Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BS8665

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
200 088 877-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreden relatiebeding? Bewijslast en bewijswaardering. Matiging boete in algemeen boetebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 13 september 2011

Zaaknummer 200.088.877/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.P.A. van Rossum, kantoorhoudende te Sneek,

tegen

mr. [naam curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van GIN Grondexploitatiemaatschappij B.V., kantoorhoudende te Budel, gemeente Cranendonck,

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. B.A.P. Sijben, kantoorhoudende te Weert.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 6 mei 2011 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, gewezen tussen [appellant] als eisende partij en de curator en J.W. [medegedaagde] als gedaagden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 juni 2011 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van uitsluitend de curator tegen de zitting van 21 juni 2011.

In de dagvaarding in hoger beroep zijn de grieven tegen het beroepen vonnis opgenomen. De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, waarbij producties zijn overgelegd, luidt:

"- voor zoveel mogelijk uitvoorbaar bij voorraad - te vernietigen het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Groningen d.d. 6 mei 2011, zaak-/rolnummer 126095/KG ZA 11-128, waarvan beroep en opnieuw rechtdoende- zonodig onder aanvulling en verbetering van de gronden- geïntimeerde:

I. te verbieden tot verkoop en/of levering over te gaan aan derden van in deze dagvaarding genoemde onroerende goederen, gezamenlijk te noemen locatie Garrelsweer, gemeente Loppersum en ten Boer;

II. te gebieden binnen 7 dagen, na het in deze te wijzen vonnis, kenbaar te maken wie in de zogenaamde eerste fase het hoogste bod heeft uitgebracht of een hoogste bod door een participant uitgebracht en een zelfde bod door een derde, opgrond waarvan uiterlijk binnen drie weken na verloop van het termijn van 7 dagen aan de hoogste bieder of de betreffende participant het perceel Garrelsweer dient te worden verkocht en geleverd;

III. te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 10.000,00 per dag bij niet nakoming van het onder I en II gevorderde, met een maximum van € 700.000,00 of een door u in goede justitie vast te stellen maximum;

VI. te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door de curator verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd onder overlegging van producties met als conclusie:

"geïntimeerde in appèl, tevens appellant in incidenteel appèl, de eer heeft te concluderen dat het Gerechtshof, opnieuw recht doende, al dan niet onder verbetering en / of aanvulling van de gronden, en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal vernietigen het vonnis in kort geding van de rechtbank te Groningen, op 6 mei 2011 tussen partijen gewezen onder zaaknummer / rolnummer: 126095 / KG ZA 11-128, doch uitsluitend voor zover betrekking hebbende op de door appellant in incidenteel appèl aangevoerde grieven;

2. met veroordeling van appellant in appèl, tevens incidenteel geïntimeerde in het incidentele appèl, in de kosten van beide instanties."

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"- opnieuw recht doende, al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellant in incidenteel appel haar vordering te ontzeggen met veroordeling in de kosten."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel zes grieven opgeworpen.

De curator heeft in het incidenteel appel twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

ten aanzien van de vaststaande feiten

1. Tegen de door de voorzieningenrechter onder 2 (2.1. t/m 2.8.) van het beroepen vonnis vastgestelde feiten is een grief gericht. Het hof zal de feiten die tussen partijen vaststaan, dan ook zelfstandig vaststellen.

1.1. Bij vonnis van 11 mei 2009 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch het faillissement uitgesproken van de besloten vennootschap GIN Grondexploitatiemaatschappij B.V. (hierna: GIN). De curator is belast met de vereffening.

1.2. Er zijn twee groepen schuldeisers, te weten de participanten in GIN en de overige schuldeisers. De belangen van de participanten worden behartigd door de stichting Vruchtgebruik Robinia (hierna: Stivru).

1.3. In GIN bevonden zich de eigendomsrechten van 765 hectare grond. Deze grond is merendeels beplant met Robiniahout. Een deel van deze percelen, 502 hectare, is in 2009 en 2010 verkocht. Thans dient nog 263 hectare te worden verkocht (hierna: de percelen). Stivru heeft het recht van vruchtgebruik alsmede een hypotheekrecht op de percelen.

1.4. Na het uitspreken van het faillissement is een crediteurencommissie ingesteld waarvan Stivru en een tweetal andere belangenstichtingen deel uitmaken.

1.5. De curator heeft het rentmeesterkantoor [naam] opdracht gegeven om de op de percelen rustende subsidieaanvragen te inventariseren, de waarde te taxeren en de percelen na akkoord van de curator, Stivru, de crediteurencommissie en de rechter-commissaris te verkopen.

1.6. Bij schrijven van 24 maart 2011 heeft de raadsman van Stivru na overleg met en instemming van de curator de participanten in de gelegenheid gesteld op de percelen een bod uit te brengen. De raadsman van Stivru schrijft - voor zover van belang -:

'(…) Het bestuur is zich er van bewust dat velen van u uit ideële overwegingen hebben geparticipeerd. Mede met het oog hierop wil het bestuur u in de gelegenheid stellen de gronden in Frankrijk, Slowakije of Nederland te kopen. Natuurlijk dient dit te gebeuren tegen een zakelijke, marktconforme prijs om zo te voorkomen dat andere participanten die geen grond kopen benadeeld zouden worden.

Mocht belangstelling bestaan voor aankoop van gronden, dan kunt u een bod doen bij de ter zake ingeschakelde [rentmeesterkantoor] (contactgegevens staan vermeld op onze website www.stivru.nl) bij voorkeur vóór 4 april a.s. doch uiterlijk 15 april a.s. (…)

Gegadigde participanten krijgen voorrang bij aankoop wanneer zij eenzelfde prijs bieden als een derde, zo heeft het bestuur besloten in overleg met de curator. (…)'

1.7. [rentmeesterkantoor] heeft bij e-mail van 4 april 2011 aan belangstellenden het volgende geschreven:

'In opdracht van de curator van Groen Invest Nederland (GIN) B.V. en de Stichting Vruchtgebruik (Stivru) bieden wij diverse percelen bos en enkele percelen landbouwgrond te koop aan. Het betreft in totaal 14 percelen gelegen in Noord Nederland.

U heeft in het voortraject aangegeven belangstelling te hebben voor één of meerdere percelen. Daarom krijgt u tot 22 april a.s. 17.00 uur de gelegenheid om onderhands tot prijsovereenstemming te komen. Indien we op dit tijdstip niet tot een prijsovereenstemming zijn gekomen, worden de percelen in de openbare verkoop aangeboden. Voor alle belangstellenden gelden vanaf dan de, bij de openbaar gepubliceerde stukken, vastgestelde voorwaarden. (…)'

1.8. Bij schrijven van 14 april 2011 heeft [appellant] [rentmeesterkantoor] meegedeeld dat hij als participant een bod van € 750.000,00 uitbracht op een aantal percelen gelegen in of nabij Loppersum en Ten Boer met een totale oppervlakte van 63.78.91 hectare (hierna: het perceel Garrelsweer). De vraagprijs voor het perceel Garrelsweer bedroeg € 700.00,00.

1.9. [rentmeesterkantoor] heeft in een e-mail van 18 april 2011 aan de raadsman van [appellant] laten weten dat het perceel Garrelsweer aan een zekere [de heer B.] voorwaardelijk was verkocht. Deze koopovereenkomst, opgesteld en ondertekend ten overstaan van kandidaat-notaris mr. [naam], is op 21 april 2011 ingeschreven in de registers van het kadaster.

1.10. De curator heeft in zijn brief van 29 april 2011 aan de raadsman van [appellant] onder meer het volgende geschreven:

'(…) Voor dit moment kan ik u berichten dat er weliswaar een koopovereenkomst is gesloten met [de heer B.], doch deze koopovereenkomst is gesloten onder een aantal opschortende voorwaarden.

Deze opschortende voorwaarden zullen niet vervuld kunnen worden omdat een aantal partijen die in deze medezeggenschap hebben niet akkoord gaan c.q. zullen gaan met [de heer B.] gesloten overeenkomst.

Uit uw dagvaarding maak ik op dat u zich op het standpunt stelt dat uw cliënt het recht heeft om de gronden geleverd te krijgen tegen het door uw cliënt geboden bedrag van € 750.000,00. Dit is niet juist.

Uitgangspunt is dat de gronden door mij verkocht dienen te worden tegen de zo hoogst mogelijke koopprijs en dat wanneer er meerdere gelijke biedingen van gelijke omvang liggen de voorkeur gegeven dient te worden aan de bieding van een participant, voor zover een participant op dat moment geboden heeft.

Om aan deze wens van de STIVRU tegemoet te kunnen komen, heeft de STIVRU de participanten uitgenodigd om een bod uit te brengen. Daar het verkoopproces enige tijd in beslag neemt, is wel gesteld dat een eventueel bod door de participant voor 4 april 2011 doch uiterlijk 15 april 2011 uitgebracht moet worden, omdat anders met zo'n bod geen rekening gehouden kan worden.

(…)

Al met al is de situatie per heden zo dat de STIVRU niet akkoord gaat met de verkoop aan [de heer B.] en ook niet met het door u namens uw cliënt gedane aanbod. Zij is niet bereid om haar rechten van vruchtgebruik prijs te geven hetgeen wel een onvoorwaardelijke voorwaarde vormt voor een eventuele levering dezerzijds.

Dit betekent dat in overleg met de STIVRU een nieuwe biedingsprocedure dan wel onderhandelingsprocedure zal worden vastgesteld waarbij alle partijen in gelijke mate het recht krijgen om een bieding neer te leggen bij ondergetekende. (…)'

1.11. De curator heeft naast andere percelen ook het perceel Garrelsweer opnieuw te koop aangeboden. Gegadigden konden hun schriftelijk biedingen tot en met 31 mei 2011 aan [rentmeesterkantoor] doen toekomen.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellant] heeft na wijziging van de eis gevorderd de curator en de medegedaagde [naam ] op verbeurte van een dwangsom:

a. te verbieden tot verkoop en/of levering over te gaan aan derden van de in de dagvaarding vermelde onroerende zaken zolang niet in of buiten rechte komt vast te staan wie voor 15 april 2011 het hoogste bod heeft uitgebracht op grond waarvan de betreffende het recht heeft verkregen op levering van de onroerende zaken;

b. te gebieden binnen een maand, na het te wijzen vonnis, kenbaar te maken wie het hoogste bod heeft uitgebracht en de hoogte van het bod, op grond waarvan de onroerende zaken binnen twee weken aan de betreffende moeten worden verkocht en geleverd.

2.1. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat, indien hij als participant het hoogste bod heeft gedaan, het perceel Garrelsweer aan hem zal moeten worden geleverd. Overige gunningsvoorwaarden heeft hij niet kunnen vaststellen. Op grond van de hem ter beschikking gestelde informatie mocht hij erop vertrouwen dat tot 15 april 2011 mocht worden geboden en dat de bieder van het hoogste bod het recht op levering kreeg.

2.2. De curator en [medegedaagde] hebben de vordering betwist.

2.3. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de curator een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden door niet het volledige verkoopplan, inclusief de door de curator uitgewerkte en door de rechter-commissaris geaccordeerde splitsing in een niet-openbare en een openbare verkoopfase en de daarbij behorende tijdspaden, bij de participanten onder de aandacht te brengen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen tegen de curator echter afgewezen op de grond dat deze normschending niet kan leiden tot de vermogensrechtelijke consequenties die [appellant] met zijn vordering beoogt. Ook de vordering tegen [medegedaagde] is afgewezen. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten in het geding tussen [appellant] en de curator gecompenseerd in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid en het spoedeisend belang

3. Mede gelet op het feit dat [appellant] de inleidende dagvaarding heeft doen inschrijven in de openbare registers, terwijl ook de niet uitgevoerde koopovereenkomst met [de heer B.] is ingeschreven, kan de vraag rijzen of ook ingevolge artikel 3: 29 lid 3 BW, op straffe van niet-ontvankelijkheid het hoger beroep had moeten worden ingeschreven in het daar bedoelde rechtsmiddelenregister.

4. Het hof oordeelt dat daarvan geen sprake is, nu het hier niet gaat om een vordering tot verkrijging van een jegens een ieder werkend vonnis als bedoeld in art. 3: 27 BW betreffende de rechtstoestand van de desbetreffende percelen, maar om een voorlopige voorziening in een geschil tussen [appellant] en de curator en Stivru, welke laatste niet in deze procedure is betrokken.

5. De vorderingen van [appellant] zijn evenwel zeer algemeen geformuleerd, zij gaan alle uit van de niet in het petitum verwerkte premisse dat hij de hoogste bieder is en dat het perceel Garrelsweer aan hem moet worden geleverd. Bij levering van het perceel aan een mogelijk andere hoogste bieder heeft [appellant] geen belang, laat staan een spoedeisend belang. Voor zover in de vordering besloten ligt dat ook Stivru aan de levering zou moeten meewerken en jegens [appellant] afstand zou moeten doen van haar recht van vruchtgebruik, oordeelt het hof dat zulks afstuit op het feit dat Stivru geen partij in deze procedure is.

Het hof zal de tweede vordering opvatten als dat de curator moet meewerken aan de verkoop van de desbetreffende percelen aan [appellant].

De behandeling van de grieven

6. [appellant] is in grief I in het principaal appel opgekomen tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat hij een bod van € 700.000,00 op het perceel Garrelsweer zou hebben uitgebracht, nu hij in werkelijkheid een bod van

€ 750.000,00 heeft gedaan.

7. Deze grief is op zich terecht voorgedragen, zoals volgt uit de feitenvaststelling door het hof (r.o. 1.8. en 1.10.) waarbij het hof deze vergissing van de voorzieningenrechter heeft hersteld. De grief leidt evenwel niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

8. Partijen hebben met grief II in het principaal appel en grief I in het incidenteel appel aan de orde gesteld of de curator participanten die voor één of meer percelen belangstelling hadden, voldoende heeft voorgelicht over de wijze waarop de verkoop van de percelen zou plaats vinden en of het de curator op grond van de door of namens hem verstrekte informatie vrijstond het perceel Garrelsweer aan een ander dan aan [appellant] als de hoogste bieder te verkopen.

8.1. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn grief in het principaal appel aangevoerd dat Stivru in overleg met de curator een aantal voorwaarden heeft gesteld, te weten a. dat het moet gaan om een in omvang behoorlijk stuk grond,

b. dat er sprake moet zijn van een marktconforme prijs, c. dat kenbaar moet worden gemaakt dat het bod afkomstig is van een participant, d. dat het moet gaan om een serieuze gegadigde en e. dat bij een bod gelijk aan een bod van een derde, het bod van de participant voorgaat. Aan al deze voorwaarden is voldaan. Indien het door [appellant] uitgebrachte bod hoger is dan dat van [de heer B.], dient aan hem te worden geleverd, aldus [appellant].

8.2. De curator heeft ter onderbouwing van zijn grief in het incidenteel appel aangevoerd dat geen enkele (ongeschreven) rechtsregel de curator ertoe verplicht documenten zoals het verkoopplan met onderliggende stukken aan derden ter beschikking te stellen dan wel te openbaren. Het voorleggen van alle stukken is gelet op het grote aantal participanten ook minder eenvoudig dan de voorzieningenrechter wellicht voor ogen stond. Aan zijn wettelijke verplichtingen tot het verstrekken van informatie zoals de verslaglegging en het verstrekken van inlichtingen aan de crediteurencommissie heeft de curator voldaan. Het verkoopplan is dan ook aan de crediteurencommissie ter goedkeuring voorgelegd. Bovendien heeft de curator [appellant] en nadien diens raadsman voldoende geïnformeerd. Uit de brief van Stivru van 24 maart 2011 blijkt niet dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat hij bij het uitbrengen van een bieding, ook indien die bieding op dat moment het hoogste bod zou zijn, een bepaald perceel geleverd zou krijgen, aldus de curator.

9. De curator heeft het hier van belang zijnde verkoopplan in het geding overgelegd. Als niet betwist staat vast dat dit verkoopplan na overleg met en goedkeuring van Stivru, de crediteurencommissie en de rechter-commissaris is vastgesteld. Ook staat vast dat het verkoopplan een niet-openbare en een openbare fase kent. De niet-openbare fase ving aan voor dan wel op 4 april 2011 en liep af op 22 april 2011. De openbare fase ving aan op 23 april 2011. Het hof is het met de curator eens dat hij (de curator) niet het gehele verkoopplan ter informatie aan de participanten behoefde mee te delen. De curator kon volstaan met de participanten die informatie te verstrekken die nodig was voor een behoorlijke uitoefening van de hun toekomende rechten zoals deze door de curator met Stivru en de crediteurencommissie waren overeengekomen.

In zoverre slaagt deze grief van de curator. Of dat de curator kan baten, hangt af van de beoordeling van de vraag of de curator voldoende informatie aan de participanten althans aan [appellant] heeft verschaft. In het principaal appel gaat het om de vraag of de curator op grond van de verstrekte informatie gehouden was het bod van [appellant] te aanvaarden.

10. Bij de beantwoording van deze vragen is allereerst de brief van Stivru van

24 maart 2011 van belang. Omdat Stivru genoemde brief heeft opgesteld en de curator met de inhoud ervan heeft ingestemd, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat de door de curator met Stivru en de crediteurencommissie gemaakte afspraken daarin correct zijn weergegeven. Dit neemt echter niet weg dat de brief een onduidelijkheid kan bevatten. Bij de beantwoording van de vragen is dus het bepaalde in artikel 3: 33 BW(wil-verklaring) van belang. Voorts kan ook bij een eenzijdig opgesteld stuk als de onderhavige brief de Haviltex-maatstaf zoals geformuleerd in HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 dienst doen. Bij de uitleg van de onderhavige brief komt het dan ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de inhoud daarvan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

11. In de brief van Stivru van 24 maart 2011 valt allereerst op dat participanten wordt gevraagd bij voorkeur voor 4 april 2011 een bod uit te brengen maar dat hun daarvoor uiteindelijk een termijn tot en met 15 april 2011 wordt gegund. Zonder verdere toelichting, die echter ontbreekt, mag een participant er dan in beginsel van uitgaan dat de curator voor het verstrijken van laatstgenoemde datum geen koopovereenkomst met een derde, al dan niet een participant, zal sluiten. Dit klemt te meer nu de brief vervolgt met de mededeling dat wanneer een participant en een derde een zelfde prijs aanbieden, het bod van de participant voorgaat. Uit deze mededeling in de brief van 24 maart 2011 dat bij het staken der biedingen het bod van een participant zou voorgaan, kan worden afgeleid, dat participanten geen exclusief recht tot het doen van biedingen kregen.

De nadien door [rentmeesterkantoor] verzonden e-mail van 4 april 2011 maakt het niet er eenvoudiger op om vast te stellen wat gegadigden in dezen mochten verwachten. In deze e-mail wordt namelijk enerzijds gesteld dat participanten tot 22 april 2011 te 17.00 uur de tijd hebben een bod uit te brengen, maar wordt anderzijds meegedeeld dat de periode tot 22 april 2011 door de betrokken partijen kan worden benut om tot prijsovereenstemming te komen. Uit deze toevoeging zou kunnen worden afgeleid dat een belangstellende niet te lang moest wachten om zijn bod mee te delen teneinde niet het risico te lopen dat de curator met een derde tot overeenstemming zou komen. Het hof is evenwel van oordeel dat de mededeling in de e-mail van 4 april 2011 dat de periode tot 22 april 2011 te 17.00 uur door de betrokken partijen kan worden benut om tot overeenstemming te komen, zo vaag is dat het voor de geadresseerde niet duidelijk is of een wat later in de tijd maar nog wel voor 22 april 2011 gedane aanbieding, al dan niet zou worden meegenomen indien voordien al (in beginsel) overeenstemming was bereikt. Aangezien de brief van Stivru van 24 maart 2011 en de e-mail van [rentmeesterkantoor] van 4 april 2011 tezamen voor de geïnteresseerde participanten een verwarrend beeld schetsen omtrent zijn positie nadat hij een bod heeft uitgebracht, en de curator - hoewel hij met deze correspondentie bekend was - heeft nagelaten daarin tijdig meer helderheid te brengen, is de ontstane verwarring ook mede aan de curator toe te rekenen.

Grief I in het incidenteel appel faalt derhalve.

12. [appellant] mocht op basis van de door hem ontvangen brief en e-mail er redelijkerwijs van uitgaan dat hij tot en met 15 april 2011 de tijd had een bod uit te brengen. Als niet betwist staat vast dat het voor 15 april 2011 door [appellant] uitgebrachte bod het hoogste was. Bij de beantwoording van de vraag of de curator gehouden was het bod van [appellant] te aanvaarden, is niet zonder meer van belang wat de curator met Stivru heeft afgesproken, maar gaat het erom of [appellant] op grond van de aan hem verstrekte informatie erop mocht vertrouwen dat wanneer hij het hoogste bod had uitgebracht, dit zonder meer door de curator en Stivru diende te worden aanvaard en tot een koopovereenkomst zou leiden. Stivru laat zich er in haar brief van 24 maart 2011 niet met zo veel woorden over uit of de curator gehouden is de hoogste aanbieding te aanvaarden. Hiervoor is al overwogen dat uit de mededeling in deze brief dat wanneer een participant en een derde een zelfde prijs aanbieden, het bod van de participant voorgaat, mogelijk kan worden afgeleid dat het verkooptraject op

15 april 2011 nog niet was afgerond. In de e-mail van [rentmeesterkantoor] van 4 april 2011 wordt duidelijk gesteld dat partijen na een uitgebracht bod nog overeenstemming moeten bereiken. Zekerheid dat het (hoogste) bod van een participant zou worden aanvaard en dat de curator, Stivru, de crediteurencommissie laat staan de rechter-commissaris gehouden waren het hoogste bod te aanvaarden, kan uit de genoemde brief en e-mail dan ook niet worden afgeleid. Bij hetgeen hiervoor is overwogen, moet mede in aanmerking worden genomen dat niet alleen de curator maar ook Stivru, de crediteurencommissie en de rechter-commissaris bij het beoordelen van de biedingen de belangen van alle schuldeisers in hun afweging dienden te betrekken.

13. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dan ook dat uit de brief van Stivru van 24 maart 2011 en de e-mail van [rentmeesterkantoor] van 4 april 2011 niet kan worden afgeleid dat de curator gehouden was het hoogste bod te aanvaarden. Maar ook indien op grond van deze brief en e-mail wel tot de slotsom moet worden gekomen dat het de curator niet vrijstond het bod van [appellant] te weigeren, dan heeft [appellant] geen belang bij deze grief nu als niet betwist vast staat dat Stivru niet bereid was het bod van [appellant] te aanvaarden en dat instemming van onder meer Stivru noodzakelijk was voor de totstandkoming van een overeenkomst. De vraag of Stivru in redelijkheid haar toestemming kon weigeren, kan niet worden behandeld omdat Stivru in dit geding geen partij is.

Grief II in het principaal appel faalt derhalve.

14. [appellant] heeft in de grieven III, IV en V in het principaal appel aan de orde gesteld dat de voorzieningenrechter zonder dat de curator daarvoor enig bewijs had geleverd, van het bestaan van een verkoopplan is uitgegaan en vervolgens ten onrechte tot zijn overweging is gekomen dat de enkele overschrijding van de zorgvuldigheidsnorm door de curator niet tot de door [appellant] beoogde vermogensrechtelijke consequenties kan leiden. [appellant] heeft verder nog aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] met zijn vordering vermogensrechtelijke consequenties beoogt. [appellant] vordert slechts dat informatie wordt verschaft. [appellant] heeft ten slotte aangevoerd dat op 23 april 2011 advertenties zijn geplaatst waarin wordt vermeld dat het perceel Garrelsweer onder voorbehoud is verkocht. Op 14 mei 2011 zijn weer advertenties geplaatste maar daarin ontbreekt het verkoopvoorbehoud bij het perceel Garrelsweer. Ten tijde van de behandeling van het kortgeding en de datum waarop het vonnis werd uitgesproken, kan er dus geen sprake zijn geweest van een hogere bieding. Daarmee heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat in een situatie als de onderhavige het belang van de gehele groep schuldeisers moet worden gewogen.

15. De curator heeft in het geding in hoger beroep alsnog het verkoopplan in het geding gebracht, zodat [appellant] daarover nu beschikt. De curator heeft verder deugdelijk onderbouwd aangevoerd dat tijdens het eerste traject bleek dat er gegadigden waren die bereid waren een hoger bod dan dat van [appellant] uit te brengen. Ook heeft de curator toegelicht waarom in de advertenties van

23 april 2011 de toevoeging dat het perceel Garrelsweer onder voorbehoud was verkocht, stond vermeld maar deze toevoeging in de advertenties van 14 mei 2011 ontbreekt. Deze toelichting komt het hof aannemelijk voor. Uit hetgeen hiervoor in r.o. 9 is overwogen, volgt dat [appellant] bij de verdere behandeling van deze grieven geen belang heeft.

De grieven III, IV en V in het principaal appel falen derhalve.

16. [appellant] heeft in grief VI in het principaal appel in algemene bewoordingen gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte zijn vordering heeft afgewezen en hem ten onrechte heeft veroordeeld zijn eigen proceskosten te dragen. De curator is in grief II in het incidenteel appel opgekomen tegen de beslissing van de voorzieningenrechter de proceskosten te compenseren.

17. Voor zover [appellant] in zijn grief in algemene bewoordingen aan de orde stelt dat zijn vordering is afgewezen, heeft hij bij de behandeling daarvan geen zelfstandig belang.

18. Het hof is van oordeel dat nu de vordering van [appellant] tegen de curator is afgewezen, [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de curator gevallen, dient te worden veroordeeld. Nu de curator in het geding in eerste aanleg in persoon heeft geprocedeerd, dient het salaris op nihil te worden gesteld.

Grief VI in het principaal appel faalt derhalve en grief II in het incidenteel appel slaagt.

19. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod dient als niet ter zake dienend te worden gepasseerd.

De slotsom.

20. Het vonnis waarvan beroep voor zover tegen de curator gewezen, dient te worden bekrachtigd behoudens ten aanzien van de proceskosten aan de zijde van de curator gevallen. [appellant] dient als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel beroep te worden veroordeeld. Het geliquideerd salaris van de advocaat van de curator zal in het principaal appel op 1 punt en in het incidenteel appel op 1/2 punt worden gesteld in tariefgroep VII.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal en het incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep behoudens ten aanzien van de proceskosten aan de zijde van de curator gevallen;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator:

in eerste aanleg op € 258,-- aan verschotten en nihil aan geliquideerd salaris,

in hoger beroep in het principaal appel op € 284,00 aan verschotten en € 3.895,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

in hoger beroep in het incidenteel appel op € 1.947,50 aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

Aldus gewezen door mrs. J. H. Kuiper, voorzitter, R.A. Zuidema en M.C.D. Boon-Niks, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 13 september 2011 in bijzijn van de griffier.