Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR5822

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
24-000747-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof neemt in het bijzonder bij de strafoplegging in aanmerking dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig delict, namelijk een gewelddadige en professioneel overkomende overval op een juweliersbedrijf.

Het hof zal de verdachte berechten volgens de bepalingen van het sanctierecht voor volwassenen. Dit gelet op de ernst van met name dit bewezen verklaarde delict en de hoge mate van professionele voorbereiding en koele uitvoering van dat delict.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000747-11

Uitspraak d.d.: 25 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 25 maart 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

thans verblijvende in de Justitiële Jeugd Inrichting Juvaid te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot toepassing van het sanctierecht voor volwassenen en veroordeling van de verdachte voor het onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. A.W. Syrier, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep van de verdachte is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 3 aan hem ten laste gelegde, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht, voor zover dat vonnis aan het oordeel van het hof is onderworpen, vernietigen en zal opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover hier van belang, dat:

1.

hij op of omstreeks 27 november 2010, in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid horloges en/of (andere) sieraden en/of andere voorwerpen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of juwelier [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s), althans alleen,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht en/of gericht gehouden, althans aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft getoond, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Down, down" en/of "Get down" en/of "You must get down", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- een bijtende en/of prikkende vloeistof of gas, althans substantie, in het gezicht van, althans in de richting van, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gespoten;

2.

hij op of omstreeks 03 november 2010 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid aftershave en/of scheermesjes, althans cosmetica-artikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Het hof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde

De verdachte heeft erkend het onder 1 ten laste gelegde te hebben gepleegd, met uitzondering van het in het laatste gedachtestreepje ten laste gelegde. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat pepperspray meegenomen was naar de juwelierswinkel.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte hiervan geen wetenschap had en dat de verdachte niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij had moeten weten dat een spuitbus met een bijtende en/of prikkelende vloeistof of gas zou kunnen worden gebruikt of zou worden gebruikt bij de overval op de juwelierswinkel, hetgeen dient te leiden tot partiële vrijspraak op dit onderdeel.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte aangevoerde verweer strekkende tot partiële vrijspraak wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt van een goed doordachte en professioneel overkomende voorbereiding en uitvoering van een overval op een juweliersbedrijf te [plaats 1], gepleegd door de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met twee anderen. Niet nodig is dat alle medeplegers de uitvoeringshandelingen mede verrichten. Nu ten tijde van de overval door een medeverdachte een bijtende en prikkende vloeistof of gas is gespoten in het gezicht van de slachtoffers, bestrijkt het medeplegen van de verdachte tevens deze feitelijke uitvoeringshandeling van zijn medeverdachte. Te meer nu deze uitvoeringshandeling zich heeft afgespeeld in het gezichtsveld van de verdachte en de verdachte zich niet heeft gedistantieerd van deze uitvoeringshandeling.

Op grond van voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn twee medeverdachten ook schuldig heeft gemaakt aan het in het laatste gedachtestreepje ten laste gelegde, zoals hieronder nader aangegeven.

Het hof verwerpt het verweer.

Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 2

De verdachte heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat hij in eerste aanleg ten onrechte is veroordeeld als medepleger van de onder 2 ten laste gelegde winkeldiefstal. De verdachte acht zichzelf enkel medeplichtig bij of tot die winkeldiefstal, aangezien hij slechts opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van die winkeldiefstal door toe te laten dat de weggenomen winkelgoederen bij hem in de tas werden gedaan, echter zonder dat hij van tevoren wist van de opzet van zijn medeverdachten op die winkeldiefstal.

Het hof is van oordeel dat dit door verdachte gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de winkeldiefstal op 3 november 2010 te [plaats 2] is gepleegd door verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met twee anderen.

De verdachte heeft ter zitting van het hof erkend dat hij heeft gezien en heeft toegelaten dat in de winkel door zijn medeverdachten goederen werden gestopt in een door de verdachte meegevoerde tas. Hij heeft zich niet van dit handelen gedistantieerd, is samen met een medeverdachte de kassa gepasseerd zonder voor alle onder zich genomen goederen te betalen, en is vervolgens, toen de bedrijfsleider achter hen aan ging, samen met zijn medeverdachten op de vlucht geslagen. Daarbij heeft de verdachte zich van de weggenomen goederen ontdaan.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, heeft de verdachte zich - ondanks dat hij daartoe op meerdere momenten in de gelegenheid is geweest - niet onttrokken aan of gedistantieerd van de wegnemingshandelingen van zijn medeverdachten en heeft hij een essentiële rol gespeeld in en een substantiële bijdrage geleverd aan de winkeldiefstal.

Op grond van de uiterlijke waarnemingsvorm van deze bijdrage van de verdachte aan het geheel, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan deze winkeldiefstal, zoals hieronder nader aangegeven.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 27 november 2010, in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid horloges en andere sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of juwelier [bedrijf], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met verdachtes mededaders,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gericht en/of gericht gehouden, en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Down, down" en/of "Get down" en/of "You must get down", en

- een bijtende vloeistof of gas in het gezicht van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gespoten;

2.

hij op 3 november 2010 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen aftershave en scheermesjes toebehorende aan het winkelbedrijf [bedrijf].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt berecht met toepassing van het bepaalde in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht, zijnde het sanctierecht voor volwassenen. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte overeenkomstig de bijzondere bepalingen van het sanctierecht voor minderjarigen, berecht dient te worden, nu de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde de leeftijd van 17 jaar had.

De raadsman heeft hierbij gewezen op de wettelijke gronden voor toepassing van het bepaalde in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de raadsman ter onderbouwing van zijn standpunt ten aanzien van de ernst van het onder 1 ten laste gelegde delict en de omstandigheden waaronder dat delict is begaan aan de hand van met name genoemde jurisprudentie een aantal delictsituaties geschetst waarin, ook bij gelegenheid van een overval, ernstiger geweld was toegepast dan in casu, maar desondanks niet het meerderjarigenstrafrecht werd toegepast.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de raadsman gesteld dat de verdachte zijns inziens niet opvallend berekenend is, althans niet meer dan andere jongeren. Uit het feit dat de verdachte ter zitting en op basis van de rapportage van de kinderbescherming in emotioneel opzicht vlak over komt, kan niet worden afgeleid dat de verdachte berekenend zou zijn of geen spijt zou hebben, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht, mede gelet op de geldende oriëntatiepunten voor de gerechten en het belang van een consistente strafoplegging, om een aanzienlijk lagere straf aan de verdachte op te leggen dan in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof overweegt dat de Raad voor de Kinderbescherming in het over de verdachte opgemaakte rapport van 24 februari 2011 heeft geconcludeerd dat de Raad weinig zicht heeft gekregen op de persoon van de verdachte en dat de verdachte, wat zijn sociale ontwikkeling betreft, leeftijdsadequaat functioneert. De verdachte is zich steeds bewust geweest van zijn procespositie en heeft ook ter zitting niet de indruk gewekt er veel spijt van te hebben.

Het hof zal de verdachte, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, berechten volgens de bepalingen van het sanctierecht voor volwassenen. Dit gelet op de ernst van met name het onder 1 bewezen verklaarde delict en de hoge mate van professionele voorbereiding en koele uitvoering van dat delict. Laatstgenoemde omstandigheden duiden op alleszins volwassen gedrag. Daarbij komt dat de verdachte ten tijde van dit delict op enkele maanden na de achttienjarige leeftijd had bereikt en dit delict is gepleegd door de verdachte met twee anderen die toen (net) de achttienjarige leeftijd hadden bereikt.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Het hof neemt in het bijzonder bij de strafoplegging in aanmerking dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig delict, namelijk een gewelddadige en professioneel overkomende overval op een juweliersbedrijf. De verdachte en zijn mededaders verbleven nog maar gedurende enige tijd in Nederland en besloten om uit geldbejag een juwelierszaak te beroven, zonder zich te bekommeren om het lot van de slachtoffers. De verdachte en zijn mededaders hebben daarbij van tevoren overlegd over een onderlinge rol- en taakverdeling. Zoals afgesproken, stapten zij direct na de overval op een trein richting Duitsland met de bedoeling om in Litouwen de buit te kunnen verkopen.

Door hun handelen hebben de verdachte en zijn mededaders het juweliersbedrijf in een chaos veranderd en veel schade en leed toegebracht aan de gedupeerden. Het is een feit van algemene bekendheid dat een gewelddadige overval voor de slachtoffers grote nadelige psychische gevolgen kan hebben. Ook de rechtsorde pleegt door dergelijke feiten te worden geschokt.

De verdachte heeft zich daarnaast, samen met zijn mededaders, schuldig gemaakt aan winkeldiefstal bij het winkelbedrijf [bedrijf]. Winkeldiefstal is een ergerlijk delict, dat hinder, schade en ergernis veroorzaakt voor de getroffen ondernemer. De verdachte heeft enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van financieel gewin en zich van deze mogelijke gevolgen geen rekenschap gegeven. De verdachte heeft door zijn handelen aan de getroffen ondernemer financiële schade en hinder toegebracht en heeft er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Naar het oordeel van het hof is de door de verdachte en zijn mededaders gepleegde overval op een juweliersbedrijf zo ernstig en voor de direct betrokkenen en de samenleving zo verontrustend, dat qua bestraffing alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking komt. Gelet echter op de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 juni 2011 in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, alsmede gelet op de nog jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde, alsmede de omstandigheid dat de verdachte uiteindelijk openheid van zaken heeft gegeven omtrent het plegen van het bewezen verklaarde, bestaat er voor het hof aanleiding aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan de straf die is opgelegd aan een reeds veroordeelde meerderjarige mededader.

In beslag genomen voorwerp

Het hof zal tenslotte verbeurd verklaren een onder de verdachte in beslag genomen tas, met opdruk Soulcal, nu met behulp van dit voorwerp het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit is gepleegd en gebleken is dat dit voorwerp aan de verdachte toebehoort.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 57, 77b, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 aan hem ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover dat vonnis aan het oordeel van het hof is onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd: een tas met opdruk Soulcal.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. J.A. Wiarda, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.D. Raven, griffier,

en op 25 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Wiarda en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.