Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2462

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
24-000087-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging wegens rijden onder invloed van alcohol.

Verwerping van verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens schending goede procesorde.

Verwerping Meer- en Vaartverweer, dat ertoe strekte dat niet verdachte maar een ander heeft gereden.

Volgt veroordeling tot werkstraf en rijontzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000087-11

Uitspraak d.d.: 20 juli 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 13 januari 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, alsmede tot oplegging van een rijontzegging voor de duur van acht maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. A.J. Welvering, naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft betoogd dat de goede procesorde is geschonden door het optreden van de verbalisanten. De verbalisanten die bij de aanhouding van verdachte betrokken waren en die inmiddels zelf als getuige waren aangewezen door de politierechter, hebben twee andere getuigen gehoord, namelijk twee vrouwen die zouden kunnen verklaren over het bestuurderschap van verdachte ten tijde van het feit. Van deze twee vrouwen had de verdediging ter zitting reeds aangegeven dat zij hen als getuige zou willen horen, zodat het niet meer op de weg van de betrokken verbalisanten lag om getuigen te horen Het was aan de politierechter om te beslissen over het nader horen van de beide vrouwen. De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging omdat door de aangegeven gang van zaken niet valt uit te sluiten dat de belangen van de verdediging ernstig zijn geschaad vanwege beïnvloeding van getuigen door een andere getuige, zodat sprake is van een schending het recht op een 'fair trial' zoals dat wordt beschermd in artikel 6, derde lid, sub d, van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de raadsman geschetste gang van zaken de conclusie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet kan dragen, nu de enkele mogelijkheid van beïnvloeding geen strijd met het 'fair trial' beginsel oplevert, omdat niet is gebleken dat er sprake is geweest van bewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging. Beide getuigen zijn bovendien ter zitting door de rechter gehoord, waarbij de raadsman in de gelegenheid is gesteld de getuigen te bevragen, zodat ook in die zin geen sprake kan zijn van een schending van artikel 6 EVRM.

Het hof stelt vast dat tijdens de zitting in eerste aanleg d.d. 25 maart 2010 de politierechter de behandeling heeft aangehouden naar aanleiding van het verzoek van de verdediging om als getuige te mogen horen verbalisant [verbalisant 1] alsmede een vrouw die kennelijk ten tijde van het gebeuren ter plaatse aanwezig was geweest en daarover had verklaard ten overstaan van de verbalisanten. De politierechter heeft daarbij bepaald dat op een volgende zitting de twee betrokken verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], als getuige gehoord zouden moeten worden. Ook heeft de politierechter toen overwogen dat "indien daartoe voldoende reden is zal moeten worden achterhaald wie de onbekende vrouw is" (het hof begrijpt: die mogelijk zou kunnen verklaren over het bestuurderschap van verdachte).

Bij gelegenheid van de volgende zitting van de politierechter d.d. 29 september 2010, bleek dat het niet om één, maar om twee vrouwen ging en dat die beide getuigen inmiddels door de politie, namelijk door de eerder genoemde verbalisant [verbalisant 1], waren gehoord. Op laatstgenoemde zitting van de politierechter zijn vervolgens de beide verbalisanten gehoord en daarna heeft de politierechter de behandeling nogmaals aangehouden teneinde de twee vrouwen ter zitting als getuige te horen. Ter zitting van de politierechter d.d. 13 januari 2011 zijn de beide vrouwen als getuige gehoord, waarbij de raadsman in de gelegenheid is gesteld vragen te stellen ook aan deze beide getuigen.

Omdat het verhoor van de beide bedoelde vrouwen door de politie heeft plaatsgevonden buiten de behandeling ter terechtzitting om, is naar het oordeel van het hof sprake van een 'voorbereidend onderzoek' als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een vormverzuim is het volgende van belang.

De opsporingsambtenaren hebben na de eerste behandeling in eerste aanleg niet alleen de identiteit van de betrokken vrouwen achterhaald, maar één van hen heeft de vrouwen ook verhoord. Een van hen heeft daarover verklaard dat dit gebeurde op verzoek van de rechtbank, de ander verklaarde dat daartoe een verzoek vanuit de centrale verwerkingseenheid van het openbaar ministerie was ontvangen.

Het hof is van oordeel dat het horen van de beide vrouwen als getuige door een verbalisant die - ingevolge de beslissing van de politierechter - zelf als getuige in deze zaak was of zou worden opgeroepen, in deze zaak tegen de achtergrond van het verzoek van de verdediging op zichzelf als onwenselijk kan worden aangemerkt. Voor zover hier al sprake zou zijn van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, is er naar het oordeel van het hof nog voldoende gelegenheid geweest voor herstel daarvan. De verdediging heeft ter zitting immers de gelegenheid gehad om zowel de beide verbalisanten als ook de beide vrouwen te bevragen. Daarbij behoefde men zich niet te beperken tot de inhoud van de zaak, maar kon men ook onderzoeken op welke wijze de verklaringen van de beide vrouwen bij de politie tot stand zijn gekomen. Van de zijde van de verdediging is ook niet gesteld dat daadwerkelijk sprake is van beïnvloeding van de beide vrouwen tijdens hun verhoor door de politie, terwijl van een dergelijke beïnvloeiding is evenmin gebleken. Voor toepassing van het bepaalde in artikel 359a Sv is daarom geen aanleiding.

Door deze gang van zaken alsmede door de gebleken inhoud van de verklaringen van de getuigen ter terechtzitting acht het hof - met de politierechter - ook overigens niet aannemelijk dat met het optreden van de opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft tekortgedaan. Het hof verwerpt het verweer derhalve.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 6 december 2009 te Leek als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto (bestelauto)), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 735 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Namens verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg aangevoerd dat niet verdachte, maar iemand anders de betreffende auto bestuurde, en dat verdachte passagier was. Verdachte wil de naam van die persoon niet bekendmaken uit angst voor represailles. Verdachte zou door deze persoon en medebewoners van zijn woonwagenkamp serieus zijn bedreigd om geen verklaring af te leggen die voor deze persoon als belastend zou kunnen worden aangemerkt.

De raadsman heeft bepleit dat, omdat niemand heeft gezien dat verdachte heeft gereden, en verdachtes eerste verklaring tegenover de politie innerlijk tegenstrijdig en niet betrouwbaar is, thans de mogelijkheid open blijft dat verdachte daadwerkelijk niet de bestuurder van de betreffende auto is geweest, zodat sprake is van een Meer en Vaart-situatie. Onder die omstandigheid moet verdachte worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

De advocaat-generaal heeft zich in deze op het standpunt gesteld dat verdachte in eerste instantie zelf heeft aangegeven de bestuurder van de auto te zijn geweest, dat de verdachte als enige persoon bij de auto is gezien. Verdachte is bovendien pas ter zitting van 25 maart 2010 voor het eerst met de mededeling gekomen dat er iemand anders dan hijzelf de auto bestuurde ten tijde van het feit, en heeft deze stelling te weinig onderbouwd, zodat zijn versie van de gebeurtenissen niet aannemelijk is geworden.

Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier vast dat er twee getuigen zijn die kort na het van de weg raken van de betreffende auto ter plaatse zijn gekomen. Het hof leidt dit af uit de omstandigheid dat deze beide getuigen hebben verklaard1 dat zij hoorden dat de motor van het voertuig nog in werking was toen zij ter plaatse aankwamen, terwijl een van hen heeft verklaard dat de motor eerst nog wel en kort daarna geen geluid meer maakte. Deze getuigen hebben geen andere personen bij dat voertuig gezien dan verdachte. Een van de getuigen heeft verdachte op de bestuurdersplaats van de auto zien zitten.

Verdachte heeft direct nadat de politie op de plaats van het ongeval arriveerde verklaard dat hij was weggegleden met de auto die hij bestuurde2. In het verhoor dat kort daarop werd afgenomen verklaarde verdachte onder meer dat het zou kunnen dat hij heeft gereden met iets teveel alcohol op, dat hij 'aan de glij is gegaan met de auto die hij bestuurde', en dat hij op het moment dat de auto van de weg raakte, bestuurder van die auto was. Verdachte verklaarde voorts dat hij op weg was naar huis, dat hij bij de rotonde van de weg raakte met de door hem bestuurde auto en dat hij de rotonde voor driekwart wilde nemen3.

De door verdachte gestelde alternatieve toedracht, te weten dat een ander de auto heeft bestuurd, wordt naar het oordeel van het hof door het voorgaande niet ondersteund, waarbij het hof nog overweegt dat de verklaring van verdachte waarin hij heeft verteld dat hij heeft gereden als betrouwbaar kan worden aangemerkt, ondanks dat de verbalisanten hebben opgemerkt dat de verdachte een afwezige indruk maakte en moeilijk wakker kon blijven, nu verdachte niet alleen heeft verklaard dat hij de auto bestuurde, maar ook meer gedetailleerd en feitelijk heeft verklaard over de wijze waarop hij reed, over waar hij naartoe wilde rijden en over de plaats waar en de wijze waarop hij met de auto een ongeluk kreeg.

Daar komt bij dat verdachte ervoor heeft gekozen om verificatie van zijn alternatieve lezing onmogelijk te maken, door de naam van de gestelde bestuurder niet bekend te maken. Ook om die reden, temeer er voor die stelling in de stukken verder geen enkele ondersteuning te vinden is, acht het hof de lezing van verdachte dat een ander de auto zou hebben bestuurd onaannemelijk.

Het hof verwerpt daarom dit verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 december 2009 te Leek als bestuurder van een voertuig, (bestelauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 735 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Kwalificatie

het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft met een bestelauto gereden terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Door in die toestand aan het verkeer deel te nemen, heeft verdachte de verkeersveiligheid - daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers - in gevaar gebracht en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 17 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld, onder meer ter zake van soortgelijke verkeersdelicten.

Ter terechtzitting van het hof is door de verdediging naar voren gebracht dat het voor verdachte erg bezwaarlijk zou zijn om een geldboete te moeten voldoen. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte kampt met een grote schuldenlast terwijl hij over een gering inkomen beschikt. Verdachte zou via de Gemeentelijke Kredietbank slechts beschikken over een beperkte wekelijkse toelage. Een geldboete zou door verdachte niet kunnen worden voldaan.

Hoewel de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ter zake van het bewezen verklaarde delict, oplegging van een geldboete naast een rijontzegging indiceren, acht het hof in het onderhavige geval oplegging van een werkstraf naast een rijontzegging - zoals door de advocaat-generaal gevorderd - een passende strafmodaliteit. Een werkstraf van veertig dagen, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur, doet naar het oordeel van het hof recht aan de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd en de persoon van de verdachte en is derhalve een passende bestraffing.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte terzake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. F.W.J. den Ottolander, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 20 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.W.J. den Ottolander is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaalnummer PL01MD 2009120373-14, d.d. 20 augustus 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] en proces-verbaalnummer PL01MD 2009120373-15, d.d. 27 augustus 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1]

2 Proces-verbaalnummer 2009120373-3, d.d. 6 december 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1]

3 Proces-verbaalnummer 2009120373-6, d.d. 6 december 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1]