Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2900

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
BK 10/00262 Vennootschapsbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1954
FutD 2011-1826
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 10/00262

uitspraakdatum: 12 juli 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X bv (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank) van 7 oktober 2010, nummer 10/51, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen (hierna: de Inspecteur)

1. Het ontstaan en de loop van het geding

1.1 De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag in de vennootschapsbelasting (: VPB) opgelegd.

1.2 Drs. A, werkzaam bij B heeft als gemachtigde van belanghebbende hiertegen een bezwaarschrift ingediend. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is bij brief van 8 januari 2010, ontvangen bij de Rechtbank op 11 januari 2010, in beroep gekomen. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 7 oktober 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2011 te Leeuwarden. Daarbij is verschenen van de zijde van belanghebbende mr. C als haar gemachtigde, bijgestaan door D van de zijde van belanghebbende, alsmede E namens de Inspecteur.

1.7 Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen onder 1.1 tot en met 1.7 staat vermeld in de uitspraak van de Rechtbank. Over deze feiten bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het Hof daarvan zal uitgaan. In die uitspraak zijn de feiten als volgt weergegeven (waarbij het Hof “eiseres” heeft vervangen door “belanghebbende” en “verweerder” door “de Inspecteur”). Het Hof heeft de feiten vernummerd tot 2.1 tot en met 2.7.

“2.1 Mevrouw drs. A van B heeft als gemachtigde van belanghebbende bij brief van 13 april 2007 bezwaar ingediend tegen onderhavige aanslag VPB. Bij brief van 8 mei 2007 heeft zij dit bezwaar nader gemotiveerd.

2.2 Bij brief van 2 augustus 2007 aan mevrouw A heeft de Inspecteur gevraagd om een nadere motivering van het bezwaarschrift.

2.3 Bij brief van 7 augustus 2007 aan de Inspecteur heeft mevrouw A meegedeeld dat het bezwaarschrift reeds is gemotiveerd en verzoekt zij om een spoedige behandeling van het bezwaarschrift.

2.4 Op brieven van 16 oktober 2007, 13 december 2007 en 14 februari 2008 van de Inspecteur aan mevrouw A, waarin belanghebbende onder meer wordt uitgenodigd om te worden gehoord, heeft zij niet gereageerd.

2.5 De onder het procesverloop opgenomen uitspraak op bezwaar is door de Inspecteur aan mevrouw A verzonden.

2.6 De Ontvanger van de Belastingdienst Noord/kantoor Emmen heeft belanghebbende bij brief van 30 oktober 2008 medegedeeld dat het verleende uitstel van betaling ten aanzien van onderhavige aanslag VPB is vervallen.

2.7 Belanghebbende heeft bij brief aan verweerder van 25 november 2008, ontvangen door de Inspecteur op 1 december 2008, onder meer het volgende geschreven:

"Betreft: 0000.00.000.V360112

Hierbij wil ik bezwaar maken tegen uw aanslag.

Op de aanslag is bezwaar gemaakt door mw. drs. A, werkzaam bij de toenmalige B.

Inmiddels ben ik van accountant gewisseld. Daarom schrijf ik u zelf deze brief."

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof het volgende vast:

2.8 Voorafgaand aan het opleggen van de aanslag VPB met dagtekening 14 april 2007 heeft er tussen partijen een vooroverleg plaatsgevonden over de onderwerpelijke aanslag.

2.9 In de hiervoor onder 2.4 vermelde brief van 14 februari 2008 van de Inspecteur is het volgende opgenomen:

“Samenvattend komen onze geschilpunten op het volgende neer. U bent van mening dat een zakelijke kwijtschelding van de vordering heeft plaatsgevonden terwijl ik van mening ben dat er sprake is van verliesfinanciering. Mijn standpunt leidt ertoe dat er sprake is van informeel kapitaal. Omdat het gehele bedrag (€ 309.697) tijdens de aanslagregeling is gecorrigeerd bevreemdt het mij dat u niet reageert op mijn veronderstelling dat in de loop van het jaar 2002 een situatie is ontstaan waarbij sprake is van verliesfinanciering.

(…)

Voordat ik uw bezwaarschrift volledig afwijs stel ik u nogmaals in de gelegenheid te reageren op mijn standpunt en mijn vraag aangaande de aandelen van F B.V. Ik verzoek u te reageren voor 29 februari 2008. Indien ik voor deze datum geen reactie van u heb ontvangen ga ik ervan uit dat u niet gehoord wenst te worden. Het bezwaarschrift zal ik dan ook volledig afwijzen. Ik stel mij dan op het standpunt dat het volledige bedrag als informeel kapitaal moet worden aangemerkt. (…)”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend.

Zij concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en - naar zij ter zitting in haar pleitnota uitdrukkelijk heeft aangegeven - tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur voor een inhoudelijke behandeling.

3.3 De Inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.3 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van de bestreden uitspraak, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.

4.2 Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt, ingevolge het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat drs. A ten tijde van de uitspraak op bezwaar als de vertegenwoordiger van belanghebbende was aan te merken en dat dit kenbaar was aan de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur derhalve door toezending van de uitspraak op bezwaar aan drs. A voldaan aan het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb.

4.4 Belanghebbende brengt hiertegen in dat omstandigheden van het onderhavige geval de Inspecteur ertoe hadden moeten bewegen de uitspraak op bezwaar niet alleen aan de destijds gemachtigde vertegenwoordiger maar ook aan belanghebbende te sturen, dan wel om voorafgaand aan het doen van uitspraak (telefonisch) contact te zoeken met belanghebbende. Zij wijst hierbij op het grote financiële belang van de aanslag, op de omstandigheden dat de Inspecteur wegens een vooroverleg op de hoogte was van de gevoeligheid van de zaak, dat de Inspecteur drie keer een rappel heeft gestuurd waarop niet is gereageerd en dat de Inspecteur in zijn rappel van 14 februari 2008 (zie 2.9) zijn bevreemding heeft uitgesproken over het uitblijven van een reactie van de kant van belanghebbende.

4.5 Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur in de onder 4.3 opgesomde omstandigheden geen aanleiding hoeven te vinden om voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar (telefonisch) contact te zoeken met belanghebbende zelf, dan wel om de uitspraak op bezwaar ook aan haar te sturen. De Inspecteur heeft ten tijde van de uitspraak op bezwaar ervan mogen uitgaan dat drs. A, of eventueel een andere medewerker van de Noordelijke Accountantsunie, nog steeds belanghebbendes vertegenwoordiger was. De door belanghebbende naar voren gebrachte omstandigheden hoeven niet op het tegendeel te wijzen. Evenmin is gesteld of gebleken dat de gemachtigde of belanghebbende zelf heeft verzocht een afschrift van de uitspraak aan haarzelf te verzenden. De omstandigheid dat belanghebbende door haar vertegenwoordiger niet op de hoogte is gebracht van de uitspraak op bezwaar doet hieraan niet af. Deze speelt zich af in het verkeer tussen belanghebbende en haar vertegenwoordiger en komt voor risico van belanghebbende.

4.6 Belanghebbende stelt dat de Inspecteur zich niet heeft gehouden aan punt 5 van het Besluit van 7 januari 2008, nr. CPP2007/3207M en punt 5 van het Besluit van 9 december 2008, Stcrt. 253. Het beleid op deze punten houdt in dat de inspecteur contact zoekt met een belanghebbende als hij niet reageert op de uitnodiging van een hoorgesprek.

4.7 Anders dan belanghebbende meent, heeft de Inspecteur in het onderhavige geval niet contact hoeven te zoeken met belanghebbende zelf, maar kon hij volstaan met het schriftelijke contact met haar vertegenwoordiger aangezien deze nog steeds als vertegenwoordiger was aan te merken. Het lag gelet op de aard van de correctie in het onderhavige geval (zie 2.9) ook voor de hand dat de Inspecteur voor een hoorgesprek contact zocht met haar professionele gemachtigde in plaats van met belanghebbende zelf.

4.8 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de uitspraak op bezwaar van 5 maart 2008 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Van een schending daarbij van het zorgvuldigheidsbeginsel of van het beginsel van fair play, is het Hof niet gebleken.

4.9 Nu de uitspraak op bezwaar de dagtekening 5 maart 2008 heeft, ving de beroepstermijn aan op 6 maart 2008 en eindigde die op 16 april 2008. Van de omstandigheid dat de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking is geen blijk gegeven. De brief van 25 november 2008 die, op de voet van artikel 6:15 van de Awb, als beroepschrift dient te worden aangemerkt, is ruim na afloop van de beroepstermijn ontvangen.

4.10 Voor haar beroep op artikel 6:11 van de Awb voert belanghebbende dezelfde omstandigheden aan als omschreven onder 4.4 en 4.6. Ook ter zake van de toepassing van artikel 6:11 van de Awb is het Hof van oordeel dat aan de voormelde omstandigheden niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de Inspecteur onbehoorlijk heeft gehandeld op grond waarvan een niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven. Aan de beoordeling van de door belanghebbende gestelde omstandigheid dat bij een toezending van de uitspraak aan belanghebbende er wel tijdig beroep zou zijn ingediend, komt het Hof niet toe.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. De kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

6. De beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. E. Polak en mr. A.C. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 12 juli 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

K. de Jong-Braaksma E. Polak

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 juli 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.