/of de arm(en) van die [benadeelde] heeft/hebben vastgepakt en/of aan de tas en/of de arm(en) van die [benadeelde] heeft/hebben getrokken en/of (vervolgens) de tas uit de hand(en) van die [benadeelde] heeft/hebben gescheurd/getrokken en/of (zodanig) aan de tas en/of de arm(en) van die [benadeelde] heeft/hebben getrokken dat die [benadeelde] met haar gezicht op het trottoir is gevallen;

2.

hij op of omstreeks 10 februari 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], althans op of aan een openbare weg, of op het voor het publiek toegankelijk terrein van de scholengemeenschap [naam], locatie [locatie], althans op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

-het (hard) duwen/drukken tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

-het (met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) slaan/stompen in de buik(streek) van die [slachtoffer 1] en/of

-het (met een tot vuist gebalde hand) slaan en/of stompen tegen de (linker)kaak en/of de (linker)slaap, in elk geval tegen het hoofd, van de [slachtoffer 1] en/of

-het (met kracht) schoppen/trappen tegen een knie, in elk geval tegen een been, van die [slachtoffer 1]

en/of

[slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

-het duwen/drukken tegen een schouder van die [slachtoffer 2] en/of

-het schoppen/trappen tegen een (scheen)been van die [slachtoffer 2] en/of

-het (met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) slaan en/of stompen tegen het (linker)oor en/of de (linker)kaak, in elk geval tegen het hoofd, van die [slachtoffer 2]

in elk geval openlijk geweld heeft gepleegd tegen een of twee perso(o)n(en), welk geweld (telkens) bestond uit

-het (hard) duwen/drukken tegen de/het licha(a)m(en) van die perso(o)n(en) en/of

-het (met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) slaan en/of stompen tegen de/het

hoofd(en) van die perso(o)n(en) en/of

-het (met kracht) schoppen/trappen tegen de/een be(e)n(en) van die perso(o)n(en);

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 10 februari 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1]

-(hard) tegen het lichaam heeft geduwd/gedrukt en/of

-(met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) in de buik(streek) heeft gestompt/geslagen en/of

-(met een tot vuist gebalde hand) tegen de (linker)kaak en/of de (linker)slaap, in elk geval tegen het hoofd, heeft gestompt en/of geslagen en/of

-(met kracht) tegen een knie, in elk geval tegen een been, heeft geschopt/getrapt

en/of

[slachtoffer 2]

-tegen een schouder heeft geduwd/gedrukt en/of

-tegen een (scheen)been heeft geschopt/getrapt en/of

-(met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) tegen het (linker)oor en/of de (linker)kaak, in elk geval tegen het hoofd, heeft gestompt en/of geslagen,

althans

een/twee perso(o)n(en) (telkens)

-(hard) tegen de/het licha(a)m(en) heeft geduwd/gedrukt en/of

-(met kracht) (met een tot vuist gebalde hand) tegen de/het hoofd(en) heeft gestompt en/of geslagen en/of

-(met kracht) tegen de/een be(e)n(en) heeft geschopt/getrapt, (telkens) waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], althans die perso(o)n(en) letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of misslagen voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste

gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 26 februari 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met inhoud, te weten een portemonne met geld (ca. 35 euro) en een bankpas en een ID-kaart, toebehorende aan [benadeelde] (geboren op [1934]), welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders onverhoeds de tas en de arm van die [benadeelde] hebben vastgepakt en aan de tas en de arm van die [benadeelde] hebben getrokken en vervolgens de tas uit de hand van die [benadeelde] hebben getrokken en zodanig aan de tas en de armen van die [benadeelde] hebben getrokken dat die [benadeelde] met haar gezicht op het trottoir is gevallen;

2.

hij op 10 februari 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], met anderen, op het voor het publiek toegankelijk terrein van de scholengemeenschap [naam], locatie [locatie], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

-het hard duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en

-het met kracht met een tot vuist gebalde hand stompen in de buik van die [slachtoffer 1] en

-het met een tot vuist gebalde hand stompen tegen de linkerkaak en de linkerslaap van die [slachtoffer 1] en

-het met kracht schoppen tegen een knie van die [slachtoffer 1]

en

[slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

-het duwen/drukken tegen een schouder van die [slachtoffer 2] en

-het schoppen/trappen tegen een (scheen)been van die [slachtoffer 2] en

-het met kracht met een tot vuist gebalde hand stompen tegen het linkeroor en de linkerkaak van die [slachtoffer 2].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de persoon van de verdachte is op verzoek van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Leeuwarden gerapporteerd door drs. P. van der Noord, kinder- en jeugdpsychiater, en drs. H.R.J. ter Borg, GZ-psycholoog. In hun rapporten van 3 januari 2011 respectievelijk 7 januari 2011 hebben voornoemde gedragsdeskundigen een eensluidend advies gegeven over de mate waarin het ten laste gelegde aan verdachte kan worden toegerekend.

Op grond van psychiatrisch en psychologisch onderzoek is door hen geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de vorm van - onder meer - een onrijpe gewetensontwikkeling, passend bij een gedragsstoornis van het type beginnend in de adolescentie en een antisociale persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige impulsbeheersing, een deviant verlopende sociale en emotionele ontwikkeling, ouder-kindrelatieproblematiek en een disharmonisch intelligentieprofiel. Deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren reeds aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Beide deskundigen beschouwen verdachte niettemin als toerekenings-vatbaar ten aanzien van hetgeen hem ten laste is gelegd. Zij overwegen daarbij dat verdachte cognitief de mogelijkheid had de verantwoordelijkheid voor zijn handelen te nemen. Er is bij hem geen sprake van onvermogen ten aanzien van negatieve prikkels. Verdachte heeft weloverwogen en berekenend gedrag vertoond en zichzelf daarvoor bewust de ruimte gegeven.

Het hof verenigt zich met vorenstaande conclusie en neemt deze over, in zoverre dat het bewezen verklaarde aan verdachte moet worden toegerekend. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig zijn, acht het hof verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en maatregelen

Strafoplegging

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte - destijds13 jaar oud - heeft tezamen met twee anderen, een straatroof gepleegd.

Het plan daartoe is door hen drieën in de voorafgaande middag gemaakt. Zij wilden die avond naar een discotheek, maar hadden geen geld voor bus, entree en consumpties. Zij besloten een oudere vrouw van haar tas te beroven, omdat van een dergelijk slachtoffer weinig weerstand viel te verwachten.

Die avond, 26 februari 2010, rond 20.00 uur, werd aangeefster, op dat moment 75 jaar oud en te voet op weg naar haar woning, door verdachte en zijn medeverdachten van haar tas met inhoud beroofd. Door het trekken aan haar tas en haar arm is aangeefster ten val gekomen. Zij heeft nog geruime tijd last gehouden van gekneusde ribben en de verwondingen aan haar gezicht, maar ook in psychologisch opzicht is er sprake (geweest) van de nodige impact. Ten behoeve van de mentale verwerking heeft aangeefster, tevens benadeelde partij, het hof om bijzondere toegang verzocht, en deze ook verkregen, tot de achter gesloten deuren gehouden terechtzittingen in deze zaak. Voorts is er op enig moment een gesprek geweest tussen aangeefster en verdachte. Dit gesprek heeft verdachte, naar eigen zeggen, geraakt.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, bevestigd bij het hof, heeft verdachte verklaard na de beroving 'nog een gezellige avond te hebben gehad' in de discotheek.

Daarnaast heeft verdachte zich in diezelfde periode, eveneens met anderen, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging op het terrein van een scholengemeenschap, waar verdachte noch zijn medeverdachten iets te zoeken hadden. Zij hebben aldaar twee volstrekt willekeurige leerlingen van 13 en 14 jaar oud, zonder aanleiding, reden of doel, mishandeld door hen - onder meer - in de buik te stompen, een vuistslag op de kaak en de slaap toe te brengen en tegen de knie te trappen.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 mei 2011. Daaruit blijkt dat er weliswaar sprake is geweest van meerdere politie- en justitiecontacten, doch dat dit niet heeft geleid tot veroordelingen.

Het spreekt voor zich dat het om ernstige feiten gaat, die uit het oogpunt van vergelding en normhandhaving noodzakelijkerwijs leiden tot oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Aan verdachte zal daarom jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van

300 dagen, met aftrek van de tijd die door hem reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) alsmede de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM)

Het moge voor zich spreken voor dat - gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, de aard en de ernst van de delicten en de bevindingen van de gedragsdeskundigen - niet kan worden volstaan met de hierboven genoemde strafrechtelijke afdoening.

Ter terechtzitting van het hof van 24 juni 2011 zijn daarom - naast verdachte, zijn raadsman en zijn ouders - W. Hoegen (Jeugdreclassering), T.W. van der Meulen (Raad voor de Kinderbescherming), en de reeds eerder genoemde gedragsdeskundigen P. van der Noord (kinder- en jeugdpsychiater) en H.R.J. ter Borg (GZ-psycholoog) gehoord. Daarbij is naar voren gekomen dat alleen de Raad voor de Kinderbescherming opteert voor oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, conform het vonnis in eerste aanleg. De Raad baseert dit standpunt - kort gezegd - op het feit dat uit eerdere schorsingen van de voorlopige hechtenis is gebleken dat verdachte hulpverlening in welk ambulant kader dan ook teveel vrijheden biedt, hetgeen hij niet naar behoren kan hanteren.

Zowel de Jeugdreclassering als voornoemde gedragsdeskundigen waren evenwel de mening toegedaan dat, gelet op de (zeer) jeugdige leeftijd van verdachte, niet zozeer de 'beheerskwestie' het uitgangspunt dient te zijn, als wel de zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Plaatsing in een netwerkpleeggezin is vanuit dat perspectief meer aangewezen dan een gesloten plaatsing in een justitiële jeugdinrichting, mede met het oog op het risico van hospitalisatie, ontoereikende behandelmogelijkheden en het gevaar van negatieve 'besmetting' door medebewoners.

Het hof heeft daarop het onderzoek ter terechtzitting geschorst om door de vertegenwoordiger van het Bureau Jeugdzorg nader onderzoek te laten doen naar de invulling van de voorwaarden bij een (eventueel) voorwaardelijk op te leggen PIJ-maatregel en in het bijzonder naar de mogelijkheden van plaatsing van verdachte in een (therapeutisch) pleeggezin.

Op 24 augustus 2011 is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet. Voormelde vertegenwoordigers van het Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming zijn opnieuw verschenen.

Alle betrokkenen konden inmiddels beschikken over de navolgende rapporten:

- de onder 'Strafbaarheid van verdachte' reeds genoemde rapporten van de gedragsdeskundigen Van der Noord en Ter Borg, beiden gehoord ter terechtzitting van het hof van 24 juni 2011;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 juli 2010;

- het Plan van Aanpak van het Bureau Jeugdzorg van 10 augustus 2010;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 januari 2011;

- het rapport van de Jeugdreclassering van 27 januari 2011;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 15 juni 2011;

en voorts de schriftelijke neerslag van de in opdracht van het hof door het Bureau Jeugdzorg uitgevoerde onderzoeken, te weten:

- het briefrapport van het Bureau Jeugdzorg van 14 juli 2011;

- het rapport, tevens plan van aanpak, van het Bureau Jeugdzorg van 19 augustus 2011.

Uit de laatstgenoemde stukken komt - kort samengevat - het navolgende naar voren.

Verdachte kan - indien gewenst met onmiddellijke ingang - worden geplaatst in een therapeutisch pleeggezin te [plaats 2]. De plaatsing zal geschieden in het kader van het voor delinquente jongeren ontwikkelde behandelprogramma MTFC (Multidimensional Treatment Foster Care) van het Leger des Heils. Het op gedragsverandering gerichte programma is gedetailleerd ingevuld. Verdachte zal, zeker in de aanvangsfase, sterk in zijn vrijheden worden beperkt. Naar alle - vooralsnog tot schoolgang en sport beperkte - activiteiten buitenshuis zal verdachte door (één van) zijn pleegouders worden gebracht en nadien weer worden opgehaald. Voorts zal verdachte de eerste zes maanden onder elektronisch toezicht komen te staan met een GPS-voorziening. Behalve het dagelijks contact met de pleegouders, is er wekelijks contact met de programmasupervisor, een gedragstrainer, een vaardigheidstrainer, een gezinstrainer, de ouders van verdachte en de jeugdreclassering.

Het programma staat voorts in het teken van structuur, toezicht en voor verdachte bij goed gedrag te verdienen en bij slecht gedrag te verliezen privileges.

Verdachte en zijn ouders hebben op 19 augustus 2011 een schriftelijke bereidverklaring ondertekend en hun instemming met en motivatie voor het MTFC-programma ter terechtzitting van het hof van 24 augustus 2011 desgevraagd mondeling bevestigd.

Het hof stelt vast dat de Raad voor de Kinderbescherming blijft bij haar eerder ingenomen standpunt dat aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moet worden opgelegd.

De Raad heeft twijfels over de kans van slagen van het voorliggende MTFC-advies, met name waar het gaat over het ontbreken van een, ook door de gedragsdeskundigen Van der Noord en Ter Borg noodzakelijk geachte psychiatrische behandeling. Het MTFC-programma richt zich - in dit geval ontoereikend - alleen op het gedrag van verdachte. Bij de tenuitvoerlegging van een PIJ-maatregel in een gesloten justitiële inrichting zou deskundigheid op dat terrein kunnen worden 'ingehuurd'. Aldus de Raad voor de Kinderbescherming.

Uit de stukken blijkt voorts de (formele) noodzaak om verdachte, naast een voorwaardelijke PIJ-maatregel, de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) op te leggen als bedoeld in artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht. Financiering van het hiervoor genoemde MTFC-programma - zo blijkt - is alleen mogelijk in het kader van laatstgenoemde maatregel.

Alles afwegende stelt het hof het navolgende vast.

De beide bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De algemene veiligheid van personen vereist oplegging van deze maatregel, gelet op de aard van de delicten en het aanwezige recidivegevaar. Voorts is oplegging van de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte.

Door de gedragsdeskundigen Van der Noord en Ter Borg is bij verdachte een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens vastgesteld, zij het dat deze vaststelling niet tot de conclusie heeft geleid dat verdachte in enigerlei mate niet toerekeningsvatbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

Gelet op het vorenstaande en met inachtneming van de adviezen van voornoemde gedragsdeskundigen, de Raad voor de Kinderbescherming en het Bureau Jeugdzorg zal

aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) worden opgelegd, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan verdachte zal daarnaast,

ten behoeve van het realiseren van de daaraan te verbinden voorwaarden, de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) worden opgelegd voor de duur van een jaar.

Doorslaggevend bij deze beslissing is dat het hof, de jeugdige leeftijd van verdachte en de daarmee samenhangende ongewenstheid van een (langdurig) verblijf in een gesloten justitiële jeugdinrichting in aanmerking nemende alsmede de waarborgen van het MTFC-programma, verdachte de kans wil geven om tot gedragsverandering te komen.

Uit de stukken en de daarop door de Jeugdreclassering ter terechtzitting gegeven toelichting volgt dat het MTFC-programma niet voorziet in een, eventueel externe, psychiatrische behandeling van verdachte. Deze past desgevraagd niet in de methodiek. Het hof deelt de zorg van de Raad voor de Kinderbescherming op dit punt, mede gelet op hetgeen door de gedragsdeskundigen is vastgesteld omtrent de ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte. Het hof zal daarom een dergelijke behandeling, te ondergaan na afloop van het MTFC-programma, als voorwaarde bij de voorwaardelijk op te leggen PIJ-maatregel opnemen, indien die behandeling alsdan noodzakelijk wordt geacht.

De bij de voorwaardelijke plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) te stellen voorwaarden luiden als volgt:

- verdachte zal zich gedurende de proeftijd van twee jaren niet schuldig maken aan een

strafbaar feit;

- verdachte zal gedurende de proeftijd van twee jaren zich houden aan de door de

Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg Friesland, dan wel door een Bureau Jeugdzorg

elders, te geven aanwijzingen en voorschriften (ook aan te duiden als de maatregel Hulp en

Steun), welke aanwijzingen en voorschriften - onder meer en in elk geval - zullen

inhouden:

a. deelname aan het MTFC-programma voor de duur van een jaar;

b. plaatsing in het MTFC-pleeggezin gedurende een periode van zes tot twaalf maanden;

c. plaatsing onder Elektronisch Toezicht met GPS gedurende de eerste zes maanden van

het MTFC-programma;

d. deelname aan het traject ITB Harde Kern voor de duur van tweemaal zes maanden;

e. deelname gedurende en/of na afloop van het MTFC-programma aan een eventuele,

nader door de Jeugdreclassering te bepalen (ambulante) psychiatrische behandeling.

De daarnaast op te leggen betreffende maatregel betreffende het gedrag van verdachte (GBM) zal bestaan uit:

- begeleiding door de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg Friesland, dan wel een

Bureau Jeugdzorg elders;

- deelname aan het MTFC-programma van het Leger des Heils voor de duur van een jaar;

- deelname aan het traject ITB Harde Kern gedurende tweemaal zes maanden, en gedurende

de eerste zes maanden Elektronisch Toezicht met GPS,

alles conform het door het Bureau Jeugdzorg Friesland opgestelde dag- en weekschema

van 19 augustus 2011 en de door verdachte en zijn ouders ondertekende bereidverklaring.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 712,48. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Nu verdachte ten tijde van dat handelen de leeftijd van veertien jaren nog niet had bereikt, wordt de vordering - ingevolge het bepaalde in artikel 51g, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering - geacht te zijn gericht tegen zijn ouders, [ouder 1] en

[ouder 2], wonende te [woonplaats] aan de [adres]. Deze zijn gehouden tot vergoeding van die schade, zodat de vordering zal worden toegewezen.

De ouders van verdachte zijn, evenals de (ouders van) de medeverdachten hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Om te bevorderen dat de schade door de ouders van verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77w, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 300 (driehonderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel één van de na te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

- verdachte zal zich gedurende de proeftijd van twee jaren niet schuldig maken aan

een strafbaar feit;

- verdachte zal gedurende de proeftijd van twee jaren zich houden aan de door de

Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg Friesland, dan wel een Bureau

Jeugdzorg elders te geven aanwijzingen en voorschriften (ook aan te duiden als de

maatregel Hulp en Steun), welke aanwijzingen en voorschriften - onder meer en in

elk geval - zullen inhouden:

a. deelname aan het MTFC-programma voor de duur van een jaar;

b. plaatsing in het MTFC-pleeggezin gedurende een periode van zes tot twaalf

maanden;

c. plaatsing onder Elektronisch Toezicht met GPS gedurende de eerste zes

maanden van het MTFC-programma;

d. deelname aan het traject ITB Harde Kern voor de duur van tweemaal zes

maanden;

e. deelname gedurende en/of na afloop van het MTFC-programma aan een

eventuele, nader door de Jeugdreclassering te bepalen (ambulante)

psychiatrische behandeling.

Legt aan de verdachte tevens op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat de maatregel zal bestaan uit:.

- begeleiding door de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg Friesland dan

wel een Bureau Jeugdzorg elders;

- deelname aan het MTFC-programma van het Leger des Heils voor de duur

van een jaar;

- deelname aan het traject ITB Harde Kern gedurende tweemaal zes maanden,

en gedurende de eerste zes maanden Elektronisch Toezicht met GPS,

alles conform het door het Bureau Jeugdzorg Friesland opgestelde dag- en weekschema van 19 augustus 2011 en de door verdachte en zijn ouders ondertekende bereidverklaring.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde], terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 712,48 (zevenhonderdtwaalf euro en achtenveertig cent) aan materiële en immateriële schade en veroordeelt - ingevolge artikel 51g, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de ouders van de verdachte,

[ouder 1] en [ouder 2], wonende te [woonplaats] aan de [adres] die, evenals (de ouders van) de mededaders van verdachte, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk zijn, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst voornoemde ouders van verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR ,00 (nul euro).

Legt aan voornoemde de ouders van verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 712,48 (zevenhonderdtwaalf euro en achtenveertig cent) aan materiële en immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing daarvan de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de ouders van verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de ouders van verdachte hebben voldaan aan hun verplichting tot betaling aan de Staat daarmee hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de ouders van verdachte hebben voldaan aan hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee hun verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, de ouders van verdachte in zoverre zijn bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. F.R. Vermeer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 7 september 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken,

zijnde mrs. Deuring en Vermeer voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.