Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR6129

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
24-002482-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte ter zake van rijden onder invloed tot een geldboete van € 1.100,--, subsidiair te vervangen door 21 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek. Bij strafoplegging geen rekening gehouden met maatregelen op grond van de artikelen 130 en volgende WVW 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002482-10

Uitspraak d.d.: 29 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank van 11 oktober 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 1.100,--, subsidiair te vervangen door 22 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. S.M. Klomp, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 29 april 2010 te [plaats] als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 940 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 april 2010 te [plaats] als bestuurder van een voertuig, dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 940 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 29 april 2010 schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft met een bestelauto gereden, terwijl hij onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol verkeerde. Verdachte heeft niet voldoende rechts gehouden, waardoor een aanrijding is ontstaan. Door in voornoemde toestand aan het verkeer deel te nemen, heeft de verdachte de verkeersveiligheid - daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers - in gevaar gebracht en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd.

Ter terechtzitting van het hof is door verdachte naar voren gebracht dat het voor hem erg bezwaarlijk is als hem een (onvoorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid zou worden opgelegd, nu hij als zelfstandige werkzaam is als glazenwasser, rioolontstopper en schoorsteenveger en daarbij sterk afhankelijk is van zijn rijbewijs. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat er tevens een procedure bij het CBR loopt in verband met testen voor de rijgeschiktheid, welke procedure hem inmiddels € 1.500,-- heeft gekost. In dat kader moet verdachte zijn rijbewijs een jaar missen.

Hoezeer de verdachte ook de procedure bij het CBR op de voet van de artikelen 130 en volgende van de Wegenverkeerswet 1994 en de daarmee verband houdende consequenties als bestraffing ervaart, de maatregelen die door het CBR worden getroffen hebben geen bestraffend karakter. Deze dienen het belang van de verkeersveiligheid. Dat betekent dat het hof, bij de beoordeling welke straf moet worden opgelegd, deze maatregelen buiten beschouwing zal laten.

Het hof neemt in aanmerking hetgeen bij de strafoplegging in situaties als deze, waarin een auto is bestuurd na gebruik van een dergelijke hoeveelheid alcohol en waarbij tevens een aanrijding is ontstaan, gebruikelijk is, te weten naast een geldboete tevens een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van tien maanden. Verdachte heeft weliswaar aannemelijk gemaakt dat een onvoorwaardelijke ontzegging voor hem bezwaarlijk is, met name omdat hij dan extra kosten moet maken om een chauffeur in te schakelen, maar niet is aannemelijk geworden dat een onvoorwaardelijke ontzegging van na te melden duur de verdachte onevenredig hard zal treffen. Het hof zal daarnaast, om verdachte te weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten, een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opleggen van na te melden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 1.100,00 (duizend honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte terzake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. J.P. van Stempvoort, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 29 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.P. van Stempvoort is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.