Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1319

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
200.057.314/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft op freelance basis werkzaamheden verricht voor de gemeente. Appellant heeft over zijn inkomsten geen aangifte inkomstenbelasting gedaan. Belastingdienst heeft bij de gemeente alsnog loonbelasting en premies ingevorderd. De gemeente heeft de loonbelasting en premies bij appellant teruggevorderd op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Tot welk bedrag was appellant verrijkt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 12 juli 2011

Zaaknummer 200.057.314/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. D.C. Poiesz, kantoorhoudende te Sneek,

tegen

Gemeente Achtkarspelen,

zetelende te Buitenpost,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. M.P. Waninge, kantoorhoudende te Groningen.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het arrest van 15 februari 2011 dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

[appellant] heeft een akte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De beoordeling

1. Het hof heeft [appellant] bij arrest van 15 februari 2011 in de gelegenheid gesteld te reageren op de stelling van de gemeente dat ook in het geval zou moeten worden uitgegaan van de door [betrokkene] berekende heffing aan inkomstenbelasting van € 32.647,-, de Belastingdienst ongetwijfeld een vergrijpboete aan [appellant] zou hebben opgelegd en heffingsrente zou hebben gevorderd. Afhankelijk van de hoogte van de boete, 25% uitgaande van grove schuld of 50% uitgaande van opzet, zou [appellant] in het geval de Belastingdienst hem een naheffingsaanslag zou hebben opgelegd € 46.544,-, dan wel € 54.705,75, aan de Belastingdienst hebben moeten betalen, aldus de gemeente.

2. [appellant] heeft aangevoerd dat de gemeente op de stoel van de Belastingdienst is gaan zitten door hem feitelijk een naheffing inkomstenbelasting op te leggen met haar eigen onderbouwing en interpretatie van de regelgeving. Hij heeft er op gewezen dat de Belastingdienst bevoegd is een boete en heffingsrente op te leggen, maar dat zij daartoe niet verplicht is. De gemeente heeft hem, zo heeft hij gesteld, de mogelijkheid onthouden bij de Belastingdienst feiten en omstandigheden naar voren te brengen die de Belastingdienst er toe hadden kunnen leiden af te zien van gebruikmaking van die bevoegdheid, dan wel de boete en de rente op een lager bedrag vast te stellen. In dat verband acht [appellant] van belang dat hij gedurende zeer lange tijd in het buitenland heeft gewerkt en gewoond, waar een totaal andere belastingsystematiek gold. Verder heeft hij naar voren gebracht dat een verbetering van de aangifte zou hebben kunnen plaatsvinden en had de Belastingdienst zijn financiële omstandigheden in zijn beschouwingen kunnen betrekken. Evenmin heeft hij gebruik kunnen maken van de "inkeerregeling".

3. Naar het oordeel van het hof gaat [appellant] er ten onrechte aan voorbij dat het bedrag dat de Belastingdienst aan loonbelasting en premie volksverzekeringen bij de gemeente heeft geheven hier niet ter discussie staat. Dat betreft een kwestie tussen de gemeente en de Belastingdienst. Bovendien spelen bij de heffing van loonbelasting de door [appellant] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen rol.

4. De vraag waar het hier om gaat is in hoeverre [appellant] is verrijkt ten gevolge van de betaling van de loonbelasting en premie volksverzekeringen door de gemeente. Daarvoor dient te worden bepaald welk bedrag [appellant] naar alle waarschijnlijkheid aan inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, heffingsrente en boete zou hebben moeten betalen indien de Belastingdienst hem een naheffingsaanslag over de jaren 2003, 2004 en 2005 zou hebben opgelegd.

5. Het hof acht het met de gemeente aannemelijk dat in dat geval de Belastingdienst zeker heffingsrente zou hebben gevorderd. Daarnaast is het aannemelijk dat de Belastingdienst een boete van ten minste 25% zou hebben opgelegd, zeker gezien de financieel/fiscale achtergrond van [appellant]. De door [appellant] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder, dat die zouden hebben geleid tot het vaststellen van een boete op een lager percentage. Verder heeft [appellant] wel gesteld dat hem de mogelijkheid gebruik te maken van de inkeerregeling is ontnomen, maar dat die mogelijkheid voor hem bestond heeft hij niet onderbouwd. Bovendien is het het hof ambtshalve bekend dat gebruikmaking van de inkeerregeling niet meer mogelijk is vanaf het moment dat de Belastingdienst een onderzoek instelt naar de betaling van belasting en premie over de ontvangen inkomsten.

6. Gelet op een en ander moet het er voor worden gehouden dat [appellant], uitgaande van het rapport van [betrokkene], verrijkt is tot een bedrag van ten minste € 46.544,-. Het door de gemeente verhaalde bedrag van € 46.108,- ligt daar juist onder, zodat is voldaan aan de voorwaarde voor toewijzing van de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking dat het te verhalen bedrag nooit meer kan bedragen dan het bedrag van de verrijking, Gelet hierop kan de juistheid van de berekening van [betrokkene], waar de gemeente kanttekeningen bij heeft geplaatst, verder in het midden blijven.

7. Grief I slaagt per saldo dan ook niet. Nu de grieven II en III evenmin doel treffen gelet op hetgeen is overwogen in het arrest van 15 februari 2011, deelt grief IV, die is gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, hetzelfde lot.

Slotsom

8. Het bestreden vonnis van 21 oktober 2009 dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.385,- aan verschotten en € 1.631,- (1 punt, tarief IV, € 1.631,- per punt, factor 1) aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de gemeente tot aan deze uitspraak op € 1.385,- aan verschotten en € 1.631,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, G. van Rijssen en B.J.H. Hofstee en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 12 juli 2011 in bijzijn van de griffier.