Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR3125

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
26-07-2011
Zaaknummer
200.078.361/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijzing hangende hoger beroep. Incident. Nauwe samenhang met procedures bij een ander hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 26 juli 2011

Zaaknummer 200.078.361/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in het incident tot verwijzing wegens connexiteit ex art. 220 Rv in de zaak van:

de vennootschap naar buitenlands recht

Chamtor S.A.,

gevestigd te Bazancourt (Frankrijk),

appellante, tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Chamtor,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende [woonplaats],

geïntimeerde, tevens eiser in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. I.S. Oosterhoff, kantoorhoudende te Amsterdam.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 24 maart 2010 en 28 juli 2010 van de rechtbank Assen, sector civiel recht (hierna: de rechtbank).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 22 oktober 2010 is door Chamtor hoger beroep ingesteld van het eindvonnis van 28 juli 2010 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 14 december 2010.

Chamtor heeft van grieven gediend. De conclusie van de memorie van grieven (met één productie) luidt:

"(…) dat het Uw gerechtshof behaagt bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis op 28 juli 2010 door de rechtbank Assen tussen partijen gewezen (...) en, opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde van de kosten van beide instanties."

Bij incidentele memorie tot verwijzing heeft [geïntimeerde] verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage gevorderd.

Bij memorie van antwoord in het incident heeft Chamtor geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

Vervolgens heeft Chamtor de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident.

De beoordeling

in het incident

1. Het hier aan de orde zijnde incident, waarvan niet in geschil is dat de vordering tijdig is ingediend, moet worden beoordeeld aan de hand van art. 220 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hierin is bepaald -voor zover in dit geval relevant- dat de verwijzing naar een andere gewone rechter van gelijke rang kan worden gevorderd van verknochte zaken. Het hof is thans (zie anders Hof Leeuwarden, 14 maart 2007, zaaknr. CD 0600263) van oordeel dat art. 60 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie niet in de weg staat aan toewijzing van het gevorderde, net zo min als het feit dat het geding zich in de stand van hoger beroep bevindt. Het wettelijk stelsel dwingt niet tot een uitleg dat art. 220 Rv slechts zou gelden voor de eerste aanleg, mede gelet op de omstandigheid dat de toepasselijkheid voor het hoger beroep van voormelde bepaling niet uitdrukkelijk is uitgesloten door art. 353 Rv. Ook de eisen van een goede procesorde dwingen niet tot afwijzing (vgl. Hof Arnhem, 16 december 2003, LJN: AO4674).

2. [geïntimeerde] is statutair bestuurder van D.P. Supply B.V. te Emmen (hierna: DPS), van Basic Supply Groep B.V. te Emmen (hierna: BSG) en van Carboply B.V. te Emmen (hierna: Carboply).

3. [geïntimeerde] vordert verwijzing van de onderhavige procedure tussen hem en Chamtor naar het gerechtshof 's-Gravenhage wegens verknochtheid met de bij laatstgenoemd hof reeds aanhangige procedures (aldaar bekend onder nrs. 200.028.312 en 200.031.038). In die (gevoegde) procedures gaat het om de appellen tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 oktober 2008, dat is gewezen in de zaken tussen (1) DPS tegen Chamtor en BSG (zaaknr. 05-3660), en (2) Chamtor tegen Carboply en BSG (zaaknr. 06-1455). Volgens [geïntimeerde] hangt de beoordeling in de onderhavige zaak, waarin hij door Chamtor in privé wordt aangesproken op grond van aansprakelijkheid als bestuurder van Carboply, nauw samen met de uitkomst van genoemde Haagse appelprocedures.

4. Chamtor heeft dat laatste betwist, stellende dat van de vordering van Chamtor op [geïntimeerde] slechts twee van de acht onderdelen berusten op het niet betalen door Carboply van facturen van Chamtor. Volgens Chamtor is de onderhavige procedure dan ook slechts voor een gering onderdeel verknocht met de Haagse appelprocedures. Verder stelt Chamtor dat [geïntimeerde] met de incidentele vordering de zaak wil vertragen en onnodige complicaties opwerpt.

5. Ter zake van de vraag of sprake is van verknochte zaken, overweegt het hof als volgt. Alle acht gedragingen van [geïntimeerde] waarop Chamtor haar vordering baseert, betreffen - zo blijkt mede uit de inleidende dagvaarding- het handelen of nalaten van [geïntimeerde] in zijn kwaliteit van bestuurder van Carboply. Het bedrag dat Chamtor in de onderhavige procedure van [geïntimeerde] als schadevergoeding vordert (€ 1.423.205,89), is gelijk aan het bedrag dat Chamtor bij de Haagse rechtbank in zaaknr. 06-1455 heeft gevorderd van Carboply wegens niet betaalde facturen in verband met de levering van de producten genaamd proply en carboply. De rechtbank 's-Gravenhage heeft in zaaknr. 06-1455 de vordering van Chamtor op Carboply toegewezen tot een bedrag van € 1.416.783,89, uitvoerbaar bij voorraad. Chamtor erkent dat zij geen pogingen tot executie jegens Carboply heeft ondernomen, omdat Carboply geen verhaal biedt en dat hierin de reden is gelegen dat zij de procedure tegen [geïntimeerde] is begonnen. Onder deze omstandigheden, waarbij een nauw verband bestaat tussen de hoogte (en de toewijsbaarheid) van de vordering van Chamtor op Carboply en (de hoogte van) de schade die Chamtor stelt geleden te hebben als gevolg van onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] als bestuurder van Carboply, beantwoordt het hof voormelde vraag bevestigend.

6. De vraag waar het in het onderhavige incident vervolgens om gaat is of verwijzing naar het gerechtshof in 's-Gravenhage, alle belangen over en weer - waaronder die van de proceseconomie - in aanmerking nemend, in de rede ligt. Het hof is van oordeel dat beoordeling van de onderhavige zaak door hetzelfde hof dat ook de appellen van het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 oktober 2008 behandelt, uit het oogpunt van het voorkomen van dubbel werk en tegenstrijdige beslissingen de voorkeur geniet. De belangen van Chamtor verzetten zich hier niet tegen. Stroomlijning van de verschillende procedures zal niet tot onoverkomelijke complicaties leiden en de vrees voor (verdere) vertraging komt het hof ongegrond voor. Tot dat oordeel is het hof mede gekomen op grond van het feit dat de bij het gerechtshof te 's-Gravenhage aanhangige gedingen zich, evenals het onderhavige geding, nog in een beginstadium bevinden.

7. De conclusie luidt derhalve dat de incidentele vordering zal worden toegewezen en dat de zaak zal worden verwezen naar het hof te 's-Gravenhage, alwaar verder geprocedeerd kan worden op de wijze als bepaald in art. 221 Rv.

8. Aangezien geen der partijen kan worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij, zullen de kosten van het incident worden gecompenseerd, in die zien dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het incident:

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt ter verdere berechting naar het gerechtshof te 's-Gravenhage en compenseert de kosten van het incident, zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, L. Groefsema en G. van Rijssen, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 26 juli 2011 in bijzijn van de griffier.