Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR0391

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
200.072.143/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er, naast het vastaande biologische vaderschap, onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot de conclusie leiden dat er tussen vader en zoon 'family life' bestaat in de zin van art. 8 EVRM. Vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 21 juni 2011

Zaaknummer 200.072.143

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. F, Hofstra,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: biologische vader,

advocaat mr. M. Kikken,

kantoorhoudende te Vaals.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 9 juni 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden een omgangs¬regeling vastgesteld tussen de biologische vader en de minderjarige [kind 1], geboren [in 2007] (hierna [kind 1]), inhoudende dat voorlopig -dat wil zeggen totdat een nadere rechterlijke beschikking omtrent de omgang van kracht wordt- de biologische vader en [kind 1] elkaar ontmoeten bij het Omgangshuis onder begeleiding van een medewerker van Humanitas, waarbij de duur en frequentie in overleg met Humanitas nader dient te worden afgesproken. Daarbij is partijen opgedragen om contact op te nemen met de coördinator van Humanitas teneinde een begeleide omgangsregeling op te starten. Voorts is aan de raad voor de kinderbescherming verzocht een aanvullend onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om een omgangsregeling vast te stellen

Het geding in hoger beroep

Na aan haar daartoe bij beschikking van 7 juli 2010 verleend verlof heeft de moeder bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 19 augustus 2010, hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 9 juni 2010 en verzocht deze beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de biologische vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [kind 1].

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 4 oktober 2010, heeft de biologische vader het verzoek bestreden en verzocht het hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder

- een brief van 26 augustus 2010 van mr. Hofstra met als bijlagen het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 april 2010 en een brief van de vader van 22 april 2010 behorende tot de stukken uit eerste aanleg;

- een brief van 26 augustus 2010 van mr. Hofstra met bijlage;

- een brief van 2 december 2010 van mr. Hofstra met bijlage.

Ter zitting van 28 februari 2011 is de zaak behandeld. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door de respectieve advocaten. Namens de Raad voor de Kinder¬bescher¬ming was mevrouw De Jager aanwezig. De advocaat van de moeder, mr. Hofstra, heeft mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota.

De beoordeling

1. [kind 1] is geboren uit de relatie die tussen partijen heeft bestaan. De moeder heeft alleen het gezag over [kind 1]. [kind 1] heeft zijn hoofdverblijf bij haar.

2. De biologische vader heeft zich begin oktober 2009 gewend tot de rechtbank met het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [kind 1]. De moeder heeft zich hiertegen verzet omdat volgens haar geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [kind 1] en omgang tussen hen beiden strijdig is met zwaarwegende belangen van [kind 1]. Zij heeft bij wege van zelfstandig verzoek verzocht de biologische vader het recht op omgang te ontzeggen.

3. De biologische vader heeft tevens een kort geding gevorderd een voorlopige omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [kind 1] met vaststelling van een dwangsomregeling. Bij vonnis van 25 novem¬ber 2009 heeft de voorzieningen¬rechter geoordeeld dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de biologische vader en [kind 1] en aan de raad, kort gezegd, opdracht gegeven om de mogelijkheden te onderzoeken om een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [kind 1], daartoe tussen partijen te bemiddelen en indien wenselijk en mogelijk proefcontacten te begeleiden. Daarbij heeft de voorzieningenrechter beslist dat de procedure in kortgeding en de bodemprocedure gevoegd zullen worden.

4. De raad heeft op 24 maart 2010 over de bevindingen van het onderzoek gerappor¬teerd en geconcludeerd dat er geen gronden zijn die meebrengen dat aan de vader het recht op omgang ontzegd zou moeten worden. De raad heeft geadviseerd tot het geven van statusvoorlichting aan [kind 1] en het op gang brengen van omgangs¬contacten tussen de vader en [kind 1] door middel van begeleiding van het Omgangshuis.

5. De rechtbank heeft daarop beslist als hiervoor onder 'het geding in eerste aanleg' weergegeven.

6. Ingevolge artikel 1:377a BW kan, voor zover hier van belang, degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot een kind, de rechter verzoeken een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en dat kind. Voordat wordt toegeko¬men aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek en de vraag of er sprake is van gronden om het recht op omgang al dan niet tijdelijk te ontzeggen, dient beoordeeld te worden of de verzoeker in het verzoek kan worden ontvangen.

7. De verzoeker kan alleen dan in zijn verzoek tot vaststelling van een vaststelling worden ontvangen wanneer tussen hem en de minderjarige sprake is van 'familie life' als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De in artikel 1:377a BW opgenomen term 'nauwe persoonlijke betrekking' wordt namelijk, krachtens de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, ingevuld met het begrip 'family life' uit artikel 8 EVRM.

8. De rechtbank heeft de vraag naar het bestaan van 'family life' tussen de biologische vader en [kind 1] bevestigend beantwoord (in haar overwegingen) en vervolgens een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [kind 1] in die zin dat partijen zijn verwezen naar het Omgangshuis voor begeleide omgangscontacten.

9. De moeder heeft deze beslissing gekwalificeerd als een tussenbeschikking en heeft de rechtbank daarom gevraagd haar verlof te verlenen voor het indienen van tussentijds hoger beroep om de vraag naar het al dan niet bestaan van 'family life' aan het hof te kunnen voorleggen. De rechtbank heeft dit verlof verleend, waarna de moeder hoger beroep heeft ingesteld.

10. In het onderhavige hoger beroep is de moeder opgekomen tegen de conclusie dat tussen de biologische vader en [kind 1] sprake is geweest van 'family life' als bedoeld in artikel 8 EVRM. Uitsluitend deze vraag dient dan ook in hoger beroep opnieuw beoordeeld te worden.

11. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de biologische vader de verwekker is van [kind 1].

12. Dit enkele biologische vaderschap is echter onvoldoende om de bescherming van artikel 8 EVRM te kunnen inroepen. Slechts bijkomende omstandigheden, gelegen in de aard van de relatie van de vader en de moeder voor de geboorte, de omstandigheden na de geboorte (zoals samenleven of andere contacten met het kind), dan wel een combinatie van omstandigheden voor en na de geboorte kunnen meebrengen dat 'family life' aangenomen moet worden. Het betreft in de kern een waardering van de gestelde en, ingeval van betwisting, aannemelijk geworden feiten en omstandigheden of een verwekker ontvankelijk zal zijn in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

13. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er, naast het vaststaande biologische vaderschap, onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot de conclusie leiden dat tussen de vader en [kind 1] 'family life' bestaat in de zin van artikel 8 EVRM.

14. Het hof heeft hierbij vooropgesteld, anders dan door de rechtbank kennelijk tot uitgangspunt is genomen, dat het aan de biologische vader is om de hiervoor bedoelde bijkomende omstandig¬heden te stellen en, in geval van betwisting daarvan door de moeder, deze ook aannemelijk te maken.

15. Uit de stukken en de verklaringen van partijen valt af te leiden dat na de eerste contacten in april 2007 tussen de biologische vader en de moeder sprake is geweest van een kortstondige relatie, waarbij de moeder reeds bij een van de eerste seksuele contacten zwanger is geworden. In ieder geval is deze relatie begin oktober 2007 definitief verbroken. Dat de zwangerschap en het krijgen van een kind een bewuste en gezamenlijke keuze van partijen is geweest, zoals de biologische vader heeft gesteld, acht het hof in het licht van de betwisting van de moeder niet aannemelijk geworden. Het hof heeft hierbij mede acht geslagen op de omstandigheid dat de moeder kennelijk al bij gelegenheid van een van de eerst seksuele contacten tussen partijen zwanger is geworden, terwijl zij op dat moment zelf nog minderjarig was en zij noch de biologische vader op dat moment of nadien beschikte over eigen inkomen dan wel zelfstandige woonruimte. Onder dergelijke omstandigheden ligt een bewuste en gezamenlijke keuze voor een zwangerschap en een kind niet zonder meer voor de hand en mag op dat punt van de biologische vader een nadere toelichting gevergd worden om deze stellingen ingang te doen vinden. Deze nadere toelichting ontbreekt evenwel.

16. Het hof is voorts tot de conclusie gekomen dat geen sprake is geweest van samen¬woning tussen partijen in een zelfstandige woonruimte en/of het voeren van een gezamenlijke huishouding door partijen. Uit de verklaringen van partijen kan, voor zover deze eensluidend zijn, slechts worden afgeleid dat zij gedurende een aantal weken tezamen hebben ingewoond bij een of meer familieleden. Buiten een door de vrouw erkende periode van ongeveer zes weken is de verdere duur van deze inwoning niet komen vast te staan. Deze periode lijkt te worden bevestigd door het uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [gemeente] waarin niet alleen haar actuele adres en de datum van inschrij¬ving in de gemeente maar ook de adres historie van de moeder is opgenomen: zij heeft in de periode van 17 juli 2007 tot 23 augustus 2007 ingeschreven gestaan op een adres in [woonplaats], kennelijk het adres van de vader van vader, en in de periode van 23 augustus 2007 tot 4 september 2007 op een adres in [woonplaats], kennelijk het adres van de moeder van vader. De inhoud van de verklaring van de moeder van de vader die de vader in het geding heeft gebracht, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

17. Het hof heeft voorts laten meewegen dat niet aannemelijk is geworden dat partijen de inwoning als tijdelijk hebben bedoeld in afwachting van het verkrijgen van eigen woonruimte en eigen inkomsten. In het bijzonder is niet gebleken dat sprake is geweest van gezamenlijke toekomstplannen en dat partijen ook (gezamenlijk) concrete stappen hebben ondernomen om dergelijke eigen woonruimte te verkrijgen, bijvoorbeeld door een gezamenlijke inschrijving bij een aantal woningbouwverenigingen. De stellingen van de vader op dit punt zijn, mede in het licht van de betwisting van de moeder, onvoldoende concreet en onvoldoende onderbouwd. De informatie opgenomen in het verslag van Het Lichtpunt acht het hof hierbij niet doorslag¬gevend nu deze, zoals de moeder terecht heeft gesteld, uitsluitend zijn gebaseerd op mededelingen van de vader dienaangaande.

18. Gelet op het vorenstaande komt het hof dan ook tot het oordeel dat vooraf¬gaand aan de geboorte van [kind 1] van een bestendige relatie tussen de ouders die in enigerlei vorm gelijkt op een huwelijk dan wel een daarmee gelijk te stellen relatie geen sprake is geweest. Partijen hebben zich mogelijk door de omstandig¬heden genoodzaakt gezien de keuzes te maken die zij hebben gemaakt, maar dat verandert niets aan het feitencomplex en aan de daarop gebaseerde de conclusie van het hof.

19. [kind 1] is geboren na het definitief verbreken van de relatie tussen partijen en na zijn geboorte zijn er, anders dan met het oog op de door de biologische vader gewenste omgangsregeling, geen contacten geweest tussen de biologische vader en de moeder. Evenmin zijn er contacten geweest tussen de biologische vader en [kind 1].

20. Alles in ogenschouw nemende komt het hof dan ook tot het oordeel dat tussen de biologische vader en [kind 1] geen sprake is van 'family life' als bedoeld in artikel 8 EVRM. De vader kan dan ook niet worden ontvangen in zijn verzoek om een omgangsregeling tussen hem en [kind 1] vast te stellen.

21. Het hof zal de beschikking waarvan beroep vernietigen en de biologische vader alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn inleidend verzoek.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

verklaart de biologische vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarige [kind 1], geboren [in 2007].

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, R. Feunekes en Th.P.M. Moons en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 juni 2011 in bijzijn van de griffier.