Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1630

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
24-002922-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van het samen met een ander opzettelijk aanwezig hebben van een zeer grote hoeveelheid hennepplanten, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit geeft het hof toepassing aan het bepaalde in artikel 416 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002922-09

Uitspraak d.d.: 14 juli 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 2 november 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn hoger beroep voor zover het is gericht tegen het onder 2 ten laste gelegde, en tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde (opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten) tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. Jakobs, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof aangegeven dat er van de zijde van het openbaar ministerie geen bezwaren worden opgegeven met betrekking tot de beslissing van de politierechter voor wat betreft feit 2. Zij heeft gevorderd dat het hof toepassing geeft aan het bepaalde in art. 416 lid 3 Wetboek van Strafvordering.

Het hof zal overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal beslissen en het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 05 september 2008 tot en met 19 maart 2009, in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) (een) grote hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 4023, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij in de periode van 5 september 2008 tot en met 19 maart 2009, in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 4023 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door samen met zijn mededader [medeverdachte] een zeer grote hoeveelheid hennepplanten aanwezig te hebben. Het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Daarmee heeft verdachte kennelijk geen rekening gehouden. Hij heeft slechts zijn eigen belangen voor ogen gehad. Hij zorgde ervoor dat de hennep niet kon worden gestolen uit de woning, waarin de kwekerij zich bevond. Door zich hiermee in te laten verschafte hij zich tevens woonruimte.

Ten nadele van verdachte spreekt dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 28 april 2011, in het verleden meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ter zake van overtreding van de Opiumwet. De straffen die verdachte in dat kader zijn opgelegd, hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. Hierbij neemt het hof evenwel in aanmerking dat deze veroordelingen niet van recente datum zijn. Verdachte is sinds 2004 - tot de onderhavige strafzaak - niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Deze veroordelingen hebben bij het bepalen van de hoogte van de straf dan ook geen rol gespeeld.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof

- overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - oplegging van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voorzover gericht tegen het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,

mr. P. Koolschijn en mr. G.N. Roes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 14 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.N. Roes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.