Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1313

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
107.002.471/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benoeming van waterexpert tot deskundige. Vervolg op LJN: BN0758

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 12 juli 2011

Zaaknummer 107.002.470

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. C.W. van der Zee, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te Oosterzee,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. C.S. Huizinga, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest van 21 december 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[geïntimeerde] heeft een akte genomen, waarna [appellant] een antwoordakte heeft genomen. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De verdere beoordeling

1. In genoemd tussenarrest van 21 december 2010 is overwogen dat indien [geïntimeerde] bezwaren mocht hebben tegen de door [appellant] voorgestelde deskundige van Wetsus (Centre for sustainable Water Technology), het hof voornemens is een deskundige van TNO te benoemen.

2. Uit de akte van [geïntimeerde] blijkt dat bij haar bezwaren leven tegen de benoeming van een deskundige van Wetsus.

3. Wat er van de bezwaren van [geïntimeerde] verder ook zij, het hof zal thans uitvoering geven aan zijn voornemen een andere deskundige te benoemen. TNO heeft het hof, gelet op de voor deze zaak vereiste specifieke deskundigheid, gewezen op ing. M.Q. Ludolph van KWA Bedrijfsadviseurs te Amersfoort.

4. Het hof zal ing. Ludolph benoemen. Rekening houdend met het partijdebat omtrent de vraagstelling, zal het hof aan de deskundige de volgende vragen voorleggen:

A.

Kunt u vaststellen of magnesiumcarbonaat (Magnadol) een geschikt middel is om toe te voegen aan een waterzuivering, zoals aanwezig op het bedrijf van [geïntimeerde]?

Daarbij dient u het volgende in aanmerking te nemen: [geïntimeerde] heeft een kalvermesterij in Oudeschans, waar kalveren worden gemest ten behoeve van vleesproductie voor menselijke consumptie. Het door kalveren gedronken water dient te voldoen aan wettelijke normen. [geïntimeerde] heeft in verband daarmee een bron laten boren en een waterleidingsinstallatie laten installeren.

B.

Wordt het water bij de installatie van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs door de buffer met Magnadol geleid of kan handmatig aan de bodem onttrokken water om de buffer heen worden geleid?

C.

Indien u tot de vaststelling komt dat magnesiumcarbonaat (Magnadol) geen geschikt middel is, kunt u dan vaststellen of dit kan leiden tot een aantasting van de waterinstallatie, zoals gesteld door [geïntimeerde]?

D.

Welke andere factoren zijn ook van invloed op een eventuele aantasting van een waterinstallatie zoals bij [geïntimeerde] in gebruik en hoe verhouden zich die in effect tot het gebruik van Magnadol? Zijn temperatuurregeling van de waterinstallatie, hardheid van het water, ijzergehalte, zuurgraad van het water en aanwezigheid van anodes in de boilers ook van invloed?

E.

In het geval het antwoord op vraag C bevestigend luidt, kunt u vervolgens vaststellen of alle door Frens Kalvotech v.o.f. in rekening gebrachte werkzaamheden, betrekking hebben op herstel van de schade als gevolg van het toedienen van Magnadol? Indien niet alle werkzaamheden daarop betrekking hebben, welke dan wel en welke niet?

F.

Geeft het onderzoek nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van dit geschil van belang zouden kunnen zijn?

5. Het hof zal [geïntimeerde] als de meest gerede partij belasten met het voorschot op de kosten van de deskundige. Volgens opgaaf van ing. Ludolph zullen de kosten, uitgaande van 40 adviesuren, reiskosten, analysekosten en -indien noodzakelijk- een corrosieonderzoek, ten hoogste € 7.500,00 (incl. btw) bedragen. Het hof zal het voorschot dienovereenkomstig vaststellen en partijen in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten, in die zin dat indien zij zich niet kunnen verenigen met genoemd bedrag, zij binnen twee weken na het wijzen van dit arrest hun bezwaren daartegen kenbaar kunnen maken door middel van een aan de griffie (sector handel) van het hof te richten brief. In dat geval zal het hof bij nadere uitspraak op de bezwaren beslissen.

6. Onder aanhouding van iedere verdere beslissing zal het hof op na te melden wijze het deskundigenonderzoek bevelen.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens nader te beslissen:

benoemt ing. M.Q. Ludolph, verbonden aan KWA Bedrijfsadviseurs te Amersfoort (Postbus 1526, 3800 BM), tot deskundige teneinde, onpartijdig en naar beste weten, een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de in rechtsoverweging 4 vermelde vragen;

benoemt mr. M.M.A. Wind tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich door tussenkomst van de griffie dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

bepaalt dat de deskundige bij haar onderzoek partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit het schriftelijk bericht zal blijken;

bepaalt dat de deskundige partijen haar concept-deskundigenbericht zal doen toekomen en partijen in de gelegenheid zal stellen op dat concept te reageren alvorens een definitief bericht uit te brengen. In het definitieve deskundigenbericht zal de deskundige de reacties van partijen op het concept bespreken;

bepaalt het voorschot van de kosten van de deskundige op € 7.500,00 (incl. btw);

bepaalt dat de partij die zich niet met de hoogte van dit voorschot kan verenigen dit binnen twee weken na de datum van dit arrest schriftelijk, onder opgave van redenen, aan de griffie van het hof dient mee te delen, waarna het hof een nadere beslissing zal nemen over de hoogte van het voorschot;

wijst [geïntimeerde] aan als de partij die dit voorschot uiterlijk op 12 augustus 2011 ter griffie zal deponeren door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.637 ten name van het Ministerie van Justitie te Leeuwarden onder vermelding van"deskundigenkosten zaaknr. 107.002.470";

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] het volledige procesdossier voor de voormelde datum aan de deskundige doet toekomen;

bepaalt de termijn waarbinnen de deskundige haar schriftelijke bericht ter griffie moet inleveren op zes maanden na de kennisgeving van de ontvangst van het depot van het voorschot door de griffie, met dien verstande dat de deskundige niet eerder met het onderzoek dient aan te vangen dan nadat zij vorenbedoelde kennisgeving heeft ontvangen;

verwijst de zaak ambtshalve peremptoir voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [geïntimeerde] naar de rol van op 13 maart 2012.

Aldus gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, M.M.A. Wind en G. van Rijssen,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 12 juli 2011 in bijzijn van de griffier.