Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR0283

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
200.075.846/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof houdt geen rekening met contante betalingen van de man, nu de vrouw deze heeft betwist en uit de bankopnames door de man niet kan worden afgeleid dat deze bedragen ook als partner- kinderalimentatie aan haar zijn voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 9 juni 2011

Zaaknummer 200.075.846

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B. Mor-Yazir, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.D. Kruidhof-Dijk, kantoorhoudende te Emmen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 21 juli 2010 heeft de rechtbank Assen een verklaring voor recht afgegeven, inhoudende dat de man:

- aan de vrouw over de periode augustus 2007 tot en met december 2009 ter zake de achterstand in de voldoening van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 1994] en in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw verschuldigd is een bedrag van in totaal € 5.061,--;

- in 2007 een bedrag van € 256,-- per maand, in 2008 een bedrag van € 261,63 per maand, in 2009 een bedrag van € 271,84 per maand en vanaf 1 januari 2010 een bedrag van € 278,09 per maand aan de vrouw verschuldigd is ter zake van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1];

- in 2007 een bedrag van € 99,-- per maand en van 1 januari 2008 tot en met juni 2008 een bedrag van € 101,18 per maand aan de vrouw verschuldigd is ter zake een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

De rechtbank heeft deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het zelfstandig verzoek van de man tot wijziging van de te betalen bijdrage voor [kind 1] afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 21 oktober 2010, heeft de man verzocht de beschikking van 21 juli 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen en te verklaren voor recht:

I. dat de man aan de vrouw over de periode augustus 2007 tot en met februari 2010 de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] heeft voldaan;

II. dat de man aan de vrouw over de periode augustus 2007 tot en met juni 2008 de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud heeft voldaan;

III. dat het convenant van 24 november 2006 zal worden gewijzigd in die zin dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met ingang van 1 januari 2010 op nihil zal worden gesteld, subsidiair op een bedrag door het hof in goede justitie te bepalen, en met bepaling dat de bijdrage ten behoeve van de vrouw en [kind 1] over het verleden nader wordt bepaald op hetgeen de man feitelijk heeft voldaan;

IV. en voor het overige de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 2 december 2010, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans om hem dit te ontzeggen en de man te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

23 februari 2011 met bijlagen van mr. Mor-Yazir.

Van [kind 1] is op 11 februari 2011 een brief ingekomen ter griffie van het hof.

Ter zitting van 9 maart 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. J.W. Aartsen (een kantoorgenoot van mr. Mor-Yazir), en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit het huwelijk van partijen is [kind 1] geboren. Het huwelijk is op 7 september 2006 omgezet in een geregistreerd partnerschap. Het geregistreerd partnerschap is op 29 november 2006 geëindigd door de inschrijving van de verklaring tot beëindiging van de partnerschapsregistratie in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. [kind 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

2. De man en de vrouw hebben onderling afspraken gemaakt, welke zijn neergelegd in een door de notaris op 24 november 2006 opgemaakt convenant. In dit convenant is onder meer overeengekomen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] zal voldoen van € 256,-- per maand en een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van € 99,-- per maand.

3. De vrouw is op 26 september 2008 opnieuw gehuwd.

4. De vrouw heeft de rechtbank bij inleidend verzoek van 22 februari 2010 verzocht om een verklaring voor recht zoals in dat petitum staat vermeld.

5. De man heeft bij zelfstandig verzoek van 20 april 2010 verzocht het convenant van 24 november 2006 te wijzigen en de bijdrage voor [kind 1] met ingang van

1 januari 2010 te bepalen op nihil, subsidiair in goede justitie te bepalen en te bepalen dat de bijdrage over het verleden nader wordt bepaald op wat de man feitelijk heeft voldaan.

6. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het hoger beroep van de man richt zich tegen deze beslissing.

De geschilpunten

7. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de achterstand van de man in het betalen van kinder- en partneralimentatie;

- de draagkracht van de man met ingang van 1 januari 2010 en wel op het punt van:

? het inkomen;

? de lasten.

De door de man te betalen kinder- en partneralimentatie

8. De hoogte van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en de opvoeding en verzorging van [kind 1] tot

1 januari 2010 staat vast, nu de man tegen dit deel van de beslissing van de rechtbank niet heeft gegriefd.

De achterstand van de man in het betalen van kinder- en partneralimentatie

9. De man stelt dat er geen sprake is van een achterstand in het betalen van de bij convenant overeengekomen kinder- en partneralimentatie. Hij is van mening dat rekening gehouden dient te worden met de door hem aan de vrouw gedane contante betalingen, de door de ouders van de man betaalde huurachterstand van de vrouw, de helft van de door hem voldane huwelijkse schulden van partijen en het door de man betaalde school- en boekengeld van [kind 1].

10. Het hof is - evenals de rechtbank - van oordeel dat, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aannemelijk is geworden dat de man de door hem gestelde contante betalingen aan de vrouw heeft verricht. De door de man overgelegde bankafschriften waaruit verschillende geldopnames blijken, zijn onvoldoende om aan te nemen dat de man de geldopnames heeft aangewend om aan de vrouw de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en de verzorging en opvoeding van [kind 1] te voldoen. Het hof zal daarom met de door de man gestelde contante betalingen aan de vrouw geen rekening houden.

11. De door de ouders van de man voldane huurachterstand van de vrouw - of de man dit bedrag al dan niet aan zijn ouders heeft voldaan - en de door de man betaalde huwelijkse schulden van partijen zijn schulden welke (wettelijk gezien) niet met de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw verrekend mogen worden. Het hof zal met deze bedragen dan ook geen rekening houden.

12. Het hof acht het - evenals de rechtbank - redelijk om het door de man betaalde school- en boekengeld van [kind 1] van € 720,95 in mindering te brengen op de achterstand van de man in het betalen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], nu deze betalingen kunnen worden aangemerkt als een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1].

13. De achterstand van de man in het betalen van kinder- en partneralimentatie is derhalve - conform de berekening van de rechtbank - afgerond € 5.061,--, zodat de beslissing van de rechtbank op dit punt bekrachtigd zal worden.

De draagkracht van de man

14. De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor hij met ingang van 1 januari 2010 niet langer in staat is de overeengekomen bijdrage voor [kind 1] te betalen.

* het inkomen

15. De man stelt geen draagkracht te hebben om aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] te voldoen, hetgeen door de vrouw wordt betwist.

16. Uit het resultatenoverzicht van 'Voegbedrijf [naam]' van 2009 blijkt dat er over 2009 sprake is van een winst uit onderneming van € 13.373,49. De man heeft voorts een resultatenoverzicht van 'Voegbedrijf [naam]' overgelegd over de periode januari tot en met augustus 2010. Hieruit blijkt dat er over die periode een winst uit onderneming is behaald van € 4.880,28. Het hof is van oordeel dat, gelet op de resultaten over 2009 en de prognose over 2010, voldoende aannemelijk is geworden dat de onderneming van de man door de financiële crisis in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen. Het hof ziet in het vorenstaande dan ook aanleiding af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt, dat bij de berekening van de draagkracht van een zelfstandig ondernemer rekening wordt gehouden met het gemiddelde van de winst uit onderneming over de afgelopen drie jaren, en zal bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een winst uit onderneming van € 13.373,49.

* de lasten

17. Aangezien het besteedbaar inkomen van de man bij een winst uit onderneming van € 13.373,49 nagenoeg gelijk is aan de geldende bijstandsnorm en de man derhalve geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] te voldoen, komt het hof niet meer toe aan de bespreking van de grieven over de woonlasten en de schulden van de man.

18. Gelet op het vorenstaande acht het hof het aannemelijk dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan het convenant tussen partijen dient te worden gewijzigd en de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met ingang van 20 april 2010 - zijnde de datum waarop de man zijn betreffende verzoek heeft gedaan - op nihil te bepalen.

19. Het verzoek van de man om de bijdrage over het verleden te bepalen op wat hij feitelijk heeft betaald zal het hof afwijzen nu geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd om deze terugwerkende kracht te bepalen.

De proceskosten

20. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn worden de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Slotsom

21. De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover het de bijdrage van de man in de kosten van de opvoeding en verzorging van [kind 1] vanaf 20 april 2010 betreft;

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijzigt het convenant tussen partijen van 24 november 2006 over de bijdrage voor [kind 1] en bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 1] [naam], geboren op 21 juni 1994, met ingang van 20 april 2010 op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, R. Feunekes en

J. Hulsebosch, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 juni 2011 in bijzijn van de griffier.