Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2137

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
WAHV 200.079.117
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Sanctie ter zake van “rechts inhalen waar dat is verboden.” Uitleg van artikel 11, lid 4, RVV 1990. Gelet op de inhoud van de verklaring van de verbalisant is de uitzondering van 11, lid 4, RVV 1990 in dit geval wel van toepassing is. Sanctie ten onrechte opgelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2012/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.079.117

20 juni 2011

CJIB 138510025

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 26 november 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 160,- opgelegd ter zake van “rechts inhalen waar dat is verboden”, welke gedraging zou zijn verricht op 28 januari 2010 om 08.57 uur op de Rijksweg A15 rechts te Hoogvliet met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].

2. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht, zodat de inleidende beschikking dient te worden vernietigd. Hiertoe wordt aangevoerd dat de betrokkene voertuigen rechts heeft ingehaald bij blokmarkering teneinde de afslag te nemen in de richting Hoogvliet, hetgeen op grond van artikel 11, vierde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is toegestaan.

3. Artikel 11, vierde lid, van het RVV 1990 bepaalt het volgende:

“Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen.”

4. Onder verwijzing naar overweging 7. in het arrest van dit hof van 8 april 2011, WAHV 200.079.201, LJN BQ4451, te raadplegen via rechtspraak.nl, merkt het hof op dat voornoemd artikellid zo dient te worden begrepen, dat de betrokkene zich rechts van de blokmarkering bevindt als hij met gebruikmaking van de invoegstrook bezig is in te voegen op de doorgaande rijbaan of met gebruikmaking van de uitrijstrook bezig is de doorgaande rijbaan te verlaten.

5. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. In het aanvullend proces-verbaal d.d. 16 augustus 2010 verklaart de verbalisant onder meer het volgende:

“Op maandag 28 januari 2010, omstreeks 08:57 uur reed verbalisant op de A15 rijstrook 1 te Hoogvliet toen verbalisant ter hoogte van hectometerpaal 46.0 zag dat betrokkene met een hoge snelheid rechts inhaalde via met blokmarkering gemarkeerde afslag om vermoedelijk af te slaan naar Hoogvliet. De geschatte snelheid was ongeveer 120 km per uur. Zelf reed verbalisant op rijstrook 1 met een snelheid van ongeveer 100 km per uur omdat ik deze snelheid constateerde op mijn kilometerteller. Bij het inrijden van de tunnel zag ik verbalisant dat betrokkene in (de) tunnel de afslag verliet naar rijstrook 2 om een mede weggebruiker die langzamer reed links in te halen. Inmiddels was betrokkene ongeveer 3 wagens rechts gepasseerd op de afslag met blokmarkering. Omdat betrokkene weer op rijstrook 2 ging rijden om een medeweggebruiker in te halen die langzamer reed, pleegde betrokkene het genoemde feit en heb ik betrokkene verbaliseert (het hof leest: geverbaliseerd). De situatie die betrokkene met zijn actie veroorzaakte was onrustig en gaf irritatie naar andere weggebruikers. Het verkeer in de tunnel stagneerde in verband met spitsdrukte. Ik heb betrokkene niet de genoemde afslag naar Hoogvliet zien nemen omdat het verkeer in de tunnel opstroopte.”

7. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verbalisant aangeeft dat de betrokkene drie voertuigen rechts heeft ingehaald bij blokmarkering. Aangezien door de betrokkene wordt aangevoerd en uit de verklaring van de verbalisant niet anders blijkt dan dat de betrokkene met gebruikmaking van de uitrijstrook de doorgaande rijbaan heeft verlaten in de richting van Hoogvliet, bevond de betrokkene zich rechts van de blokmarkering, zodat hij bestuurders die zich links van die blokmarkering bevonden mocht inhalen. Dat de betrokkene daarbij tijdelijk de doorgaande rijbaan is gaan berijden, met als kennelijk doel het links inhalen van een langzamer rijdend voertuig op de uitrijstrook, brengt niet mee dat de betrokkene de onderhavige gedraging heeft verricht. Voorts merkt het hof op dat indien zulks plaatsvindt ter plaatse waar dwangpijlen op de uitrijstrook zijn aangebracht, het verbod in artikel 78, tweede lid, van het RVV 1990 geldt. Daargelaten de vraag of in deze fase van de procedure de feitcode van de gedraging nog gewijzigd zou kunnen worden, blijkt niet dat van die situatie sprake is geweest.

8. Gelet op het vorenstaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Na vernietiging van de beslissing van de kantonrechter zal het hof doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen. Het bedrag van de zekerheidstelling dient aan de betrokkene te worden gerestitueerd.

9. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen die kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift en het indienen van een nadere toelichting op het hoger beroep. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een half punt. De waarde per punt bedraagt € 437,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 764,75 (= 3,5 punt x € 437,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 5 april 2010, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 138510025 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 166,-, door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 764,75.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Sekeris, in tegenwoordigheid van

mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting, zijnde mr. Sekeris buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.