Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BR0266

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
200.072.564/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man ontvankelijk in zijn hoger beroep. Grief 1 laat wellicht enigzins aan duidelijkheid te wensen over, maar uit de toelichting hierop blijkt welke bezwaren er bij hem leven; ook uit het inhoudelijk verweer van de vrouw blijkt dat de bezwaren voor haar voldoende duidelijk waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 9 juni 2011

Zaaknummer: 200.072.564

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P. van Bommel, kantoorhoudende te Franeker,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.J. de Vries, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 30 juni 2010 (hierna ook genoemd: de bestreden beschikking) waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 26 augustus 2010, heeft de man verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de vrouw af te wijzen, alsmede te bepalen dat het teveel betaalde bedrag aan kinderalimentatie door de vrouw aan de man zal worden gerestitueerd, dan wel door de man zal mogen worden verrekend met komende termijnen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 6 oktober 2010, heeft de vrouw het verzoek bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het verzoek van de man, kosten rechtens.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder de brief met bijlagen van mr. Van Bommel van 1 februari 2011 en de brief met bijlagen van mr. De Vries van 2 februari 2011.

Ter zitting van 18 februari 2011 is de zaak behandeld. Partijen zijn daarbij in tegenwoordigheid van hun advocaten verschenen. Beide advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities.

Nagekomen stukken

Zoals ter zitting besproken hebben partijen na afloop van de mondelinge behandeling, bij brieven van mr. De Vries en mr. Van Bommel van respectievelijk 22 en 25 februari 2011, alsnog hun jaaropgaven 2010 in het geding gebracht.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. [kind 1] is [in 2003] geboren uit de affectieve relatie die partijen met elkaar hebben gehad. De man heeft [kind 1] erkend.

2. Sinds de relatiebreuk van partijen heeft [kind 1] zijn hoofdverblijf bij de vrouw, die van rechtswege is belast met het gezag over [kind 1].

3. De man is na de relatiebreuk gehuwd met [vrouw 2]. Uit het huwelijk van de man en [vrouw 2] is [in 2007] een dochter geboren, genaamd [kind 2]. Daarnaast behoort tot het huidige gezin van de man en [vrouw 2] een minderjarig kind, [kind 3], uit een eerdere relatie van de vrouw.

4. Bij beschikking van de rechtbank van 14 maart 2007, zoals verbeterd bij herstelbeschikking van 2 mei 2007, is de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met ingang van

12 september 2006 bepaald op € 89,- per maand.

5. Bij inleidend verzoekschrift van 23 november 2009 heeft de vrouw de rechtbank verzocht om de (verbeterde) beschikking van 14 maart 2007 te wijzigen en de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift te bepalen op € 315,- per maand. De man heeft verweer gevoerd en verzocht de kinderbijdrage te bepalen op € 50,- per maand althans op een lager bedrag dan het oorspronkelijk bepaalde bedrag.

6. Bij de bestreden beschikking van 30 juni 2010 heeft de rechtbank, onder afwijzing van het meer of anders verzochte en onder wijziging van de (verbeterde) beschikking van 14 maart 2007, de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage voor [kind 1] met ingang van 23 november 2009 bepaald op

€ 299,- per maand.

7. De man kan zich in die beschikking niet vinden en heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

De ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep

8. Ingevolge artikel 359 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), gelezen in samenhang met artikel 278 Rv, dient een beroepschrift onder meer een duidelijke omschrijving te bevatten van het verzoek en de gronden waarop het berust.

9. Het hof is in dit verband met de vrouw van oordeel dat de wijze waarop de eerste grief van de man naar voren is gebracht in het beroepschrift wellicht enigszins aan duidelijkheid te wensen overlaat, omdat onder het kopje "grief 1" in feite verschillende gronden worden aangevoerd. Anders dan de vrouw ziet het hof hierin echter geen aanleiding om te concluderen tot niet-ontvankelijkheid dan wel verwerping van deze grief op de grond dat deze niet voldoende duidelijk is. Uit de toelichting bij die grief kan immers worden herleid op welke gronden de man zich keert tegen de bestreden beschikking. Nu de vrouw inhoudelijk verweer heeft gevoerd, en voor haar voldoende duidelijk is op welke punten de man zich niet kan vinden in de bestreden beschikking, staat de wijze waarop de gronden naar voren zijn gebracht in het beroepschrift niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling ervan.

De wijziging van omstandigheden

10. De vrouw heeft haar wijzigingsverzoek gegrond op de stelling dat de (verbeterde) beschikking van 14 maart 2007 door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

11. Indien een verzoeker in rechte aanvoert dat zich sinds de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van voormeld artikel, is de verzoeker in zoverre ontvankelijk in zijn verzoek en dient inhoudelijk te worden beoordeeld of sprake is van een dergelijke wijziging van omstandigheden.

12. De man heeft in hoger beroep niet langer het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin als hier bedoeld. Het hof zal daarom hierna de in geding zijnde kinderbijdrage voor [kind 1] beoordelen in het licht van de tussen partijen bestaande geschilpunten.

De ingangsdatum

13. Het hof zal bij zijn beoordeling uitgaan van de in eerste aanleg vastgestelde ingangsdatum van de (eventuele) wijziging, 23 november 2009, omdat geen van partijen daarover heeft geklaagd.

De geschilpunten

14. De geschilpunten tussen partijen betreffen de behoefte van [kind 1] en de draagkracht van de man op het punt van zijn inkomen, op zijn nieuwe gezinssituatie, zijn woonlasten en de kosten van de omgangsregeling. Daarnaast heeft de man ook de draagkracht van de vrouw aan de orde gesteld en de mate waarin zij dient bij te dragen in de behoefte van [kind 1].

Ten aanzien van de behoefte van [kind 1]

15. De rechtbank is in de bestreden beschikking uitgegaan van een behoefte van [kind 1] van € 315,- per maand, zoals eerder vastgesteld en door de vrouw verzocht.

16. De man heeft in hoger beroep gegriefd tegen de aldus vastgestelde behoefte en daartoe aangevoerd dat de behoefte van [kind 1] gecorrigeerd dient te worden omdat de vrouw de zorg voor [kind 1] grotendeels aan derden overlaat, zoals de opa en oma van [kind 1] (vz). De vrouw bestrijdt de visie van de man en schaart zich achter de bestreden beschikking.

17. Het hof onderschrijft het standpunt van de vrouw dat de behoefte van [kind 1] gerelateerd is aan de welstand waarin partijen hebben geleefd vóór het verbreken van de samenwoning dan wel relatie van partijen.

18. Dat de vrouw gebruik maakt van oppasmogelijkheden bij derden, zoals de opa en oma van [kind 1], hetgeen de vrouw niet heeft betwist, brengt dus op zichzelf niet mee dat de behoefte van [kind 1] is verminderd. De man heeft geen onderbouwde gegevens omtrent het netto gezinsinkomen in de periode van samenwoning overgelegd. Ook overigens heeft de man in het licht van het voorgaande onvoldoende gesteld en onderbouwd om van een lagere behoefte van [kind 1] uit te gaan.

19. Het hof zal daarom evenals de rechtbank uitgaan van een behoefte van [kind 1] van € 315,- per maand.

Ten aanzien van de draagkracht van de man

Het inkomen

20. Het hof zal in zijn draagkrachtberekening voor wat betreft het inkomen van de man uitgaan van de jaaropgaaf 2010, waaruit een belastbaar loon blijkt van

€ 35.845,- minus de daarin verwerkte uitbetaling "Tijd voor Tijd uren" van

€ 4.280,67. Gelet op de bij de jaaropgaaf verstrekte brief van de werkgever van de man acht het hof aannemelijk dat de uitbetaling van "Tijd voor Tijd uren" bij wege van uitzondering is geschied. Dit betekent dat het hof uit zal gaan van een belastbaar loon van € 31.564,- per jaar (€ 35.845,- minus € 4.280,67. Wellicht ten overvloede wijst het hof erop dat de pensioenpremie, althans de gevolgen daarvan voor het inkomen, is verwerkt in de jaaropgaaf, zodat de grief van de man aangaande de pensioenpremie verder onbesproken kan blijven.

21. De grief van de man aangaande het kindgebonden budget is onvoldoende onderbouwd, omdat de man geen stukken aangaande dat kindgebonden budget heeft overgelegd. Het hof kan daarom niet vaststellen, gezien de betwisting zijdens de vrouw, dat het door de rechtbank gehanteerde bedrag van € 839,- onder de post 119 (netto inkomsten) ziet op twee kinderen, zoals de man heeft gesteld. Het hof ziet daarom geen aanleiding voor een correctie op de draagkracht- berekening van de rechtbank als door de man bepleit. Door de aanpassing van het inkomen uit arbeid van de man in hoger beroep valt het kindgebonden budget in de draagkrachtberekening van het hof iets lager uit.

Het draagkrachtloos inkomen

22. In artikel 1:400 lid 1 van het BW is sinds 1 maart 2009 een wettelijke voorrangsregeling voor kinderalimentatie opgenomen (Stb. 2008, 500). Deze wetswijziging heeft gevolgen voor de wijze waarop de voor alimentatie beschikbare draagkrachtruimte wordt berekend.

23. Voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen heeft onder meer tot gevolg dat bij de bepaling van de draagkracht geen rekening wordt gehouden met de nieuwe (inwonende) partner dan wel echtgenote. De (inwonende) partner dan wel echtgenote van de onderhoudsplichtige wordt geacht in eigen onderhoud te kunnen voorzien. Daarom wordt voor de onderhoudsplichtige ouder de bijstandsnorm voor een alleenstaande gehanteerd, ook als er (stief)kinderen in zijn gezin wonen, en worden de kosten van alle kinderen uit zijn draagkracht voldaan.

24. Tot de (overige) noodzakelijke lasten van de onderhoudsplichtige worden slechts de lasten gerekend die ten opzichte van het onderhoudsgerechtigde kind als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. De na aftrek van de noodzakelijke lasten beschikbare draagkracht dient voor 70% beschikbaar te worden gehouden voor kinderalimentatie. De uitkomst wordt vervolgens in beginsel gelijk verdeeld over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat. Ook is van belang of en in hoeverre een bijdrage van derden ten behoeve van een kind wordt of kan worden verkregen.

25. In het onderhavige geval zal het hof in zijn draagkrachtberekening ten aanzien van de man uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en de beschikbare draagkrachtruimte gelijk verdelen over twee kinderen, omdat niet is aangetoond dat er verschil in behoefte bestaat tussen [kind 1] en [kind 2]. Hoewel de man heeft aangevoerd dat zijn draagkracht over drie kinderen moet worden verdeeld, volgt het hof dat niet omdat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn omtrent de behoefte van [kind 3] en de mate waarin naast [vrouw 2] de (mede onderhoudsplichtige) vader van [kind 3] daarin bijdraagt dan wel dient bij te dragen.

* de woonlasten

26. In het geval sprake is van samenwoning met een nieuwe partner dan wel echtgenote, zoals hier, geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de helft van de totale woonlast, tenzij aangetoond wordt dat van de partner niet gevergd kan worden een zodanige bijdrage in deze woonlasten te leveren. Uitgangspunt is immers dat de echtgenote wordt geacht in eigen onderhoud te kunnen voorzien, waaruit volgt dat zij kan bijdragen in de woonlasten.

27. In het onderhavige geval heeft de man betoogd - en heeft de vrouw betwist - dat zijn echtgenote niet fulltime kan werken en zij niet in staat is tot een bijdrage ter hoogte van de helft van de woonlasten.

28. Uit de door de man overgelegde stukken met betrekking tot het inkomen van zijn echtgenote blijkt in dit verband dat zij omgerekend circa € 650,- netto per maand inclusief vakantietoeslag verdient. Nu zij daarnaast de zorg voor de kinderen heeft kan naar het oordeel van het hof niet worden staande gehouden dat zij in eigen onderhoud kan voorzien, mede omdat de kosten van [kind 3] voor een belangrijk deel op haar schouders rusten. Het betoog van de man dat de rechtbank ten onrechte de woonlasten heeft gedeeld, slaagt daarom.

29. De man heeft voorts aangetoond dat de aan de hypotheek verbonden premie levensverzekering van € 140,- per maand ten onrechte niet is meegenomen in de draagkrachtberekening, gelet op de bij brief van mr. Van Bommel van 1 februari 2011 gevoegde polis van Reaal en de betalingsbewijzen van de premie. In zoverre zal het hof dus correcties maken op de draagkrachtberekening van de rechtbank.

* de kosten van de omgangsregeling

30. De man heeft in zijn beroepschrift voorts geklaagd dat de rechtbank ten onrechte in afwijking van zijn berekening de omgangskosten voor [kind 1] in de draagkrachtberekening naar redelijkheid heeft bepaald op € 75,- per maand.

31. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw terecht gewezen op gebrek aan onderbouwing bij deze grief. Ook ter zitting van het hof is gebleken dat tussen partijen geen consensus bestaat omtrent de frequentie en duur van het verblijf van [kind 1] bij de man. De grief faalt dus. Dat [kind 1] ook regelmatig bij zijn opa en oma verblijft, verhoogt de kosten voor de man niet zodanig dat deze € 75,- per maand niet redelijk en billijk zijn te achten.

De draagkracht van de vrouw

32. De rechtbank heeft in eerste aanleg op basis van de door de vrouw overgelegde bescheiden, waaronder een draagkrachtberekening, geconcludeerd dat de vrouw geen draagkracht heeft om bij te dragen in de behoefte van [kind 1].

33. De man heeft in zijn beroepschrift betwist dat de vrouw een negatieve draagkracht heeft. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd waardoor zij de woonlasten kan delen.

34. Naar aanleiding van de betreffende grief van de man in het beroepschrift, heeft de vrouw meer recente gegevens overgelegd aangaande haar draagkracht.

35. Het hof beslist omtrent de draagkracht van de vrouw in het licht van hetgeen partijen daaromtrent over en weer hebben aangevoerd als volgt.

* het inkomen

36. Voor wat betreft haar inkomen heeft de vrouw ter zitting van het hof toegelicht dat zij in oktober 2010 minder is gaan werken, van vier naar drie dagen per week. Het hof is van oordeel dat de vrouw de noodzaak daartoe onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt in het licht van de gemotiveerde betwisting zijdens de man. Het hof zal daarom uitgaan van het totale loon dat de vrouw in 2009, vóór de urenvermindering, heeft verdiend (loon BT als vermeld op de salarisstroken 2010) namelijk € 17.235,-.

* overige bijzonderheden aangaande de draagkracht van de vrouw

37. De man heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aangevoerd om te twijfelen aan de mededeling van de vrouw dat zij alleenstaande ouder is en niet samenwoont. Een enkele factuur die naar het adres van de vrouw is gestuurd op naam van de partner van de vrouw is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. De vrouw heeft daarvoor als verklaring gegeven dat het een vergissing betreft. Het hof volgt de man derhalve niet in zijn stelling dat de woonlasten van de vrouw dienen te worden gehalveerd omdat zij die kan delen met haar partner.

38. Het hof zal voor het overige de namens de vrouw bij brief van 2 februari 2011 overgelegde draagkrachtberekening volgen, die naar het oordeel van het hof onvoldoende is betwist door de man, met uitzondering van het verplicht eigen risico van de ziektekostenverzekering. De man heeft die post betwist en de vrouw heeft niet aangetoond dat het risico zich heeft verwezenlijkt. Voor wat betreft de heffingskortingen heeft het hof ook de berekening van de vrouw gevolgd omdat de man dat aspect niet heeft betwist.

39. Voor wat betreft de kosten van kinderopvang heeft de vrouw ter zitting onder meer toegelicht dat zij gehouden is om voor tachtig uren per maand, dan wel twintig uren per week, te betalen ook indien zij in een voorkomend geval minder uren afneemt voor de kinderopvang. Hoewel een nadere onderbouwing van de stelling van de vrouw dat zij minimaal twintig uren kinderopvang dient af te nemen ontbreek, acht het hof aannemelijk dat aan de zijde van de vrouw sprake is van kosten van kinderopvang en dat het ter zake als last opgevoerde bedrag van

€ 151,- per maand niet onredelijk hoog is.

De draagkrachtberekeningen en conclusies

40. Het voorgaande leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekeningen.

41. Uit de draagkrachtberekening ten aanzien van de man blijkt dat de man exclusief fiscaal voordeel en uitgaande van de 70% norm € 206,- per maand beschikbaar heeft voor kinderalimentatie. Verdeeld over twee kinderen is dat € 103,- per kind per maand. Met toerekening van het fiscaal voordeel van € 49,- per maand heeft de man voor [kind 1] € 152,- per maand beschikbaar om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1].

42. Uit de draagkrachtberekening ten aanzien van de vrouw blijkt dat de vrouw exclusief fiscaal voordeel en uitgaande van de 70% norm € 92,- per maand beschikbaar heeft voor kinderalimentatie.

43. De totale draagkracht van partijen is daarmee lager dan de behoefte van [kind 1], hiervoor vastgesteld op € 315,- per maand, zodat geen draagkrachtvergelijking zal worden gemaakt. Het hof verwijst in dit verband naar de Tremanormen (paragraaf 5.4 van het rapport van de alimentatiewerkgroep).

De slotsom

44. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat het hof opnieuw zal beslissen als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 30 juni 2010 waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank van 14 maart 2007, zoals verbeterd bij herstelbeschikking van 2 mei 2007, zodanig dat de man met ingang van

23 november 2009 € 152,- per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 1], geboren in [2003], telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Aldus gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, R. Feunekes en E. Groot en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 9 juni 2011 in bijzijn van de griffier.