Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR6162

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
24-000749-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 1.200,--. Veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 155 hennepplanten. In de woning van veroordeelde is een hennepkwekerij aangetroffen. Voor veroordeelde is als tegenprestatie hiervoor twee maanden de huur betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000749-11

Uitspraak d.d.: 29 augustus 2011

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 23 maart 2007 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro), en tot oplegging van een betalingsverplichting tot dat bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman,

mr. S.J. Jansen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot vaststelling van het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op EUR 9.365,10 (negenduizend driehonderdvijfenzestig euro en tien eurocent) en tot oplegging van de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de staat. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op EUR 5.000,-- (vijfduizend euro) en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de staat van dat bedrag.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 29 augustus 2011 (parketnummer 24-000067-11) terzake van overtreding van een bij artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van EUR 1.200,-- (eenduizend tweehonderd euro). Het hof komt als volgt tot deze schatting:

Voordeelberekening

Het hof hanteert bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel de volgende uitgangspunten.

Veroordeelde heeft zich op 2 juni 2006 schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 155 hennepplanten in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats].

In de woning van veroordeelde is op voornoemde datum een inwerking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Ter terechtzitting van het hof heeft veroordeelde als volgt hierover verklaard, zakelijk weergegeven: "Ik wist dat er wiet in mijn woning werd gekweekt. Ik heb mijn huis hiervoor ter beschikking gesteld. Anderen hebben de planten erin gezet. In ruil voor de ruimte is door hen mijn huur betaald. Dat was voor 2 maanden. Per maand betaalde ik € 600,-- huur."

Bij de vaststelling van het voordeel dat de veroordeelde uit zijn bewezenverklaarde handelen heeft genoten, neemt het hof de hiervoor weergegeven verklaring van veroordeelde als uitgangspunt. Ten voordele van veroordeelde is tweemaal een bedrag van

€ 600,-- aan huur van de woning, in totaal € 1.200,--, door derden betaald. Gelet hierop stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op dat bedrag.

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: € 1.200,--

De verplichting tot betaling aan de Staat

Aangezien niet gebleken is van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat destijds gold.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 1.200,00 (duizend tweehonderd euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 1.200,00 (duizend tweehonderd euro).

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. J.P. van Stempvoort, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 29 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.P. van Stempvoort is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.