Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR6832

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
200.076.285/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident. Eiswijziging niet toegestaan in verband met competentieperikelen en daarmee samenhangende vertraging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/457
JBPR 2012/12 met annotatie van mr. drs. A.W. van der Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 september 2011

Zaaknummer 200.076.285/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in het incident inzake:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante],

gevestigd te [plaats],

appellante, tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [BV A],

advocaat: mr. J.H.C. van den Akker, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

S&S Import & Export B.V.,

gevestigd te Stadskanaal,

geïntimeerde, tevens eiseres in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: S&S,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het in kort geding gewezen vonnis van 24 september 2010 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, sector civielrecht (hierna: de voorzieningenrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 21 oktober 2010 is door [BV A] hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis met dagvaarding van S&S tegen de zitting van 2 november 2010.

[BV A] heeft van grieven gediend. De conclusie van de memorie van grieven tevens akte houdende vermindering van eis (met producties) luidt:

"(…) dat het het Gerechtshof te Leeuwarden moge behagen het hiervoor bedoelde vonnis van de President van de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 24 september 2010 tussen partijen gewezen, te vernietigen en opnieuw recht doende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat, de vorderingen van appellante zoals weergegeven in de dagvaarding in kort geding van negen september 2010 alsnog toe te wijzen, waarbij de vorderingen van appellante worden gewijzigd met dien verstande dat het onder VI van de dagvaarding in in kort geding van negen september 2010 gevorderde voorschot op schadevergoeding van € 250.000,-- wordt verminderd tot een bedrag van € 10.000,--, van welke wijziging Appellante akte verzoekt, met verwijzing van Geïntimeerde in de kosten van dit geding in beide instanties."

Bij memorie van antwoord, tevens houdende exceptie van (gedeeltelijke) onbevoegdheid ex art. 347 lid 3 Rv (met producties), is door S&S verweer gevoerd met als conclusie:

"dat het den Hove behage bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

I. zich onbevoegd te verklaren kennis te nemen van de vorderingen in hoger beroep, voor zover die zijn gegrond op de Gemeenschapsmodellenverordening;

II. het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen, zonodig onder verbetering der gronden waarop het rust,

III. alles onder veroordeling van appellante in de kosten van het geding in hoger beroep op de voet van artikel 1019h Rv."

Bij memorie van antwoord in het incident in het incident betreffende (gedeeltelijke) onbevoegdheid heeft [BV A] geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende. [BV A] brengt sedert 2007 via meerdere tuincentra een vuurkorf (in drie verschillende maten) op de markt. De vuurkorf, die deel uitmaakt van de productlijn genaamd "Fancy Flames", bestaat uit vijf losse onderdelen die op elkaar liggend zijn verpakt in een platte houten krat.

2. [BV A] stelt zich op het standpunt dat S&S onder de benaming "Brazil" een vuurkorf verkoopt die gelijkenis vertoont met de Fancy Flames-vuurkorf. [BV A] heeft daarop S&S in kort geding betrokken en (samengevat) gevorderd dat S&S de verkoop van de vuurkorf Brazil dient te staken, dat S&S productie- en verkoopgegevens over de vuurkorf Brazil verstrekt, dat de handelsvoorraad vuurkorven Brazil wordt vernietigd en dat S&S € 250.000,00 betaalt aan [BV A] als voorschot op de schadevergoeding. Aan deze vorderingen ligt beweerdelijke schending door S&S van het auteursrecht van [BV A] ten grondslag, dan wel slaafse nabootsing.

3. De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [BV A] afgewezen en [BV A] in de proceskosten verwezen.

4. In hoger beroep heeft [BV A] aan haar vorderingen mede ten grondslag gelegd (memorie van grieven, randnrs. 20 e.v.) dat de vuurkorf "Brazil" onder het beschermingsregime valt van Verordening 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 (PbEG 2002, L 3/1; hierna: de Gemeenschapsmodellen¬verordening). Deze uitbreiding van de grondslag van de vordering is een eiswijziging in de zin van art. 130 Rv.

5. S&S heeft in appel de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen voor zover de vorderingen van [BV A] in hoger beroep op de Gemeenschapsmodellen¬verordening zijn gebaseerd. Uit art. 80 lid 1 juncto art. 81 van de Gemeenschaps¬modellenverordening juncto art. 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen (hierna: de Uitvoeringswet) behoren vorderingen gebaseerd op de Gemeenschapsmodellenverordening tot de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank te Den Haag, en bijgevolg in hoger beroep tot de exclusieve bevoegdheid van het gerechtshof te Den Haag, aldus S&S.

met betrekking tot de eiswijziging

6. Op grond van art. 130 lid 1 juncto art. 353 lid 1 Rv komt aan [BV A] de bevoegdheid toe haar eis of de gronden daarvan te wijzigen, welke bevoegdheid in hoger beroep in die zin beperkt is dat de eiswijziging (behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen) niet later dan bij memorie van grieven of antwoord dient plaats te vinden (HR 20 juni 2008, LJN: BC4959). Niet in geding is dat de eiswijziging bij de eerste memorie en daarmee tijdig is gedaan.

7. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden, indien de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

8. Uitbreiding van de grondslag van de vordering in hoger beroep met een nevengeschikt beroep op de Gemeenschapsmodellenverordening, leidt tot processuele complicaties. Voor zover gebaseerd op de Gemeenschapsmodellen¬verordening zou de zaak in hoger beroep - wegens onbevoegdheid van dit hof om kennis te nemen van op de Gemeenschaps¬modellenverordening gebaseerde vorderingen - moeten worden verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage, terwijl de zaak voor het overige ter beoordeling blijft van dit hof.

9. De gedeeltelijke verwijzing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage vloeit voort uit de aanwijzing in art. 3 van de Uitvoeringswet van de rechtbank te 's-Gravenhage als de exclusief bevoegde rechter in eerste aanleg, zowel in bodemzaken als in kort geding. Daarmee is het gerechtshof te 's-Gravenhage de exclusief bevoegde gemeenschapsmodellen¬rechter in tweede aanleg. In de memorie van toelichting van genoemde bepaling is dat ook uitdrukkelijk zo gesteld:

"(...)

Uit artikel 60, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO) volgt dat in Nederland niet apart een rechtbank voor de tweede aanleg hoeft te worden aangewezen om te voldoen aan de eisen van de verordening. Ingevolge dat artikel is uitsluitend het gerechtshof te 's-Gravenhage bevoegd voor de beslechting van geschillen inzake het Gemeenschapsmodel in tweede aanleg.

Uit de aanwijzing van de rechtbank 's-Gravenhage tot rechtbank voor het Gemeenschapsmodel volgt dat de ingevolge artikel 50 van de Wet RO zitting hebbende voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage kortgedingzaken behandelt. Duidelijkheidshalve wordt de bevoegdheid van die voorzieningenrechter in dit artikel geregeld.

De rechtbank te 's-Gravenhage (en daarmee ook het gerechtshof te 's-Gravenhage) heeft al meerdere exclusieve bevoegdheden op het terrein van de intellectuele eigendom. (...) Bovendien hebben beide gerechten reeds kamers die gespecialiseerd zijn in het recht op de intellectuele eigendom en richten partijen die op basis van de regels voor relatieve competentie ook elders zouden kunnen procederen zich tot de rechtbank te 's-Gravenhage."

(Kamerstukken II, 2003/04, 29 631, nr. 3, p.3)

10. De na gedeeltelijke verwijzing ontstane, onwenselijke situatie dat één en dezelfde zaak tegelijk voor twee hoven aanhangig is, zou vervolgens kunnen worden opgelost door een vordering tot verwijzing wegens verknochtheid van de bij het gerechtshof te Leeuwarden aanhangige appel naar het gerechtshof te 's-Gravenhage. Zulks leidt echter tot (verdere) vertraging van het geding, terwijl de zaak bij het gerechtshof te Leeuwarden zich reeds in een vergevorderd stadium bevindt.

11. Te meer daar het hier een kort geding betreft, leidt één en ander naar het oordeel van het hof hoe dan ook tot onredelijke vertraging, zodat de eiswijziging van [BV A] - voor zover de grondslag van de vordering wordt uitgebreid tot de Gemeenschapsmodellenverordening - wegens strijd met de eisen van een goede procesorde wordt geweigerd.

12. Het hof wijst er voor alle duidelijkheid op dat het voorgaande er niet aan afdoet dat recht zal worden gedaan op de eis zoals geformuleerd in het petitum van de memorie van grieven, aangezien de eiswijziging voor het overige niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

met betrekking tot de exceptie van (gedeeltelijke) onbevoegdheid

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de eiswijziging van [BV A], behoeft de incidentele vordering van S&S bij gebrek aan belang verder geen bespreking meer en zal worden afgewezen.

14. Partijen zijn, gelet op de samenhang tussen de eiswijziging en het bevoegdheidsincident, te beschouwen als over en weer in het ongelijk te stellen. Het hof zal de kosten van het incident daarom op na te melden wijze compenseren.

De beslissing

Het gerechtshof:

in de hoofdzaak:

weigert de eiswijziging voor zover aan de vordering van [BV A] in hoger beroep de Gemeenschapsmodellenverordening ten grondslag wordt gelegd;

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 27 september 2011 voor uitlating voortprocederen (akte, pleidooi, arrest) door beide partijen.

in het incident:

wijst de incidentele vordering van S&S af;

compenseert de kosten van dit incident zodanig dat partijen hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, L. Janse en L. Groefsema, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 6 september 2011 in bijzijn van de griffier.