Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR6133

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
24-001886-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het in hoger beroep aan het oordeel van het hof onderworpen feit. Toepassing artikel 423, vierde lid, Sv. Het hof herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte gedeeltelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001886-10

Uitspraak d.d.: 29 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 30 juli 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep van verdachte is bij akte rechtsmiddel beperkt tot de veroordeling ter zake van feit 2 en de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling terzake de gevangenisstraf, opgelegd bij arrest van dit hof van 11 december 2009.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de teruggave van de inbeslaggenomen motorzaag aan [benadeelde]. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. E.P. Eujen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft verdachte ter zake van de feiten 2 subsidiair, 3, 4 en 6 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 weken, waarvan 7 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht, ook indien dit het volgen van een COVA en/of ARVA training inhoudt, opgelegd.

Hij heeft verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 5 ten laste gelegde vrijgesproken.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - tenlastegelegd dat:

feit 2:

hij op of omstreeks 1 juni 2010 te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motorkettingzaag (merk Stihl, type MS170/180), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 1 juni 2010 te [plaats 2], (althans) in de gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een motorkettingzaag (merk Stihl, type MS 170/180) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte de motorkettingzaag met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen.

Het hof is verder met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde van oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken waaruit afgeleid kan worden dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de door hem gekochte en in zijn auto aangetroffen motorkettingzaag een door misdrijf verkregen goed betrof.

Beslag

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal het hof de teruggave van de onder verdachte in beslag genomen motorkettingzaag (merk Stihl, type MS 170/180) aan verdachte gelasten.

Benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 249,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Voornoemde vordering tot schadevergoeding is derhalve niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Bepalen van de straf ter zake van de feiten 3, 4 en 6

Ten aanzien van het niet aan hoger beroep onderworpen door de politierechter in de rechtbank Leeuwarden bij vonnis van 30 juli 2010 onder 3, 4 en 6 bewezen verklaarde feiten zal het hof de straf, op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 3 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht, ook indien dit het volgen van een COVA en/of ARVA training inhoudt.

Beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen, dat de beslissing van de politierechter op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling buiten de beoordeling door het hof dient te blijven, nu de toewijzing van de vordering ook is gegrond op de door de verdachte in hoger beroep niet betwiste feiten 3, 4 en 6 van de tenlastelegging.

Het hof volgt de advocaat-generaal niet in dit standpunt. In de akte hoger beroep is expliciet vermeld dat het hoger beroep (mede) is gericht tegen de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze beslissing maakt deel uit van een uitspraak terzake van andere strafbare feiten, doch betreft niet de straf die op de voet van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor de feiten 3, 4 en 6 moet worden bepaald. Derhalve is de (beslissing op de) vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ook aan de beoordeling door het hof onderworpen.

Uit de stukken van het geding en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte bij arrest van het hof van 11 december 2009 is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Op 17 mei 2010 is de verdachte voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De feiten 3, 4 en 6 zijn gepleegd voor het einde van de op voet van artikel 15c van het Wetboek van Strafrecht geldende proeftijd.

Gelet hierop heeft de verdachte niet voldaan aan de (algemene) voorwaarde, genoemd in artikel 15a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen.

Het hof zal de voorwaardelijke invrijheidstelling niet geheel herroepen. Het hof overweegt daartoe dat de voorwaardelijke invrijheidstelling 10 maanden beloopt. Daarvan is inmiddels blijkens de brief van de officier van justitie van 8 september 2010 - als gevolg van niet tijdige invrijheidstelling van de zijde van het Openbaar Ministerie- een periode van 33 dagen (van 6 augustus tot en met 8 september 2010) ten uitvoer gelegd.

Het hof stelt vast dat de verdachte, sinds september 2010, zijn leven ten goede heeft gekeerd. Hij heeft de door de politierechter bij wege van bijzondere voorwaarde voorgeschreven cursus Cognitieve Vaardigheden met succes afgerond, heeft inmiddels

-weliswaar thans tijdelijk maar met uitzicht op verlenging- werk gevonden, heeft het inburgeringsexamen gehaald, heeft afspraken gemaakt met zijn schuldeisers en heeft thans weer een goed contact met zijn voormalige partner en de kinderen. Deze positieve ontwikkeling zou worden doorbroken door volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Onder deze omstandigheden ziet het hof aanleiding de voorwaardelijke invrijheidstelling (slechts) gedeeltelijk te herroepen, te weten voor 33 dagen. Het hof zal, nu dit gedeelte van de voorwaardelijke invrijheidstelling reeds ten uitvoer is gelegd, afzien van het geven van de last als bedoeld in artikel 15j, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

motorkettingzaag (merk Stihl, type MS 170/180).

Bepaalt de straf de verdachte bij vonnis d.d. 30 juli 2010 door de politierechter Leeuwarden opgelegd ter zake van de niet aan hoger beroep onderworpen bewezen verklaarde feiten 3, 4 en 6 op:

gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, ook indien dit het volgen van een COVA en/of ARVA training inhoudt.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beslissing met betrekking tot de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling, terzake de gevangenisstraf opgelegd bij arrest van dit hof van 11 december 2009 onder parketnummer 24-000005-09, gedeeltelijk, te weten voor de duur van 33 (drieendertig) dagen.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. J.P. van Stempvoort, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 29 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.P. van Stempvoort is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.