Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2468

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
24-000170-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging wegens verduistering in dienstbetrekking.

Verwerping van een bewijsverweer. Verwerping van een beroep op afwezigheid van alle schuld, op grond dat verdachte – kort gezegd – bewust handelde.

Volgt veroordeling tot voorwaardelijke gevangenisstraf, een geldboete en een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000170-11

Uitspraak d.d.: 20 juli 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 10 januari 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een werkstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.M. Klomp, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks in de periode van 29 september 2009 tot en met 06 oktober 2009, althans in de periode oktober 2009 t/m april 2010, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, opzettelijk één of meer materia(a)l(en) en/of gereedschap, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde] bv, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als zzp'er ingehuurd door [benadeelde] bv en/of uit hoofde van zijn beroep (als zzp'er), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging ten aanzien van het bewijs

De raadsvrouw van verdachte heeft gesteld dat verdachte de materialen en de gereedschappen die hij onder zich had, zich niet wederrechtelijk heeft toegeëigend. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte, direct nadat hij de goederen onder zich heeft gehouden, zich heeft gewend tot de curator in het faillissement van [bedrijf] te [plaats]. Dit omdat verdachte, aldus de raadsvrouw, een vordering op aangevers heeft. Hij heeft toen aan de curator vermeld welke goederen hij onder zich had, en waar die goederen zich bevonden. Ook stelt de raadsvrouw dat verdachte de goederen beschikbaar heeft gehouden voor de curator.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende. Uit de verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, blijkt dat de feitelijke gang van zaken anders ligt. Verdachte heeft verklaard (een deel van) de goederen - die hij uit hoofde van zijn beroep als ZZP-er onder zich had - en die hij tegen de wens van de benadeelde(n) onder zich heeft gehouden, te hebben verkocht. Daarnaast is hij een deel van die goederen blijven gebruiken bij zijn zelfstandige werkzaamheden. Deze goederen (gereedschappen) zijn daardoor aan slijtage onderhevig geweest en een aantal goederen is daarbij bovendien inmiddels stuk gegaan en is derhalve niet meer aanwezig, zo heeft verdachte verklaard. Op grond van deze verklaring van verdachte staat naar het oordeel van het hof vast dat verdachte als heer en meester over de bedoelde goederen heeft beschikt. De wederrechtelijke wegneming kan onder de bovengenoemde omstandigheden worden bewezenverklaard. Het hof verwerpt dit verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode oktober 2009 tot en met april 2010 in Nederland, opzettelijk materialen en gereedschap, dat toebehoorde aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke goederen verdachte, uit hoofde van zijn beroep als zzp'er, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Kwalificatie

het bewezen verklaarde levert op:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft.

Verweren en verwerping daarvan

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu er sprake is van afwezigheid van alle schuld. Ter onderbouwing heeft zij aangevoerd dat verdachte handelde in een noodsituatie omdat hij al enige tijd niet het loon uitbetaald kreeg waar hij recht op had, en hij uit zijn woning dreigde te worden gezet en hij niet kon voldoen aan zijn alimentatieverplichtingen. Omdat het begrijpelijk is dat verdachte onder die omstandigheden gereedschappen en goederen onder zich heeft gehouden, moet hij volgens de raadsvrouw worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich ervan bewust was dat hij het geschil met degene van wie hij nog loon tegoed stelt te hebben langs civielrechtelijke weg diende op te lossen. Omdat hij inschatte dat hij op die manier uiteindelijk met lege handen zou kunnen komen te staan, maakte hij de weloverwogen keuze om de gereedschappen en goederen onder zich te houden. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij bewust heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan.

Voor zover de raadsvrouw met de aanduiding van verdachtes positie als 'noodsituatie' een beroep heeft willen doen op overmacht, verwerpt het hof dit verweer. Op grond van de feitelijk aangevoerde omstandigheden is niet aannemelijk dat sprake was van een overmachtsituatie, nu er voor verdachte nog voldoende alternatieve mogelijkheden waren om zijn gestelde recht op uitbetaling op rechtmatige wijze in meer of mindere mate te effectueren.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte kon uit hoofde van zijn werkzaamheden als ZZP-er beschikken over materialen en gereedschappen die toebehoorden aan degene die hem voor zijn werkzaamheden inhuurde. Door zijn strafbare gedrag heeft hij zowel het vermogensbelang als het vertrouwen van zijn opdrachtgever geschaad. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verduisterde goederen op het moment van verduistering een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden.

Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 mei 2011, waaruit - ten nadele van verdachte - blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten.

Bij de strafoplegging houdt het hof voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting door hem en door zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat, overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal, in beginsel een werkstraf voor langere duur passend is. Omdat verdachte eigenmachtig, onrechtmatig en louter uit financieel gewin handelde, acht het hof oplegging van een geldstraf ook geboden. Daarom zal een lagere werkstraf van na te melden duur worden opgelegd. Ten slotte acht het hof oplegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk om te bevorderen dat verdachte van recidive wordt weerhouden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 17.871,04. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Verdachte heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze vordering. Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien onder meer een nader onderzoek naar de vraag wie als rechthebbende op de desbetreffende zaken heeft te gelden noodzakelijk zou zijn. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering in dit geding niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 1.100,00 (duizend honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. F.W.J. den Ottolander, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 20 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. J. Dolfing en F.W.J. den Ottolander zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.