Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR5354

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
24-000545-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van winkeldiefstal in vereniging veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000545-11

Uitspraak d.d.: 18 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Groningen van 28 februari 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde van toezicht door de jeugdreclassering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr. M.R.P. Ossentjuk, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het door de verdediging ingestelde hoger beroep gericht is tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, zal het hof verdachte daarin niet-ontvankelijk verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover aan hoger beroep onderworpen - ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 02 maart 2010 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een piercing en/of oorringen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij betoogd dat niet blijkt van enige samenwerking tussen medeverdachte [medeverdachte] en verdachte, er geen steunbewijs is voor de aangifte en dat piercings en oorringen geen onderscheidend vermogen hebben.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de door voor [bedrijf] werkzame beveiliger [beveiliger] gedane aangifte blijkt dat [beveiliger] op 2 maart 2010, omstreeks 14.40 uur, heeft waargenomen dat verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] zich samen op de sieradenafdeling bevinden. Daar hebben zij verschillende verpakkingen van sieraden in hun handen. Uiteindelijk nemen verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] twee platte verpakkingen van piercings mee en gaan zij samen met de lift naar een andere verdieping. In de lift zit medeverdachte [medeverdachte] in haar tas te rommelen. Dan stappen beiden uit de lift en gaan enig moment later lopend naar een andere afdeling, waarna zij met de lift naar de begane grond gaan. Op de begane grond loopt medeverdachte [medeverdachte] naar een schap op de sieradenafdeling en reikt naar het schap dat zich daar bevindt. Later worden op deze plaats twee lege platte doosjes aangetroffen waar piercings in worden verpakt. Daarnaast wordt op het schap een lege verpakking van grote goudkleurige oorringen gevonden. De bij dit doosje passende oorringen worden bij onderzoek aangetroffen in de jaszak van verdachte. Genoemde goederen zijn niet afgerekend.

Verbalisant [verbalisant] ziet - blijkens de kennisgeving van inbeslagneming - dat de piercing die medeverdachte [medeverdachte] ten tijde van het incident in haar lip heeft, kennelijk nieuw is en dat het bijbehorend plastic dopje, kennelijk te gebruiken om verlies van de piercing tegen te gaan, in haar broekzak aanwezig is.

Verdachte verklaart dat de bij haar aangetroffen goudkleurige oorringen niet zijn gestolen, maar dat zij deze op haar verjaardag heeft gekregen. De raadsman heeft in eerste aanleg een foto overgelegd waarop verdachte met goudkleurige oorringen staat afgebeeld. Niet echter is vast te stellen wanneer deze foto is gemaakt. Alleen daarom al kan het verweer niet in afdoende mate slagen.

Medeverdachte [medeverdachte] ontkent eveneens dat zij goederen heeft gestolen en verklaart dat zij de in haar lip aangetroffen piercing bij [bedrijf] of [bedrijf] heeft gekocht. Na onderzoek door verbalisant [verbalisant] is gebleken dat dergelijke piercings niet bij [bedrijf] worden verkocht en dat [bedrijf] geen piercings verkoopt. De piercing blijkt wel identiek te zijn aan de piercings die door [bedrijf] worden verkocht. Op grond hiervan acht het hof de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] onwaarachtig.

Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de aangifte en de zich in het dossier bevindende processen-verbaal te twijfelen, nu de aangifte in belangrijke mate steun vindt in het gegeven dat bij verdachte en haar medeverdachte de gestolen goederen zijn aangetroffen. Dat de piercing in een andere winkel gekocht is, is niet aannemelijk geworden. Uit de hiervoor vastgestelde feiten blijkt tevens voldoende van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met medeverdachte [medeverdachte], temeer ook nu beiden samen [bedrijf] hebben verlaten.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 02 maart 2010 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een piercing en oorringen, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met haar mededader schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit delict is een ergerlijke vorm van criminaliteit die voor winkeliers hinder en schade oplevert. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van winkelbedrijf [bedrijf].

Blijkens een uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 juni 2011 is verdachte niet eerder veroordeeld wegens een strafbaar feit.

Het hof heeft gelet op hetgeen door verdachte en haar raadsman omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren is gebracht en op een drietal rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 18 mei 2010, 29 september 2010 en 16 december 2010. De Raad uit zijn zorgen over het (toenmalige) functioneren van verdachte, en dan met name op het gebied van school.

Gelet op de relatief geringe ernst van het feit en het gegeven dat verdachte first offender is, is oplegging van een werkstraf van hierna te melden beperkte duur passend. Het hof ziet

- anders dan de advocaat-generaal - geen aanleiding om een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarde van toezicht door de jeugdreclassering. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de Raad zich voornamelijk zorgen maakt over de schoolgang van verdachte. Ook ambtshalve is niet gebleken dat er op andere terreinen zodanige problemen zijn die jeugdreclasseringstoezicht noodzakelijk maken. Het hof zal dan ook volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 18 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.