Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1297

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
WAHV 200.080.385
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Sanctie ter zake van “op een kruispunt geen voorrang verlenen aan bestuurders van rechts.” Is de locatie een kruispunt en is 15 RVV 1990 van toepassing, of is het een in- of uitrit en is 54 RVV 1990 van toepassing? Criterium. Dictum beslissing kantonrechter.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2012/58
JWR 2011/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.080.385

21 april 2011

CJIB 136358952

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 20 oktober 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing gegrond verklaard en de bestreden beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd ter zake van “op een kruispunt geen voorrang verlenen aan bestuurders van rechts”, welke gedraging zou zijn verricht op 24 oktober 2009 om 13.40 uur op de Ronkenstraat te Roermond.

2. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de bestreden beslissing vernietigd en bepaald dat de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd. Hiertoe heeft de kantonrechter - kort gezegd - overwogen dat de betrokkene geen voorrang diende te verlenen aan de van rechts komende verbalisant, aangezien het voetpad, gelegen naast de Ronkenweg, doorloopt en niet wordt onderbroken ter hoogte van de zijstraat de Heuvel, zodat de wetgever heeft willen aangeven dat voetgangers en overig verkeer op de Ronkenweg voorrang dienen te krijgen van het verkeer komende vanuit de Heuvel.

3. De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld, omdat hij van mening is dat de aan de orde zijnde locatie niet kan worden aangemerkt als een in- of uitrit. Derhalve had de betrokkene voorrang moeten verlenen aan het van rechts komende voertuig. Nu de betrokkene dat niet heeft gedaan, is de inleidende beschikking terecht opgelegd, aldus de officier van justitie.

4. Niet in geschil is dat de betrokkene de verbalisant niet heeft laten voorgaan. Discussiepunt is de vraag of de aansluiting van de Heuvel op de Ronkenstraat kan worden gekenmerkt als een uitrit of als een kruisende weg. Het hof overweegt hierover als volgt.

5. Artikel 15, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) houdt het volgende in:

“Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.”

6. Artikel 54 van het RVV 1990 houdt het volgende in:

“Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals (…) uit een uitrit de weg oprijden (…) moeten het overige verkeer voor laten gaan.”

7. Het hof stelt het volgende voorop. Voor de beantwoording van de vraag of de uitmonding van de ene weg op een andere weg als uitrit kan worden aangemerkt, is van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij die uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingssituatie een belangrijke rol. Bij de vormgeving van een uitritconstructie kan daarbij worden gedacht aan een trottoir of fietspad langs de doorgaande weg dat op nagenoeg dezelfde hoogte en in soortgelijke verharding doorloopt over de zijweg en/of de toepassing van zogenaamde inritblokken.

8. Uit voor het hof openbaar te raadplegen topografisch materiaal (Google Maps, Streetview) blijkt over de feitelijke situatie het volgende. De Ronkenweg is een geasfalteerde weg met aan beide zijden trottoir. De Ronkenweg bevindt zich in een 30-kilometer zone. De hoogte van het trottoir is ten opzichte van de Ronkenweg iets verhoogd. Ter hoogte van de uitmonding van de Heuvel op de Ronkenweg loopt dat trottoir op vrijwel gelijke hoogte en in gelijke bestrating door. De Heuvel is een klinkerweg die ontsluiting biedt voor de woningen van het verderop gelegen woonerf. Die klinkerweg heeft ten opzichte van het trottoir van de Ronkenweg een afwijkende kleur en bevindt zich op dezelfde hoogte als het trottoir van de Ronkenweg.

9. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval sprake van een uitrit en niet van een kruising zoals de officier van justitie betoogt. Het hof acht hierbij met name van belang dat het trottoir langs de Ronkenweg ononderbroken doorloopt en ter hoogte van de uitmonding voor wat betreft type en kleur bestrating niet afwijkt. In de onderhavige situatie mag van de weggebruikers worden verwacht dat zij de uitrit als zodanig herkennen en zich overeenkomstig gedragen.

10. Het vorenstaande brengt mee dat op de betrokkene niet de verplichting rustte om voorrang te verlenen aan de verbalisant.

11. Desalniettemin zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof stelt namelijk vast dat de kantonrechter het beroep gegrond heeft verklaard, de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd, maar in strijd met zijn kennelijke bedoeling heeft verzuimd om de inleidende beschikking te vernietigen. Gelet hierop zal het hof vervolgens doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

12. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 6 januari 2010, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 136358952 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van €156,- door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Sekeris en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.