Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2531

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
24-000762-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt schuldig bevonden aan het medeplegen van diefstal van een krat bier en het witwassen van een fiets. Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte en zijn strafrechtelijke verleden wordt aan verdachte de ISD-maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000762-11

Uitspraak d.d.: 21 juli 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 24 maart 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 juli 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van feit 1 primair en 2 tot oplegging van de ISD-maatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.B. Pieters, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen reeds omdat er zich geen proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg bij de stukken bevindt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 18 januari 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/vanaf een balkon van een woning aan [straat] heeft weggenomen een krat bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming;

feit 1 subsidiair:

[medeverdachte] op of omstreeks 18 januari 2011 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een krat bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of verdachte, waarbij die [medeverdachte] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 januari 2011 te [plaats] en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar opzettelijk die krat van die [medeverdachte] aan/over te nemen en/of vast/tegen te houden;

feit 1 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 januari 2011 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een krat bier en/of/althans een of meer flesje(s) bier heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 9 tot en met 16 mei 2010, in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, een voorwerp, te weten een (heren)fiets (merk/type Merida Crossfire 8500, kleur rood/zilver), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, en/of/althans van een voorwerp, te weten een (heren)fiets (merk/type Merida Crossfire 8500, kleur rood/zilver), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 1

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 1 wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Uit die bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 18 januari 2011 samen met zijn broer [broer van verdachte] en '[medeverdachte]' ( het hof begrijpt: [medeverdachte]) op straat liep. Toen zij langs een wooncomplex liepen klom [medeverdachte] via een regenpijp naar een balkon. Verdachte en zijn broer stonden vanaf de straat toe te kijken. [medeverdachte] pakte een krat bier van het balkon en maakte aanstalten om weer naar beneden klimmen. Dit lukte echter niet goed. Verdachte pakte daarop het krat bier over van [medeverdachte]. Gedrieën liepen zij verder, met medeneming van het krat bier. Toen zij even later werden aangehouden had elk van hen een flesje bier uit het krat in handen.

De hiervoor omschreven gedragingen van verdachte (en zijn mededader) kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het wederrechtelijk toe-eigenen van het krat bier dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte het oogmerk had om dit gevolg te laten intreden. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij niet wist dat [medeverdachte] niet gerechtigd was om het krat bier van het balkon te pakken omdat hij dacht dat het balkon wellicht van een kennis van [medeverdachte] was. Dit acht het hof ongeloofwaardig, gelet op de hiervoor geschetste manier van het betreden van het balkon door [medeverdachte]. Mede gelet op de omstandigheid dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven omtrent zijn motieven voor het ten laste gelegde en ook anderszins geen aannemelijke verklaring voor die gedragingen is gebleken, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening het krat bier heeft weggenomen. Daarnaast blijkt uit de hiervoor geschetste omstandigheden van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededader, zodat aan de vereisten van medeplegen is voldaan. Het hof verwerpt het verweer.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 2

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 2 wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Door en namens verdachte is ter zitting van het hof aangevoerd dat verdachte niet wist dat de bewuste fiets gestolen was. Verdachte heeft verklaard dat hij de fiets, waarvan het slot ontbrak en waarvan de waarde naderhand door een medewerker van een fietsenwinkel op

€ 200,- werd geschat, heeft verkregen door de fiets 's avonds te ruilen voor een andere fiets, met een persoon van wie hij de naam niet weet maar die hij kent uit het drugs- en daklozencircuit.

Uit de hiervoor geschetste omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte ten tijde van het verwerven van de fiets willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het goed van misdrijf afkomstig was. Aldus heeft hij zich schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde witwassen. De verklaring van verdachte, dat hij de herkomst van de fiets op 16 mei 2010 door een politieambtenaar wilde laten controleren en dat hieruit volgt dat hij slechts goede bedoelingen had, schuift het hof terzijde, reeds omdat hiervoor al is vastgesteld dat verdachte ten tijde van het verwerven van de fiets willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het goed van misdrijf afkomstig was en pas na het verwerven van die fiets de herkomst door een politieambtenaar wilde laten controleren. In dit verband is nog van belang dat verdachte niet een politieambtenaar heeft opgezocht voor dit doel maar dat deze politieambtenaar naar aanleiding van een verzoek van de meldkamer de plaats heeft opgezocht waar verdachte zich ophield.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 18 januari 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een balkon van een woning aan [straat] heeft weggenomen een krat bier, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming;

feit 2:

hij in de periode van 9 tot en met 16 mei 2010, in de gemeente [gemeente], een (heren)fiets (merk/type Merida Crossfire 8500, kleur rood/zilver) heeft verworven, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof is van oordeel dat aan verdachte - overeenkomstig het vonnis van de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal - de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) moet worden opgelegd. Het hof heeft hierbij gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte en zijn (strafrechtelijke) verleden. Daarbij is in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 18 januari 2010 samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een krat bier, waarbij verdachtes mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming. In de periode van 9 tot en met 16 mei 2010 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van een fiets. Deze feiten betreffen in beide gevallen een misdrijf waarvoor ingevolge het bepaalde in artikel 67, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis is toegelaten. Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 21 juni 2011 is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem in de periode van 9 tot en met 16 mei 2010 begane feit (tenminste) vijfmaal wegens misdrijven onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen. Het onderhavige feit is begaan na de tenuitvoerlegging van (in elk geval het merendeel) van deze straffen. Oplegging van de ISD is - in weerwil van wat de raadsvrouw ter zitting hierover heeft opgemerkt - op dit punt in overeenstemming met de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers.

Met betrekking tot het recidivegevaar heeft het hof - behalve op voornoemd uittreksel uit het justitiële documentatieregister - gelet op hetgeen hieromtrent is vermeld in het reclasseringsadvies van Verslavingszorg Noord Nederland, d.d. 4 maart 2011, opgemaakt door [deskundige]. Voornoemd advies houdt op dit punt in dat het recidiverisico wordt geschat als hoog, gelet op het aantal (hoog) scorende criminogene factoren. Het hof is van oordeel dat op grond van vorenstaande er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Voornoemd reclasseringsadvies houdt daarnaast in - zakelijk weergegeven - :

De heer [verdachte] is een 31- jarige man die bekend is met een ernstige verslavingsproblematiek. Hij is per 1 januari 2009 op de veelplegerslijst van het openbaar ministerie te Groningen geplaatst. Daarnaast staat betrokkene op de veelplegerslijst van het openbaar ministerie te Zwolle. Hij heeft geen vaste woon- en verblijfplaats en heeft moeite met het functioneren in de samenleving. Het valt ons op dat betrokkene in detentie veelal aangeeft gemotiveerd te zijn om zijn leven op orde te brengen. Hij wenst op die momenten mee te werken aan een klinische behandeling of maakt afspraken over ambulante begeleiding. Eenmaal buiten de poort van de gevangenis komt er keer op keer van alle voornemens niets terecht en kent hij geen ander patroon dan middelengebruik, met als gevolg delictgedrag. Vervolgens vraagt hij niet meer om hulp of om hulp die niet direct geboden kan worden. Naast de hoge kans op recidive is er ook bij voortduring sprake van sociale desintegratie.

Gevraagd naar de aanbevelingen voor gedragskundige interventies en het juridische kader waarbinnen die interventies zouden dienen plaats te vinden, stelt [deskundige] in voornoemd rapport het volgende:

Binnen de gangbare reclasseringsinstrumenten lijken er thans geen mogelijkheden meer aanwezig om op succesvolle wijze een traject volledig af te ronden. Bovendien zijn reeds alle strafmodaliteiten benut zonder enig resultaat dan het opnieuw recidiveren van betrokkene.

Wij zijn nu op het punt gekomen dat wij geen nadere mogelijkheid meer zien dan het opleggen van de ISD-maatregel teneinde de kans op recidive te verkleinen. De ISD-maatregel kent een intra- en een extramurale fase. Tijdens de intramurale fase dient er een diagnostisch onderzoek bij betrokkene plaats te vinden, waarna er bij het NIFP een aanvraag voor een indicatiebesluit voor een geschikte setting kan worden aangevraagd. Ook kunnen er tijdens de intramurale fase gedragsinterventies aangeboden worden. Tijdens de extramurale fase kan betrokkene in een behandelinstelling in de gelegenheid worden gesteld om te komen tot een daadwerkelijke gedragsverandering. Hierbij wordt ook aandacht geschonken aan het vinden van huisvesting, het op orde brengen van zijn financiën en het uitoefenen van een zinvolle dagbesteding. De hoge justitiële druk van de ISD-maatregel in combinatie met de duur van de maatregel kan voor betrokkene het kader bieden om dit keer wel een volledig traject af te ronden, zodat hij kan ervaren dat er ook voor hem mogelijkheden zijn om een leven te leiden zonder het plegen van delicten. Wij adviseren dan ook om betrokkene bij bewezenverklaring een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaren. Gezien de problematiek van betrokkene is dit ons inziens de enige strafrechtelijke modaliteit waarbinnen wij betrokkene de benodigde justitiële druk kunnen geven om de noodzakelijke verandering te kunnen bewerkstelligen.

Het hof neemt voorgaande conclusies uit het rapport over en maakt die tot de zijne.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de inhoud van het rapport van het NIFP d.d. 14 maart 2011, inhoudende een verslag van een trajectconsult.

Gelet op al het vorenstaande zal het hof - in lijn met het reclasseringsadvies - de ISD-maatregel aan verdachte opleggen. Naast het belang van de bescherming van de maatschappij gedurende die periode, neemt het hof in aanmerking dat nakoming van de inspanningsverplichting van de penitentiaire inrichting om verdachte een passende behandeling te bieden, tijd zal vergen. Gelet op de inhoud van het eerder genoemde rapport is niet te verwachten dat de langdurige (verslavings-)problematiek van verdachte binnen een kortere tijd dan de maximale duur van de maatregel kan worden behandeld en verdachte vervolgens aansluitend kan worden begeleid. Daarom zal het hof ook de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Gelet op de specifieke persoonlijke omstandigheden van verdachte - zijn broer is gestorven tijdens een detentieperiode in de P.I. te Hoogeveen, waardoor verdachte grote bezwaren heeft om de intramurale fase in de P.I. Hoogeveen door te brengen - merkt het hof overeenkomstig voornoemd rapport op dat het wenselijk is dat er in geval van verdachte wordt afgeweken van de afspraken rond de Groningse veelplegeraanpak, zodat verdachte in een andere P.I. met een ISD-afdeling wordt geplaatst.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. J.P. van Stempvoort, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 21 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.P. van Stempvoort is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.