Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR0327

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
200.077.210/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof is met de rechtbank van oordeel dat in deze zaak op de door hem genoemde gronden een neutraal iemand tot mentor moet worden benoemd over de zoon en niet de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 14 juni 2011

Zaaknummer 200.077.210

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.C. Braak, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. I. Wagenaar, kantoorhoudende te Groningen,

Belanghebbenden:

1. [kind 1],

verblijvende te [verblijfplaats],

hierna te noemen: [kind 1],

2. [de mentor],

wonende te Hoogezand,

hierna te noemen: de mentor.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 19 augustus 2010, hersteld bij beschikking van 12 oktober 2010, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) een mentorschap ingesteld over [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 1992], en daarbij [de mentor] benoemd tot mentor.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 november 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 19 augustus 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende haarzelf tot mentor van [kind 1] te benoemen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 14 januari 2011, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 18 januari 2011, van [arts], arts verstandelijk gehandicapten, van [verblijfplaats] (hierna: [verblijfplaats]), een brief van 5 mei 2011 en een brief van 9 mei 2011 met bijlagen, beide afkomstig van mr. Braak.

Op 12 mei 2011 is [kind 1] gehoord door een raadsheer-commissaris van het hof (bij [verblijfplaats] [adres]).

Ter zitting van 19 mei 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. [kind 1], de inmiddels meerderjarige zoon van partijen, verblijft vanwege zijn verstandelijke beperking permanent bij [verblijfplaats].

2. Bij beschikking van de rechtbank van 20 juli 2010 is de vrouw benoemd tot bewindvoerder van [kind 1].

3. Partijen hebben de rechtbank verzocht om een mentorschap ten behoeve van [kind 1] in te stellen. Partijen zijn het niet eens gebleken over de als mentor te benoemen persoon, in die zin dat de vrouw zelf benoemd wenst te worden en de man benoeming van een neutrale derde noodzakelijk acht.

4. De rechtbank heeft beslist zoals hiervoor vermeld onder 'Het geding in eerste aanleg'. Het hoger beroep van de moeder is gericht tegen de benoeming van de huidige mentor.

Het oordeel van het hof

5. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden, welke het hof overneemt en tot de zijne maakt, overwogen dat de benoeming van een neutrale professionele derde tot mentor in het belang van [kind 1] is.

6. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

7. Vanwege zijn verstandelijke beperking kan [kind 1] zelf geen uitdrukkelijke voorkeur uitspreken voor een als mentor te benoemen persoon. Bij zowel het horen van de naam 'moeder' als die van 'vader' heeft [kind 1] een enthousiaste reactie laten zien. Hieruit heeft het hof afgeleid dat [kind 1] met beiden een goede band heeft. Hoewel op grond van de wet in dat geval bij voorkeur een familielid, dan wel de bewindvoerder wordt benoemd tot mentor, acht het hof afwijking hiervan in het belang van [kind 1] noodzakelijk.

8. Ter zitting heeft het hof geconstateerd dat er sprake is van ernstige onenigheid en veel wantrouwen tussen de man en de vrouw. Ook uit de stukken blijkt dit. Vaststaat dat partijen jarenlang grote strijd hebben gehad over een omgangsregeling tussen de man en [kind 1]. In de jaren 2003 tot 2006 heeft er geen omgang plaatsgevonden tussen de man en [kind 1]. De man heeft sinds ongeveer twee jaar weer op regelmatige basis contact met [kind 1]. Bij beschikking van de rechtbank van 5 januari 2010 is vastgelegd dat de man gerechtigd is om [kind 1] één middag per maand bij [verblijfplaats] te bezoeken. Nu [kind 1] inmiddels meerderjarig is, heeft deze beschikking geen rechtskracht meer. Gebleken is dat er in de afgelopen twee jaar geen contact of overleg is geweest tussen de man en de vrouw. Al het contact van zowel de man als de vrouw (als ook van de vroegere pleegouders van [kind 1]) over [kind 1] lopen via [verblijfplaats].

9. Gelet op voorgaande en de behandeling ter zitting acht het hof de vrees van de man begrijpelijk dat bij benoeming van de vrouw tot mentor van [kind 1] -alhoewel vaststaat dat de vrouw zeer betrokken is bij [kind 1]- het contact tussen de man en [kind 1] in dat geval onvoldoende gewaarborgd zal zijn en het niet onaannemelijk is dat de man uiteindelijk buiten beeld zal raken. Partijen blijken structureel niet bij machte te communiceren. Het ligt niet in de verwachting dat de verstandhouding tussen partijen op korte termijn in positieve zin zal veranderen.

10. Het belang van [kind 1] brengt mee dat hij op regelmatige basis contact met beide ouders heeft. Van een neutrale persoon mag en kan verwacht worden dat deze zich inzet om dat belang van [kind 1] op een zo goed mogelijke wijze te behartigen, zonder zich daarbij te laten leiden door andere belangen of het verleden.

11. Ook het argument van de vrouw met betrekking tot de kosten van de huidige mentor maakt het oordeel van het hof niet anders, nu ter bekostiging van de werkzaamheden van een mentor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd.

Proceskosten

12. Anders dan de man is het hof van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen reden is om af te wijken van het gebruikelijke standpunt met betrekking tot de proceskosten. Derhalve zullen de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Slotsom

13. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, voorzitter, M.P. den Hollander en K.R. Kuiken uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2011 in bijzijn van de griffier.