Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1724

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-07-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
24-002748-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een voorwaardelijke geldboete vanwege beschadiging van een personenauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002748-10

Uitspraak d.d.: 15 juli 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 15 november 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van 150 euro, subsidiair 3 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 17 juni 2009 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Lancia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 juni 2009 te [plaats], opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Lancia), toebehorende aan [benadeelde], heeft beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 17 juni 2009 schuldig gemaakt aan beschadiging van een auto. Hij heeft tegen de rechterachterzijde van de auto van [benadeelde] getrapt en heeft daarbij een deuk in die auto veroorzaakt. Door aldus te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [benadeelde].

Uit de verklaringen van verdachte, zowel afgelegd ten overstaan van verbalisanten als ter terechtzitting van de politierechter en het hof, valt af te leiden dat hij de gebeurtenissen weliswaar betreurt, maar zijn gedragingen tevens bagatelliseert en tot op zekere hoogte de mening is toegedaan dat aangeefster deze over zichzelf heeft afgeroepen. Het hof is evenwel van oordeel dat verdachte, wat er ook zij van de kennelijk geëscaleerde emoties, zich dient te onthouden van dergelijk gedrag.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof is met de politierechter en de advocaat-generaal van oordeel dat volstaan kan worden met oplegging van een geldboete. Het hof beschouwt het gedrag van verdachte als een incident en ziet daarin aanleiding de geldboete weliswaar te verhogen, maar deze voorwaardelijk op te leggen, waarmee het hof beoogt verdachte ervan te weerhouden opnieuw over te gaan tot strafbare gedragingen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 1.309,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Tegen de vordering van de benadeelde partij is van de zijde van verdachte aangevoerd, dat de door de benadeelde partij opgegeven kosten van de schade en de reparatie daarvan te hoog zijn geschat. Verdachte heeft hieromtrent informatie ingewonnen bij verschillende autobedrijven en heeft gemotiveerd aangevoerd dat de aanwezige schade op maximaal 500 euro kan worden geschat. Gelet hierop en op de uit het dossier blijkende ouderdom en geschatte waarde van de auto, stelt het hof de schade, op basis van redelijkheid en billijkheid, vast op EUR 500,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het bewezen verklaarde tot een bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 500,00 (vijfhonderd euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. D.J. Keur en mr. H.J. Deuring, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W. Landstra, griffier,

en op 15 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.