Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2250

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
WAHV 200.082.104
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Sanctie ter zake van als bestuurder handelen in strijd met bord C4 (Eenrichtingsweg). Het noodzakelijke achteruitrijden tijdens bijzondere manoeuvres, zoals (file)parkeren en een uitrit inrijden, kan niet worden beschouwd als niet gevolg geven aan bord C4. In dit geval ging het achteruitrijden verder dan noodzakelijk voor het parkeren. Sanctie terecht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 2
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2013/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.082.104

11 juli 2011

CJIB 141923293

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 21 december 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing gegrond verklaard en de bestreden beslissing alsmede de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “als bestuurder handelen, in strijd met een gesloten verklaring, eenrichtingsweg (bord C4)”, welke gedraging zou zijn verricht op 6 maart 2010 om 16.48 uur op het Columbusplein, ter hoogte van nummer 171, te Amsterdam.

2. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigd. Hiertoe heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen:

“Betrokkene heeft naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat het bord C4, ten behoeve van het noodzakelijk inparkeren, over een korte afstand achteruitrijdend is gepasseerd met als enig oogmerk om de auto te parkeren. Deze handelwijze is toegestaan. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de sanctie ten onrechte is opgelegd.”

3. Door de officier van justitie is hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, omdat de kantonrechter ten onrechte tot vernietiging van de beschikking is overgegaan. Uit de verklaring van de verbalisant volgt immers dat de betrokkene over een afstand van 20 meter achteruit is gereden, zodat is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

4. Door de betrokkene is aangevoerd dat hij een korte afstand - niet meer dan 5 meter - achteruit is gereden met als doel zijn voertuig te parkeren. Ter zitting van de kantonrechter heeft de betrokkene hiertoe onder meer aangevoerd dat hij voornemens was om zijn voertuig in een rechts van de weg gelegen parkeervak te parkeren, maar dat hij vervolgens constateerde dat een ander voertuig de door hem beoogde parkeerplaats innam. De betrokkene had enkele meters daarvoor een vrije parkeerplaats gezien. Hierop is hij achteruit gereden teneinde daar te kunnen parkeren. Naar de mening van de betrokkene was achteruitrijden dan ook toegestaan. Bovendien reed er geen verkeer achter de betrokkene, zodat hij niemand heeft gehinderd.

5. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“Ik zag dat betrokkene vanuit de Columbusstraat richting het Columbusplein reed naar (het hof leest: waar) bord C4 (…) van toepassing is. Vervolgens reed betrokkene over een afstand van ongeveer 20 meter achteruit richting de Davisstraat en negeerde bord C4.”

7. Bij brief van 29 juli 2010 heeft de verbalisant aanvullend nog het volgende verklaard: “Ik zag dat betrokkene over een afstand van ongeveer 20 meter met zijn voertuig achteruit reed en vervolgens zijn voertuig inparkeerde.”

8. Het hof stelt het volgende voorop. Indien met een bord C4, als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), is aangegeven dat de weg dient te worden aangeduid als eenrichtingsweg, brengt dit met zich dat het betreffende verkeer zich enkel in de op het bord aangegeven richting mag voortbewegen. Achteruitrijden op een eenrichtingsweg is derhalve niet toegestaan. Het noodzakelijke achteruitrijden tijdens bijzondere manoeuvres zoals (file)parkeren en het inrijden van een uitrit kan echter niet worden beschouwd als het niet gevolg geven aan bedoeld verkeersteken.

9. Voor de beantwoording van de vraag of de onderhavige gedraging is verricht is derhalve van belang om vast te stellen of de betrokkene achteruit heeft gereden op een als zodanig aangeduide eenrichtingsweg en zo ja, of dat gebeurde als noodzakelijk en onvermijdelijk onderdeel van een bijzondere procedure. Niet in geding is dat de betrokkene achteruit heeft gereden op een eenrichtingsweg. Discussie bestaat echter over de vraag of dat achteruitrijden noodzakelijk en onvermijdelijk onderdeel was van de parkeermanoeuvre. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

10. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene aanvoert geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de betrokkene over een afstand van ongeveer 20 meter achteruit is gereden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de betrokkene zijn stelling, inhoudende dat hij slechts korte afstand - niet meer dan 5 meter - achteruit is gereden, niet heeft onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Voorts merkt het hof op dat de betrokkene heeft verklaard dat hij de betreffende parkeerplaats voorbij is gereden, omdat hij meende dat verderop ook een vrije parkeerplaats beschikbaar was. Toen dat niet het geval bleek, is de betrokkene achteruit gereden om alsnog te parkeren op de eerder gepasseerde parkeerplaats. Gelet op de verklaring van de verbalisant en de verklaring van de betrokkene over de reden van het achteruitrijden met zijn voertuig, is het hof van oordeel dat het achteruitrijden door de betrokkene verder ging dan het bij het parkeren van een voertuig noodzakelijke achteruitrijden. Derhalve is het hof van oordeel dat is komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht.

11. Nu is komen vast te staan dat de gedraging is verricht, dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn om het bedrag van de sanctie te matigen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

12. Op grond van artikel 2, derde lid, WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.

13. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot matiging van het bedrag van de sanctie. De omstandigheid dat geen sprake was van het hinderen van overige weggebruikers, kan niet als zodanig gelden. Het verrichten van een gedraging als de onderhavige kan namelijk op zichzelf al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen. Voor oplegging van een sanctie is dus niet van belang of door de gedraging daadwerkelijk weggebruikers zijn gehinderd.

14. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft gegeven, zodat het hof die beslissing zal vernietigen en doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep ongegrond zal verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.