Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR4275

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
24-003091-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling, mishandeling gedurende langere periode en illegaal vuurwerkbezit. De bewijsverweren van de raadsman worden gepasseerd.

2. Anders dan rechtbank en AG, geen oplegging maatregel van TBS. Het hof komt namelijk niet tot de vaststelling dat er sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beide deskundigen van het PBC komen tot de conclusie dat de verdachte waarschijnlijk lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis, maar door de weigering van verdachte om mee te werken aan onderzoek zijn de onderzoeksmogelijkheden te beperkt gebleven om een verantwoord oordeel te geven over de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis binnen de grenzen van de beroepsethiek. Het hof beschikt niet over andere stukken over verdachte dan de deskundigen en uit de aard/ernst van de feiten in combinatie met de door verdachte afgelegde verklaringen, kan het hof niet vaststellen dat er sprake was een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Mede gelet op de recidive van verdachte en de beveiliging van de maatschappij, legt het hof een fors hogere gevangenisstraf op dan in eerste aanleg en thans door de AG gevorderd. Daarbij wordt in het bijzonder overwogen dat het hof, anders dan de rechtbank en de AG, niet tot de vaststelling komt dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof legt een gevangenisstraf van 6 jaren op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-003091-10

Uitspraak d.d.: 4 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 17 december 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 28 februari 2011, 26 mei 2011 en 21 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de eerste rechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. G.C. Pol, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraken van het onder 2 en 5 tenlastegelegde, kan verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis voor zover vatbaar voor hoger beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep van belang - tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks het tijdvak gevormd door 10 en 11 maart 2010 te [plaats] en/of [plaats], (althans) in de gemeente(n) [plaats] en/of [plaats], in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet die [slachtoffer] tegen haar wil (onder de [verbale] bedreiging dat er -zakelijk weergegeven- [een] handgrana[a]t[en] bij haar ouders en zusje door de deur zou[den] gaan) vanuit [plaats] in een auto meegenomen naar zijn, verdachtes, woning te [plaats] en/of die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, woning haar telefoon heeft afgenomen en/of die [slachtoffer] (met holle handen) op haar oren heeft geslagen (waardoor zij een gescheurd trommelvlies heeft opgelopen) en/of die [slachtoffer] een kopstoot tegen haar hoofd heeft gegeven en/of die [slachtoffer] meermalen met kracht op een of meer (andere) delen van haar lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of plukken haar van die [slachtoffer] heeft afgeknipt of afgesneden en/of (vervolgens) die [slachtoffer], die de woning niet mocht verlaten, heeft gesommeerd zich in een slaapkamer schuil en stil te houden op een moment dat er bezoek voor verdachte in die woning aanwezig was.

3.

hij in of omstreeks het tijdvak gevormd door 10 en 11 maart 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk chloor/bleekmiddel in het gezicht, althans over het hoofd, te gooien/gieten, en/of (met holle handen) op haar oren te slaan en/of een kopstoot tegen het hoofd te geven en/of meermalen met kracht op een of meer (andere) delen van het lichaam te stompen en/of te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte,

hij in of omstreeks het tijdvak gevormd door 10 en 11 maart 2010, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend [slachtoffer]

- chloor/bleekmiddel in het gezicht, althans over het hoofd heeft gegooid/gegoten en/of

- (met holle handen) op haar oren heeft geslagen en/of

- een kopstoot tegen het hoofd heeft gegeven en/of

- (meermalen) met kracht op een of meer (andere) delen van het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of

- plukken haar heeft afgeknipt of afgesneden,

(telkens) waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 28 februari 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk mishandelend [slachtoffer]

-tegen het hoofd en/of (een) ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of

-(een) zogenaamd(e) knietje(s) heeft gegeven en/of getrapt en/of geschopt en/of

-plukken haar uit haar hoofd heeft getrokken en/of

-een brandende sigaret tegen haar wang heeft gehouden en/of

-op de grond heeft gegooid en/of (vervolgens) over straat heeft gesleept/getrokken en/of

-zonder kleding en schoeisel uit de woning heeft gezet, buiten in de sneeuw,

(telkens) waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 11 maart 2010, in elk geval op of omstreeks 11 maart 2010, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten een hoeveelheid knalvuurwerk (ongeveer drie strijkers) voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van genoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer gestelde regels, immers waren die strijkers niet voorzien van een lading welke uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Feit 1

Ter terechtzitting van het hof hebben verdachte en diens raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit niet heeft begaan. Hiertoe is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte aangeefster niet wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd of beroofd gehouden en dat aangeefster vrijwillig met verdachte is meegegaan naar zijn woning in [plaats]. Er zou bovendien geen sprake zijn geweest van geweld en/of dwang. De verklaringen van aangeefster zijn niet geloofwaardig. Aangeefster heeft het bij haar aangetroffen letsel zelf veroorzaakt, aldus verdachte.

Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zij niet uit vrije wil met verdachte vanuit [plaats] naar [plaats] is meegegaan en dat zij ook niet uit vrije wil in de woning van verdachte heeft verbleven. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Deze verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo blijkt uit het verslag van letselonderzoek dat de geconstateerde verwondingen bij aangeefster allemaal dezelfde recentheid hebben en passen bij de door aangeefster genoemde tijdspanne. Ook blijkt uit dat verslag dat de recente verwondingen passen bij stomptrauma en dat het gescheurde trommelvlies kan zijn ontstaan door het slaan met holle handen op de oren. Bovendien worden de verklaringen van aangeefster ook ondersteund door de situatie zoals die in de woning van verdachte is aangetroffen door de verbalisanten. Toen verbalisanten aangeefster vertelden dat ze op verzoek van haar moeder kwamen, deed ze haar vinger voor de mond en zei: "hij mag niets horen". Op de vloer van de badkamer is dameskleding aangetroffen die sterk naar chloor rook, net als het haar van aangeefster. Tevens werd een fles bleekmiddel aangetroffen die niet meer geheel gevuld was. Het haar van het slachtoffer was aan één kant afgesneden. In de badkamer en de twee slaapkamers zijn plukken haar aangetroffen. Op de in een slaapkamer gevonden verfkrabber werden ook haren aangetroffen, net als aan het scheermes in de badkamer.

Dat aangeefster zichzelf in dusdanige mate zou hebben verwond, zoals verdachte stelt, acht het hof eveneens niet aannemelijk. Aangeefster heeft bij de politie direct aangegeven welke verwondingen zij zelf heeft veroorzaakt en welke verwondingen door verdachte zijn toegebracht.

Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster opzettelijk van de vrijheid heeft beroofd en vervolgens beroofd heeft gehouden.

Feit 3

De raadsman van verdachte heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte het letsel bij aangeefster heeft veroorzaakt en dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Verdachte stelt hiertoe dat aangeefster zichzelf heeft verwond. Door de raadsman van verdachte wordt aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster ongeloofwaardig zijn.

Volgens de raadsman kan subsidiair niet worden bewezen dat verdachte zijn opzet was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van de verschillende tenlastegelegde geweldshandelingen kan niet worden geconcludeerd dat zij zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kunnen hebben, aldus de raadsman.

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot feit 1 over het toegepaste geweld in de woning van verdachte.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof leest de tenlastelegging aldus dat wordt beoogd ten laste te leggen dat alle geweldhandelingen gezamenlijk uitgevoerd tot de conclusie leiden dat het geweld was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof is van oordeel dat aldus bezien het gedurende langere tijd de diverse tenlastegelegde vormen van geweld opeenvolgend uitvoeren, naar hun aard gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat de afzonderlijke geweldshandelingen van verdachte niet telkens gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zoals door de raadsman betoogd, laat deze conclusie onverlet.

Feit 4

Door de raadsman van verdachte is - zakelijk weergegeven - betoogd dat de verklaringen van aangeefster niet geloofwaardig zijn en terzijde dienen te worden gesteld. Door de raadsman wordt hiertoe op een aantal opmerkelijkheden en tegenstrijdigheden gewezen. Zo wordt de verklaring van aangeefster over een incident met een autostoel niet door de daarbij aanwezige getuige bevestigd. Voorts blijkt uit de smsjes en de ter terechtzitting van het hof overgelegde foto's niet dat er sprake zou zijn geweest van een ongelijkwaardige of gewelddadige relatie. Daarnaast zijn de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen gebaseerd op de verklaringen van aangeefster en niet afzonderlijk onderbouwd met steunbewijs, aldus de raadsman.

Naar het oordeel van het hof kan het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Vooropgesteld dient te worden dat de door de raadsman geformuleerde eis dat elk onderdeel van de tenlastelegging door meer dan een bewijsmiddel bewezen dient te worden geen steun vindt in het recht.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij aangeefster meermalen heeft mishandeld gedurende hun relatie. Aangeefster verklaart over verschillende geweldsincidenten die zich tijdens de relatie hebben voorgedaan. Naar het oordeel van het hof is er geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen en kunnen die verklaringen voor het bewijs worden gebruikt.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verklaringen van aangeefster worden ondersteund door verklaringen van de moeder en zus van aangeefster, alsmede door verklaringen van collega's. Elk geven zij aan letsel bij aangeefster te hebben waargenomen gedurende haar relatie met verdachte. Ook worden haar verklaringen ondersteund door het bezoek van aangeefster aan de huisarts in verband met door haar opgelopen letsel.

De omstandigheid dat de verklaring van aangeefster op een enkel punt geen bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal brengt niet mee dat haar verklaring als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ook de omstandigheid dat uit sms-berichten of foto's niet blijkt dat er sprake was van een gewelddadige relatie, rechtvaardigt niet de conclusie dat ander bewijs daartoe niet zou kunnen bijdragen.

Feit 6

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte

- ondanks zijn bekennende verklaring - dient te worden vrijgesproken van het onder 6 tenlastegelegde. De raadsman stelt zich daartoe op het standpunt dat uit het dossier blijkt dat het onoorbare karakter van de strijkers die verdachte in zijn bezit had enkel bestond uit de omstandigheid dat de strijkers waren voorzien van een wrijvingsontsteker, zodat de tenlastelegging ten onrechte niet is toegespitst op artikel 5, vierde lid, van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004. De tenlastelegging is toegespitst op artikel 9, eerste lid, van die Regeling, waarin wordt voorgeschreven dat de lading van het vuurwerk uitsluitend uit zwart buskruit mag bestaan tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram.

Het hof zal voormeld verweer van de raadsman passeren. Uit de op 24 oktober 2008 door dr. M. Koeberg opgemaakte deskundigenverklaring betreffende de strijkers die verdachte opzettelijk aanwezig had, volgt dat de effectlading van het vuurwerk bestond uit een mengsel van kaliumchloraat of kaliumperchloraat met zwavel en aluminium met eventueel bariumnitraat (p. 113 van het proces-verbaal). Naar het oordeel van het hof is derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een hoeveelheid knalvuurwerk voorhanden heeft gehad, terwijl de lading van dat vuurwerk niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit van ten hoogste 2,5 gram.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 3 primair, 4 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in het tijdvak gevormd door 10 en 11 maart 2010 te [plaats] en [plaats], opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met dat opzet die [slachtoffer] tegen haar wil, onder bedreiging dat er -zakelijk weergegeven- handgranaten bij haar ouders en zusje door de deur zouden gaan, vanuit [plaats] in een auto meegenomen naar zijn, verdachtes, woning te [plaats] en die [slachtoffer] met holle handen op haar oren heeft geslagen waardoor zij een gescheurd trommelvlies heeft opgelopen en die [slachtoffer] een kopstoot tegen haar hoofd heeft gegeven en die [slachtoffer] meermalen met kracht op andere delen van haar lichaam heeft gestompt en/of geslagen en plukken haar van die [slachtoffer] heeft afgesneden en die [slachtoffer], die de woning niet mocht verlaten, heeft gesommeerd zich in een slaapkamer schuil en stil te houden op een moment dat er bezoek voor verdachte in die woning aanwezig was.

3. (primair)

hij in het tijdvak gevormd door 10 en 11 maart 2010 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door deze opzettelijk chloor/bleekmiddel over het hoofd te gieten en met holle handen op haar oren te slaan en een kopstoot tegen het hoofd te geven en meermalen met kracht op andere delen van het lichaam te stompen en/of te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

4.

hij in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 28 februari 2010 te [plaats], meermalen, telkens opzettelijk mishandelend [slachtoffer]

-tegen het hoofd en het lichaam heeft gestompt en geslagen en

-zogenaamde knietjes heeft gegeven en geschopt en

-plukken haar uit haar hoofd heeft getrokken en

-een brandende sigaret tegen haar wang heeft gehouden en

-op de grond heeft gegooid en vervolgens over straat heeft gesleept/getrokken

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

6.

hij op omstreeks 11 maart 2010, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten een hoeveelheid knalvuurwerk (ongeveer drie strijkers) voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van genoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer gestelde regels, immers waren die strijkers niet voorzien van een lading welke uitsluitend bestond uit zwart buskruit tot een gewicht van ten hoogste 2,5 gram.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, hetgeen tevens omvat het opleggen aan verdachte van de maatregel van TBS met dwangverpleging.

Ingevolge het bepaalde in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) kan aan de verdachte, bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking worden gesteld.

In het onderhavige geval is verdachte ter observatie naar het Pieter Baan Centrum (PBC) geweest. Verdachte heeft daar geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek. Ondanks de weigering van verdachte om mee te werken, is informatie verzameld over de persoon van verdachte door middel van beschikbare stukken, het milieuonderzoek, oudere pro-justitia rapportage en de groepsobservatie.

Het derde lid van artikel 37a WvSr verklaart het tweede en derde lid van artikel 37 WvSr van overeenkomstige toepassing. Dat brengt mee dat bij een zogeheten 'weigerende observandus' zoals verdachte, de vereisten gesteld aan de rapportage in het tweede lid van artikel 37 WvSr buiten toepassing blijven. Het derde lid van artikel 37 WvSr houdt tevens in dat gedragsdeskundigen gezamenlijk of ieder afzonderlijk rapporteren over de reden van de weigering. De rechter kan zich door middel van een ander (eventueel ook ouder) advies of rapport laten voorlichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een last tot terbeschikkingstelling en aan de totstandkoming waarvan verdachte wel bereid is (geweest) zijn medewerking te verlenen. Ook is het mogelijk dat aan de hand van de feiten en de verklaringen van de verdachte kan worden geconcludeerd dat sprake was van een stoornis ten tijde van het plegen van de feiten.

In het rapport van het PBC d.d. 14 oktober 2010 wordt door deskundigen

C.M. van Deutekom en A.C. Bruijns geconcludeerd dat zij de indruk hebben dat er bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, maar dat zij vanwege het ontbreken van voldoende eigen onderzoek - als gevolg van de weigering van verdachte om mee te werken - niet tot een verantwoord diagnostisch oordeel hebben kunnen komen. Zij onthouden zich daarom van een advies. In het rapport worden door de deskundigen vanuit hun expertise een aantal mogelijke verklaringen gegeven voor de bevindingen in hun onderzoek.

Beide deskundigen zijn ter terechtzitting van de rechtbank gehoord. Beide deskundigen geven aan- zakelijk weergegeven - dat het waarschijnlijk is dat verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis. Tevens blijven beide deskundigen ter zitting bij hun conclusie dat de onderzoeksmogelijkheden, door de weigering van verdachte om mee te werken aan onderzoek, te beperkt zijn gebleven om tot een verantwoord oordeel te komen over de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis binnen de grenzen die de beroepsethiek aan hen stelt.

Uit het rapport van het PBC blijkt dat bij het uitgevoerde onderzoek gebruik is gemaakt van alle stukken waar het hof eveneens over beschikt met uitzondering van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank en het vonnis van de rechtbank.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, heeft het hof op basis van de beschikbare informatie niet kunnen vaststellen dat bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. In dit verband acht het hof doorslaggevend dat eerder genoemde deskundigen van het PBC op basis van hun bevindingen en alle eerdere over verdachte opgemaakte rapporten die grotendeels ook tot stand zijn gekomen zonder de medewerking van verdachte, niet een psychische stoornis hebben kunnen vaststellen. Hun vermoeden dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis - mede gelet op de gedragsstoornis in verdachtes jeugd en een terugkerend gedragspatroon binnen relaties van verdachte, waaronder de huidige tenlastegelegde feiten - hebben zij niet met eigen onderzoek kunnen toetsen. In het rapport van het PBC wordt onder het kopje "c. diagnostische beschouwing" aangegeven dat op een viertal specifiek genoemde diagnostische criteria geen uitspraken kunnen worden gedaan als gevolg van de beperking van het onderzoek door de weigering van verdachte om daar aan mee te werken.

Het hof heeft niet de beschikking over andere gegevens dan datgene waar het PBC bij het onderzoek gebruik van heeft gemaakt. De eerdere veroordelingen en het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waar de advocaat-generaal in navolging van de rechtbank in haar overwegingen naar verwijst, hebben deel uitgemaakt van de stukken waar het PBC tijdens het onderzoek gebruik van heeft gemaakt en kunnen daarom naar het oordeel van het hof niet beschouwd worden als andere informatie op basis waarvan het hof tot de vaststelling van de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens kan komen.

Daarnaast leidt de aard en de ernst van de gepleegde strafbare feiten, in onderling verband gezien met de door de verdachte afgelegde verklaringen, evenmin tot de slotconclusie dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten leed aan een gebrekkig ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Als gevolg hiervan zal het hof niet overgaan tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Door aangeefster van haar vrijheid te beroven en vervolgens gedurende een langere periode van haar vrijheid beroofd te houden, heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de vrijheid van aangeefster en heeft hij een beangstigende situatie voor aangeefster doen ontstaan.

Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling en meerdere mishandelingen. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster.

Verdachte valt bovendien aan te rekenen dat vorenbedoelde mishandelingen hebben plaatsgevonden over een tijdspanne van enkele maanden. Ten nadele van verdachte is dat hij sadistisch aandoende en vernederende handelingen heeft verricht, die ook bij eerdere veroordelingen van verdachte al een rol hebben gespeeld.

Uit de slachtofferverklaring d.d. 30 november 2010, opgesteld door de raadsman van de benadeelde partij/aangeefster, volgt dat aangeefster dagelijks lijdt onder de gevolgen van de bewezenverklaarde feiten. Bij aangeefster is een post traumatische stress stoornis vastgesteld en als gevolg van de gebeurtenissen is aangeefster niet in staat haar oude leven weer op te pakken.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van vuurwerk dat niet voldeed aan de Nederlandse vuurwerkvoorschriften. Zo had het vuurwerk een zwaardere lading dan is toegestaan voor consumentenvuurwerk. Dergelijk vuurwerk in handen van consumenten is gevaarlijk en kan letsel en schade aan derden veroorzaken.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld wegens geweldsdelicten. Uit het dossier blijkt dat twee van die veroordelingen verband hielden met relationeel geweld soortgelijk aan het bewezen verklaarde in deze zaak.

Voorts houdt het hof bij de strafoplegging ten aanzien van de feiten 3 en 4 rekening met de strafverhogende omstandigheid als bedoeld in artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf passend en geboden. Mede gelet op de recidive van verdachte en in verband met de beveiliging van de maatschappij, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van langere duur is geboden dan door de rechtbank is opgelegd en thans door de advocaat-generaal is gevorderd. Daarbij overweegt het hof in het bijzonder in aanvulling op het voorgaande nog dat een gevangenisstraf van langere duur is aangewezen, omdat het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, niet tot de vaststelling komt dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf van 6 jaren opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 4.330,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 3.780,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, 3 primair en 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 43a, 57, 282, 300 en 302 van het

Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit en

artikel 9 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 2 en 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover vatbaar voor beroep en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 primair, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 primair, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer] terzake van het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 3.780,00 (drieduizend zevenhonderdtachtig euro) aan schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 3.780,00 (drieduizend zevenhonderdtachtig euro) aan schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 (zevenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kuiper, griffier,

en op 4 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken,

zijnde mr. K. Lahuis buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.