Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ9940

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
24-001588-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van rijden onder invloed en overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 950,- , subsidiair 19 dagen vervangende hechtenis, en een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. De verdachte wordt vrijgesproken van overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001588-10

Uitspraak d.d.: 30 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 9 juni 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde tot respectievelijk een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, en een werkstraf voor de duur van 10 uren, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G. Bakker, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 15 november 2009, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 725 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

feit 2:

hij op of omstreeks 15 november 2009, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten de Gemeente [gemeente]) schade was toegebracht;

feit 3:

hij op of omstreeks 15 november 2009, te en in de gemeente [gemeente], binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee heeft gereden over de rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], en toen aldaar met dat motorrijtuig (auto) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, althans toen aldaar heeft gereden met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en/of (vervolgens) het door hem bestuurde motorrijtuig niet met de nodige voorzichtigheid en/of oplettendheid heeft bestuurd en/of zodanig heeft gereden en/of gemanoeuvreerd en/of geremd, dat hij in of ter hoogte van een in die [straat] gelegen bocht naar rechts, in plaats van behoorlijk die rijbaan te blijven volgen, de macht over de door hem bestuurde auto is verloren en/of (vervolgens) is aangereden of gebotst tegen een op de middenberm van die [straat] staande verkeerspaal, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

hij op 15 november 2009, te [plaats], als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 725 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

feit 3:

hij op 15 november 2009, te [plaats], binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee heeft gereden over de rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], en toen aldaar met dat motorrijtuig (auto) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, en vervolgens het door hem bestuurde motorrijtuig niet met de nodige voorzichtigheid en/of oplettendheid heeft bestuurd en zodanig heeft gereden dat hij in of ter hoogte van een in die [straat] gelegen bocht naar rechts, in plaats van behoorlijk die rijbaan te blijven volgen, de macht over de door hem bestuurde auto is verloren en vervolgens is aangereden of gebotst tegen een op de middenberm van die [straat] staande verkeerspaal, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 15 november 2009 schuldig gemaakt aan overtreding van zowel artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 als artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft met een personenauto binnen de bebouwde kom gereden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, waarbij hij zodanig heeft gereden dat hij de macht over het stuur is verloren en tegen een verkeerspaal is aangereden/gebotst. Verdachte bestuurde deze auto terwijl hij fors meer alcohol had genuttigd dan voor een bestuurder van een motorrijtuig is toegestaan. Door aldus te handelen en in die toestand aan het verkeer deel te nemen, heeft verdachte de verkeersveiligheid - daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers - in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeers-deelnemer veronachtzaamd.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 20 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld, onder meer ter zake van (soortgelijke) verkeersdelicten. De straffen die hem in dat kader zijn opgelegd, hebben hem er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

Ter terechtzitting van het hof is door de verdediging naar voren gebracht dat het voor verdachte erg lastig is om een werkstraf uit te voeren. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte eigenaar van een café is en dagelijks van 13:00 uur tot ongeveer 02:00 / 03:00 uur werkt. Aangezien de echtgenote van verdachte (ook) fulltime werkt, brengt verdachte 's ochtends de kinderen naar school. Een werkstraf zou betekenen dat verdachte in verband met zijn afwezigheid in het café een plaatsvervanger moet inhuren, hetgeen financieel nadelig voor het bedrijf is.

Gezien het hiervoor overwogene en in aanmerking genomen dat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde delict, óók indien er sprake is van recidive, een geldboete indiceren, acht het hof een werkstraf

- zoals door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd - in dit geval een te zware strafmodaliteit. Een geldboete van EUR 950,-, subsidiair 19 dagen vervangende hechtenis, alsmede een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur, doet naar het oordeel van het hof recht aan de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit en is een passende bestraffing. Het voorwaardelijke deel van de bijkomende straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit acht het hof oplegging van een geldboete van EUR 300,-, subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 950,00 (negenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte terzake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 300 (driehonderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 152 (honderdtweeënvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. G.J. Niezink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 30 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.J. Niezink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.